 |
 |
 |
|
| |
| |
Huurachterstand 1
Onderverhuur 1
Verhuur sloopwoningen
Servicekosten
Leges terughalen
Huurovereenkomst in
relatie met huurprijs
Woningwaardering 1
|
|
|
|
Illegale onderverhuur
Het is huurder niet
toegestaan het gehuurde geheel of gedeeltelijk onder te verhuren of aan
derden in gebruik te geven.
Deze bepaling staat standaard in de meeste huurovereenkomsten. Ook in die
bij mevrouw B. te Amsterdam die voor 271 een woning van woningcorporatie
Het Oosten huurde. Op een zeker moment besloot zij de huurwoning voor drie
maanden gemeubileerd te verhuren en bood haar woning via 'marktplaats' aan voor een bedrag van 600 per maand.
Onderhuurder G. diende zich voor dit bedrag aan, maar kort daarna drong
onderverhuurster B. er bij G. op aan dat hij de woning zou verlaten, hetgeen
deze ook uiteindelijk gedaan heeft. Hierover heeft G. zich bij Het Oosten
beklaagd en onderverhuurster B. van oplichting beticht. Vervolgens sommeerde
corporatie aan B. om binnen 12 dagen de huur op te zeggen, bij gebreke
waarvan een gerechtelijke procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst
en ontruiming van de woning gevorderd zou worden. B. liet via haar raadsman
de corporatie weten dat zij niet onderverhuurt en niet vrijwillig zal
overgaan tot huuropzegging. Het Oosten ging naar de kantonrechter die de
corporatie in het gelijk stelde. De woning kon ontruimd worden.
Naar de
letter gerekend wel terecht. Maar is dat wel zo, de omstandigheden in
aanmerking hebben genomen? Huurder B. toog naar het gerechtshof Amsterdam.
Anders dan de kantonrechter zag het |

hof onvoldoende grond
om in kort geding de vordering van de corporatie toe te wijzen. Zo overwoog
het hof het navolgende.
Dat B. met de onderverhuur financieel voordeel wilde behalen en aanvankelijk
een veel langere periode van onderverhuur was overeengekomen, is door de
feitelijke gang van zaken achterhaald. In hoeverre B. zich tevoren al dan
niet bewust was van het ongeoorloofde van de onderverhuring acht het hof ook
minder relevant, nu zij kennelijk zelf al snel tot inkeer is gekomen. De
corporatie vermoedt op basis van verklaringen van G. en zijn vrienden dat
B. eerder heeft onderverhuurd, maar bij gebreke van wettige bewijsmiddelen
kan het hof daar geen geloof aan hechten. Een en ander betekent nog niet dat
B. zich schuldig heeft gemaakt aan oplichtingspraktijken met betrekking tot
de onderverhuur van de woning, hetgeen in beginsel ontruiming van de woning
zou rechtvaardigen. Daarbij overwoog het hof dat er alle aanleiding is te
veronderstellen dat B. niet weer een soortgelijke fout zal maken. Er zijn
onvoldoende gronden die een ontruiming zouden billijken, meent het hof en
veroordeelt Het Oosten in de kosten van de gevoerde gedingen. Wat uit dit
vonnis blijkt, is dat een huurder die de fout is ingegaan, niet nog eens
gestraft wordt als hij die fout zelf herstelt.
Jacques Janssen
|