Verblijf op Aarde
Ik doe wat ik zeg en afspraak is afspraak
De minister van Vreemdelingenzaken en Integratie tekent zichzelf als politieke illusionist


























































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































 
Behoudens bijzondere omstandigheden

 

           
             Wat nog van Nederland naar dit schouwspel zit te kijken moet zich opmaken voor een nieuwe schorsing. De twee gebruikelijke termijnen zijn voorbij, en de minister zal zich moeten beraden wat ze met de motie wil. Ze zal daarbij wellicht overleg voeren met haar ambtenaren, maar ook met andere leden van het kabinet en de minister-president. Daarnaast mogelijk ook nog met vertegenwoordigers van haar VVD-fractie. Maar misschien doet ze het wel helemaal alleen.
            De voorzitter denkt met een schorsing tot kwart voor één een heel eind te komen. De vergadering wordt van 00.25 uur tot 00.45 uur geschorst. Als het debat voor de derde keer wordt voortgezet zal de minister als eerste het woord krijgen. Het is muisstil in de vergaderzaal. Ook Ferry Mingelen kan ons thuis niet een tipje van de sluier oplichten. Mevrouw Verdonk beent met grote passen regelrecht naar de vergaderzaal om het verlossende woord te spreken.
            Minister Verdonk: “Voorzitter. Dit debat heeft een heel duidelijk deel emotie en een deel ratio in zich. Men weet dat ik altijd doende ben om wetten en regels in Nederland te handhaven. Dat is soms, in individuele casussen heel moeilijk, zeker als je een emotionele band hebt met de persoon in kwestie. Dan lig je daar wakker van en ben je daar mee bezig.”

             Dat hou je toch niet voor mogelijk. Ongelooflijk dat minister Verdonk dit durft te beweren. De schaamte voorbij.
            Zij gaat verder: “Het eerste wat je dan doet, is komen tot een zo zorgvuldig mogelijke afweging. De afweging is zeer zorgvuldig geweest. Ik ben er nog steeds van overtuigd dat ik, na de uitlatingen die door Ayaan Hirsi Ali in Zembla werden gedaan, geen andere keuze had dan die welke ik heb gemaakt. Ook mijn keuze voor snelheid heb ik volgens mij vanavond beredeneerd, toen ik sprak over het Nederlanderschap in relatie tot het rechtsgevolg. Ik vond dat ik dit zo snel mogelijk aan de Kamer moest meedelen.
            In antwoord op de vragen van mevrouw Halsema en de heer Verhagen over de interne memo's kan ik zeggen dat deze memo's niet openbaar zijn, aangezien ze intern beraad betreffen. Wel kan ik hun een feitenrelaas doen toekomen.
Vervolgens kom ik te spreken over de motie van de heer Van Beek c.s.” 
            Ja, wacht even, zo gemakkelijk kom je niet van Verhagen af.
            De heer Verhagen: “De minister geeft aan de memo's niet ter beschikking te willen stellen maar het feitenrelaas wel. Punt is dat ik niet kan beoordelen of het feitenrelaas afwijkt van hetgeen in de memo's staat als ik niet kan beschikken over die memo's. Hierdoor kan ik nog steeds niet nagaan of de feiten op grond waarvan de minister destijds een onderzoek had kunnen instellen dan wel een nader onderzoek had kunnen instellen dan wel tot een bepaalde constatering had kunnen komen, dezelfde zijn als na donderdag. Dat was de onderliggende vraag. Zijn er nieuwe feiten aan het licht gekomen tijdens de uitzending van Zembla die tot een andere constatering zouden moeten leiden dan die in 2002? Ik vind het dan ook onbevredigend als ik wel een feitenrelaas krijg zonder dat ik kan nagaan of dat dezelfde informatie bevat als die welke in de memo's naar voren komt.”
            Minister Verdonk: “Als ik de Kamer toezeg dat ik de feiten uit die memo's op een rijtje zal zetten, maar dat de memo's gewoon intern beraad zijn, neem ik aan dat de heer Verhagen daar zijn eigen conclusies uit kan trekken.”
            Vooruit maar weer. Nu energie stoppen in Verdonks weigering gevraagde gegevens aan de Kamer ter beschikking te stellen. De Kamer laat het zich allemaal aanleunen. Het is de Kamer die bepaalt hoever Verdonk met dit spelletje kan gaan. Het is de Kamer die een einde kan maken aan deze onwaardige vertoning.
            Mevrouw Halsema : “Ik geloof niet dat u antwoord hebt gegeven op de vraag van de heer Verhagen, omdat voor ons niet te vergelijken is wat in de memo's en wat in het feitenrelaas staat. Er is een heel eenvoudige oplossing voor en die is om de memo's ter vertrouwelijke inzage aan de Kamer te doen toekomen.”
            Minister Verdonk: “Ik heb al een aantal keren een discussie gehad met de Kamer over het wel of niet vertrouwelijk zijn van zaken. Nu word ik weer gevraagd om iets vertrouwelijk aan de Kamer te geven. Ik stel mij voor dat ik gewoon het feitenrelaas aan de Kamer doe toekomen. Natuurlijk zal ik de Kamer naar eer en geweten antwoorden, dat doe ik altijd. Dan kunnen wij daarover met elkaar debatteren.”
            Mevrouw Halsema: “De minister zegt eigenlijk dat de Kamer niet te vertrouwen is, als het gaat om vertrouwelijke inzage. Dat is toch wat zij bedoelt? Het lijkt mij dat het feitenrelaas in ieder geval openbaar kan zijn en dat zij daarnaast het memo vertrouwelijk ter inzage zou kunnen en moeten geven. Als Kamer moeten wij in staat zijn om de regering te controleren.”
            Heel juist Halsema.
            Minister Verdonk: “Er wordt gevraagd om een interne memo. Ik zeg dat deze niet openbaar is. Ik stel voor om de feiten die in die memo staan, op een lijstje te geven, niet omdat ik de Kamer niet vertrouw, maar omdat wij een aantal keren een debat hebben gehad over gegevens die ik vertrouwelijk wilde verstrekken en die dan toch openbaar moesten zijn. Ik stel nu voor om meteen een openbaar feitenrelaas te geven. Dat is de enige bedoeling die ik daarmee heb, dus ik stel mij voor dat ik dat naar de Kamer toestuur.”
            Minister Verdonk over de motie sprekend: “In eerste termijn ben ik ingegaan op alle aspecten van de overwegingen, waar verschillende leden ook hun visie op hebben gegeven. Ik zou in herhaling vervallen, als ik die discussie zou heropenen, en dat zou ik ook niet willen. Ik kan mij vinden in de strekking van de motie, waarbij ik voor de uitleg van de motie volgens goed gebruik uitga van de indiener van de motie.
In de motie wordt gevraagd om een heroverweging van mijn standpunt. Ik denk dat ik natuurlijk op basis van de reactie van mevrouw Hirsi Ali tot een heroverweging van mijn standpunt zou kunnen komen, maar ik zal ook de uitkomsten van dit debat in die heroverweging betrekken, net als deze motie. Indien een nieuw naturalisatieverzoek aan de orde komt, zal ik dat terstond behandelen. Ik wijs er wel op dat ik daarmee blijf binnen het kader van de wetten en de regels die voor iedereen gelden.”

             Nou wordt het de heer Rouwvoet te gortig, die snel naar de interruptiemicrofoon beent. Het gaat hem over de geloofwaardigheid van de minister, eigenlijk over het ontbreken daarvan.
           De heer Rouvoet: “Aan het einde van mijn tweede termijn heb ik min of meer impliciet gezegd dat de vraag bij mij was gerezen of de minister met deze uitleg van de motie kan leven, maar dat zij daar zelf over gaat. De strekking van die opmerking is ook dat iedereen over zijn eigen geloofwaardigheid gaat. Dat geldt ook voor de minister, maar ik kan deze reactie op deze motie niet plaatsen naast al het andere wat vandaag is gezegd. Er is veel onduidelijk gebleven, maar in het betoog van de minister is glashelder geworden dat zij van mening is dat zij helemaal geen ruimte had en heeft voor afwegingen en overwegingen, maar dat zij slechts nietigheid heeft te constateren. Nu is er een motie die de minister vraagt om die overwegingen die zij niet kon doen, alsnog een keer te doen. Dat is dus een heroverweging. Daarop is de reactie van de minister: ‘Daar kan ik mij goed in vinden.’ Nogmaals: iedereen gaat over zijn eigen geloofwaardigheid, maar dit is niet inpasbaar bij het kernpunt van het betoog van de minister in de rest van de dag, namelijk dat zij niets te wegen, laat staan te overwegen en af te wegen heeft en dat zij slechts nietigheid heeft kunnen constateren.”
            Minister Verdonk: “Wat mij betreft, haalt de heer Rouvoet twee zaken door elkaar.”
            Zo kennen we haar weer. Altijd is het de ander.
            Minister Verdonk: “Aan de ene kant is er de redenering die ik nog steeds handhaaf: als een onjuiste naam, dus een onjuiste identiteit, is opgegeven, heb ik geen ruimte om het Nederlanderschap in te trekken of wat dan ook. Dan kan ik alleen constateren dat er geen rechtsgevolg is geweest. Aan de andere kant heb ik gezegd dat ik een brief heb geschreven aan mevrouw Hirsi Ali. Ik heb de Kamer ook in kennis gesteld van de procedure. Ik heb tegen mevrouw Hirsi Ali gezegd: vooralsnog is dit mijn constatering. Dan gaan die zes weken lopen. Ik zeg u toe dat ik in die zes weken natuurlijk de reactie van mevrouw Hirsi Ali meeneem en dat ik daarbij ook meeneem wat de Kamer vandaag naar voren heeft gebracht. Dat is wat ik zeg.”

             Een niet-ondertekenaar van de motie, de heer Rouwvoet spoedt zich andermaal naar de interruptiemicrofoon om de minister uit te leggen wat ze doen moet, wat de motie van haar vraagt. Zou het hem lukken waar Van Beek, Bos, Halsema en Van der Laan niet in slaagden? Ik heb er een hard hoofd in.

            De heer Rouvoet: “De motie zegt: anders dan de minister de hele dag in deze Kamer heeft betoogd, is er wel degelijk ruimte, namelijk op basis van ‘behoudens bijzondere omstandigheden’. De motie zegt dus: minister, u zegt dat u geen eigen afweging kunt maken, maar de ondertekenaars van de motie zeggen dat dat wel kan en vragen u nu om te doen wat u eerder hebt geweigerd, namelijk een eigen afweging maken in plaats van aan te haken bij de geconstateerde nietigheid en daaruit af te leiden dat u helemaal geen ruimte heeft om zelf iets te doen. De motie vraagt u dus om gebruik te maken van de ruimte die u wel hebt, terwijl u de hele dag hebt gezegd dat u die ruimte niet hebt. U zegt nu dat u kunt leven met een motie die uitspreekt dat u er de hele dag naast hebt gezeten.”
            Minister Verdonk: “Nee, dat is niet juist. De redenering van de heer Rouvoet is niet juist. Ik heb gezegd -dat staat ook in de motie- dat ik in die zes weken de ruimte wil gebruiken die de jurisprudentie en de wet bieden.”
            De heer Rouvoet: “U hebt letterlijk gezegd: "De wet en de jurisprudentie van de Hoge Raad laten mij geen enkele ruimte om tot een andere conclusie te komen dan ik gekomen ben". Nu zegt u dat u kunt leven met een motie die u vraagt om gebruik te maken van de ruimte die wet- en regelgeving u bieden. U kunt in één debat niet beide dingen volhouden.”
            Minister Verdonk: “Nogmaals: er zijn twee procedures. De ene procedure is: als onjuiste informatie is gegeven over de identiteit, is het Nederlanderschap van rechtswege niet verleend. De tweede procedure is: nu die zes weken lopen, vraagt de Kamer mij -- zo lees ik de motie en dat was ook de bedoeling van de heer Van Beek -- om de informatie die in die zes weken naar boven komt -- dat is de informatie van mevrouw Hirsi Ali -- en datgene wat u vandaag hebt gezegd, mee te laten wegen in die zes weken. Dan zal ik tot mijn definitieve constatering komen. Dat is niets anders dan de procedure die ik al geschetst heb.”
            De heer Rouvoet: “Geven de wet en de jurisprudentie van de Hoge Raad u ruimte om tot een andere beslissing te komen dan u gekomen bent?”
            Minister Verdonk: “Niet op het moment dat het gaat om het geven van een valse naam. Dat is natuurlijk gebeurd: er is een valse naam opgegeven. Op dat punt biedt de wet geen ruimte, want er zijn geen rechtsgevolgen ingetreden. Dat neemt niet weg dat er de komende zes weken meer informatie naar boven kan komen. Het lijkt mij juist dat ik ook die meeweeg.”

             De heer Bos: “Aan het begin van de tweede termijn heeft de minister opgemerkt dat zij van oordeel blijft dat zij zorgvuldig heeft gehandeld. Een minuut geleden heeft zij een aantal toezeggingen gedaan. Daarbij heeft zij opgemerkt dat het niets anders is dan de afgesproken procedure. Het toeval wil dat de eerste indiener van de motie zich op deze twee punten expliciet heeft uitgelaten. Desgevraagd heeft de heer Van Beek namelijk in dit debat bevestigd dat de juiste interpretatie van de motie is dat de minister meer ruimte had om tot haar oordeel te komen dan zij heeft gebruikt. De heer Van Beek is uitgedaagd om het woord "afkeuring" te gebruiken, wat begrijpelijk is, maar hij heeft er geen misverstand over laten bestaan dat hij en de andere indieners van de motie het oneens is met de minister als zij zegt dat zij niet meer ruimte had dan zij zelf zag. Kan de minister daarmee leven?
            De heer Van Beek heeft ook gezegd dat het er niet om gaat om de afgesproken procedure te volgen, maar dat er iets extra's nodig is. Het is niet de bedoeling om de periode van zes weken te gebruiken om af te wachten wat er naar boven komt. De minister moet de ruimte gebruiken die zij tot nu toe niet heeft benut. Daarom heb ik de minister zojuist gecorrigeerd nadat zij de motie had voorgelezen. Wellicht is het toeval dat zij de tekst daarna nogmaals verkeerd heeft voorgelezen. Met de motie vragen de indieners om de uitkomst van dit debat in ogenschouw te nemen. Daarnaast vragen zij zeer expliciet om te werken met het begrip 'bijzondere omstandigheden' uit het arrest van de Hoge Raad en met de ruimte die artikel 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap biedt. Is de minister van plan om dat te doen?”
            Volgens mij kan ze het niet bevatten, in weerwil van het maken van vele aantekeningen.
            Minister Verdonk: “Ik heb zojuist gezegd dat ik in de komende periode van zes weken zal doen wat de motie vraagt. Dat betekent dat ik de bestaande ruimte zal onderzoeken en dat ik die zal betrekken bij mijn heroverweging.”

             Verdonk probeert vanavond voor de achtentwintigste keer te ontsnappen. Wouter Bos grijpt in.
             De heer Bos: “Het spijt mij, maar de motie vraagt niet om de ruimte te onderzoeken. De motie bevat het oordeel van een overgrote Kamermeerderheid dat er ruimte is, dat de minister die niet heeft gebruikt en dat zij wordt geacht om die nu wel te benutten. Is de minister van plan om dat te doen?”
            Minister Verdonk: “Ik neem aan dat de Kamer mij steunt als ik zeg dat ik mij aan de bestaande wetten en regels moet houden. Dat is immers het uitgangspunt. Ik blijf erbij dat ik de reactie van Ayaan Hirsi Ali afwacht en dat ik ook datgene wat in dit Kamerdebat aan de orde is gekomen bij mijn heroverweging zal betrekken.”
            De heer Bos: “Ik constateer dat de minister weigert om mijn vraag te beantwoorden. Zij weigert in ieder geval om die vraag met een ondubbelzinnig "ja" te beantwoorden. Ik ben benieuwd welke conclusie de eerste ondertekenaar van de motie daaruit trekt en wat de consequentie zal zijn.”
            Een ander mag het weer proberen. De heer Verhagen: “De heer Van Beek heeft gezegd dat er in onze ogen wel degelijk meer ruimte was om afwegingen te maken. Er is ook gezegd dat de minister niet alleen rekening moet houden met dit debat en met datgene wat Ayaan Hirsi Ali naar voren brengt. Zij dient ook zelf stappen te zetten en een deel van dat onderzoek opnieuw te doen om te weten te komen of er sprake is van bijzondere omstandigheden. Dat hebben wij letterlijk gezegd. De minister moet dus niet onderzoeken of er ruimte is. Die vraag heeft de Kamer al voldoende beantwoord.”

            Je zult toch maar zo toegesproken worden. Ik zie dat ik zelf ook in herhalingen val. Je gaat onwillekeurig aan dat ritme meedoen.
            De heer Verhagen: “De minister moet, gelet op die ruimte, onderzoeken of er bijzondere omstandigheden zijn die haar tot een andere conclusie kunnen brengen. Dat is de vraag van de Kamer. Anders zouden wij de minister niet om een heroverweging van haar constatering vragen. Wij vragen haar, te komen tot een heroverweging van het vooralsnog ingenomen standpunt. Dat kan alleen als de minister erkent dat de Kamer uitspreekt dat er meer ruimte is dan zij heeft gesuggereerd.”
            Minister Verdonk: “Ik wijs de heer Verhagen op het laatste deel van het dictum, waarin staat dat in het geval deze heroverweging niet tot een andere conclusie kan leiden dat dan de Nederlandse nationaliteit nooit door mevrouw Hirsi Ali is verworven de minister met de grootst mogelijke spoed een naturalisatieverzoek moet behandelen. Dat zou een uitkomst kunnen zijn.”
            De heer Verhagen: “Mag ik de minister erop wijzen dat boven het dictum een heleboel andere zaken staan? Als zij er bij voorbaat van uitgaat dat de heroverweging niet anders kan zijn dan de afgelopen maandag getrokken constatering heeft de minister een probleem.”
            Minister Verdonk: “Daar ga ik niet van uit. De motie geeft mij de ruimte dat als ik niet tot een ander oordeel kom ik met de grootst mogelijke spoed een naturalisatieverzoek zal behandelen. Ik zeg de Kamer toe dat ik op basis van het vandaag gevoerde debat de komende zes weken zal gebruiken om informatie die op tafel komt heel serieus te gebruiken in mijn overwegingen. Dat geldt ook voor informatie die van mevrouw Hirsi Ali zal komen.”
            De heer Verhagen: “Mijn vraag richt zich niet op wat de minister gaat doen als de conclusie een bevestiging is van het eerder door haar ingenomen standpunt. Mijn vraag richt zich op wat de minister bij de heroverweging gaat doen met de geconstateerde ruimte. Als de minister bij voorbaat stelt dat de motie om een versnelde naturalisatieprocedure vraagt, doet zij niet wat zij eerder heeft gesteld, namelijk rekening houden met wat in het debat naar voren is gebracht. Een conclusie is heel duidelijk te trekken. Naar de mening van de Kamer is er meer ruimte om bijzondere omstandigheden te wegen dan de minister volhoudt.”
            Minister Verdonk: “Ik houd dat vol op grond van het arrest van de Hoge Raad. Dat arrest lijkt mij heel helder.”
            De voorzitter: “De minister heeft het woord! Ik verzoek om rust in de zaal!”
            De voorzitter zou zich verdienstelijk kunnen maken door deze minister te bewegen tot adequate antwoorden.
            Minister Verdonk: “Ik heb een aantal keren opgemerkt heel serieus naar de Kamer te luisteren. Ik zal de periode van zes weken gebruiken om informatie die naar voren komt mee te nemen in de heroverweging, inclusief de informatie van mevrouw Hirsi Ali. Op een gegeven moment zal dat tot een standpunt leiden. Ik kan daar niet op vooruit lopen. Ik weet niet wat voor informatie er naar voren zal komen. Als het niet leidt tot een andere conclusie, zal ik het naturalisatieverzoek versneld behandelen. Dat zeg ik toe.”
            Mevrouw Van der Laan: “Het is mij niet duidelijk of de minister het niet begrijpt of niet wil begrijpen. Ik probeer nog een keer uit te leggen aan de minister wat de opties zijn bij de motie. Of de Kamer heeft gelijk en er is ruimte of de minister heeft gelijk en er is geen ruimte. De minister kan niet de motie omarmen en volhouden dat zij geen ruimte heeft. Dat kan niet. Of de Kamer heeft gelijk of de minister heeft gelijk.”
            Minister Verdonk: “Volgens mij is deze vraag net ook al gesteld. Over het gebruiken van een onjuiste naam en het opgeven van een onjuiste identiteit zijn de wet- en regelgeving en de jurisprudentie heel duidelijk, namelijk dat ik alleen maar kan constateren dat geen Nederlanderschap is verleend. Ik kan misschien eerst ingaan op de motie van de heer Van der Vlies, want wellicht kan dit nog een opening bieden. Nogmaals, binnen de ruimte die ik heb, dus binnen de ruimte van de bestaande wet- en regelgeving -die is voor iedereen in Nederland hetzelfde- wil ik serieus bezien welke mogelijkheden ik heb om de verstrekte informatie te bezien.”
            Mevrouw Van der Laan: “U hebt net uren lang beweerd dat u geen ruimte had, dat u niet anders kon dan tot deze conclusie komen. Nu zegt de Kamer dat zij het niet met u eens is, dat wat u zegt niet klopt. Dat zegt een heel ruime Kamermeerderheid. Die motie laat geen ruimte om nog eens zes weken lang te gaan overwegen of er wel ruimte is, neen, die zegt dat die ruimte er is! Als u de motie omarmt, dan zegt u dus dat u uw standpunt nu verandert!”
            Minister Verdonk: “In mijn antwoord heb ik duidelijk gesteld dat ik vooralsnog de constatering het gedaan die ik heb gedaan op grond van de huidige gegevens. Daarnaast heb ik gezegd dat er nu zes weken de tijd is om op basis van andere informatie tot een uiteindelijk standpunt te komen. In die zes weken is er dus wel degelijk ruimte voor andere informatie, maar niet in het eerste geval. Ik kan mij niet voorstellen dat u het anders bedoelt. Wij hebben wetten en regels en die gelden voor iedereen. Hoe hard en hoe moeilijk het soms ook is, maar wetten en regels gelden in Nederland voor iedereen!”
            Mevrouw Van der Laan: “U wilt nog een paar weken gaan kijken of er additionele informatie is die tot een heroverweging kan leiden. De Kamer zegt dat zij die informatie niet nodig heeft en dat zij nu al weet dat die ruimte er is. Als u deze motie uitvoert, dan zegt u dus dat die ruimte er natuurlijk is!”
            Minister Verdonk: “Dan zeg ik dat ik, gehoord hebbende dit debat, serieus zal bezien of er ruimte is binnen de bestaande wet- en regelgeving.”
            Mevrouw Van der Laan: “Maar dan luistert u dus niet naar de meerderheid van de Kamer!”
            Minister Verdonk: “Wel degelijk, want deze motie geeft heel duidelijk aan dat als die heroverweging niet tot een andere conclusie leidt er iets anders moet gebeuren. Ik doe mijn uiterste best, kijk heel serieus naar alle informatie, maar als die ruimte er niet is, dan zal ik voldoen aan het laatste deel van het dictum.”
            Mevrouw Halsema : “Voorzitter. De minister blijft terugvallen op het mantra "u wilt toch ook dat wij de wetten en regels uitvoeren?" maar hier gaat het om de uitleg van jurisprudentie. Een grote meerderheid van de Kamer bestrijdt de uitleg van die jurisprudentie van de minister. Zij had wel degelijk mogelijkheden, maar heeft die niet gekozen. Eerlijk gezegd zou ik in dit stadium graag het verlossende woord willen horen van de eerste indiener van de motie. Het lijkt mij van groot belang dat hij aangeeft dat de uitleg van de Kamer een wezenlijk andere is dan die van de minister.”
            De heer Van Beek: “Voorzitter. Ik was blij toen de minister iets bewoog, maar buitengewoon ongelukkig dat daarna een van de collega's naar voren schoot en zei "hé, ze beweegt" en de minister daarna moest uitleggen waarom hetgeen zij vanavond heeft gezegd en wat zij nu weer zei toch op elkaar pasten.
            Ik wil bereiken dat in de komende zes weken naast de informatie van mevrouw Hirsi Ali ook de overtuiging van de Kamer dat er meer ruimte is dan tot nu toe is benut, onderdeel is van studie. Ik heb niet voor niets die denktank genoemd. Ik vraag de minister om te zoeken naar ruimte om in haar definitieve afweging zowel de reeds beschikbare informatie als nieuwe informatie en de resultaten van de studie naar de juridische interpretatie van de uitspraken van de Hoge Raad en artikel 14, in het totaal mee te nemen. Ik heb niet de bedoeling gehad om in het dictum al een eindconclusie te trekken. Daarom heb ik opengehouden dat de minister tot een conclusie kan komen die ons niet zint. In dat licht heb ik die tweede optie erin gezet. De komende zes weken moet er op het ministerie worden doorgedacht op basis van dit debat en de inbreng van de fracties. Wij moeten ons niet vastzetten in een situatie waarin de een zegt dat er wel ruimte is en de ander dat er geen ruimte is. Wij moeten de beschikbare tijd benutten om het onderwerp uit te diepen.”
              Minister Verdonk: "Uit de woorden van de heer Van Beek begrijp ik dat wij niet alleen naar de informatie van Ayaan Hirsi Ali moeten kijken -die is natuurlijk ook belangrijk- maar ook moeten zoeken naar ruimte. Dat is precies wat ik probeerde te zeggen, en niet dat ik de deur dichtsla en de rest niet wil doen. Ik ben wel blij met de opening die de Kamer mij biedt: als er geen ruimte is -ik ga daar uiteraard serieus naar op zoek- geldt het laatste deel van het dictum. Ook dat zeg ik graag toe."
            De heer Van der Vlies: “Het wordt nu toch wel een wat merkwaardig debat; ik zal proberen mijn gevoel daarover onder woorden te brengen. Er is een bestaande wet, er is bestaande jurisprudentie en naar aanleiding van een casus is zorgvuldig bekeken hoe de wet moet worden geïnterpreteerd. Daarop is een gewichtige constatering gedaan. Beleidsruimte wordt niet bij motie aan de wet toegevoegd. Op zijn best kun je in een motie vragen om nog eens goed te kijken of de wet wel juist is geïnterpreteerd. Afhankelijk van de uitkomst daarvan kan er een herziening komen of is een wetswijziging nodig. Mijn motie richt zich op het laatste. Deze redenering van mijn fractie heeft ertoe geleid dat ik mijn handtekening niet onder de motie heb gezet. Ik moet nog wel mijn stemgedrag bepalen. In dat licht is het verschrikkelijk belangrijk om het oordeel van de regering te vernemen, niet alleen over de strekking van de verzoeken maar ook over de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, die in het dictum nog eens worden benadrukt door de toevoeging in schrift. Ik had begrepen dat de overwegingen niet door de minister werden gedeeld. Zij heeft wel de bereidheid uitgesproken er nog eens goed naar te kijken, maar dat is iets anders dan een heroverweging in de context van hoe het debat nu loopt. Vandaar mijn verbazing.”
            Minister Verdonk: “De motie wordt op allerlei verschillende manieren geïnterpreteerd. Ik luister naar de interpretatie die de heer Van Beek zojuist heeft gegeven. In dat kader gaat het om het laten meewegen van de informatie van Hirsi Ali en het zoeken naar ruimte. Ik stel voor om nu eerst naar de motie van de heer Van der Vlies te gaan. In die motie wordt de regering verzocht, te bevorderen dat, zo nodig door het voorbereiden van een wetswijziging, in de toekomst in dergelijke gevallen een expliciet besluit over al dan niet intrekking van het Nederlanderschap wordt genomen waarin alle omstandigheden voluit kunnen worden meegewogen. Over deze motie kan ik kort zijn.
            Ik wil toezeggen aan de Kamer dat ik de mogelijkheden hiertoe in kaart breng voor een toekomstige bespreking in de Kamer. Ik interpreteer het laatste deel van het dictum als volgt: als inderdaad niet tot een andere conclusie kan worden gekomen dan dat de Nederlandse nationaliteit door mevrouw Hirsi Ali is verworven, moet er een nieuw naturalisatieverzoek worden ingediend. Dan gaat de hele procedure lopen. Zij zal dan eerst naar de GBA moeten om de verblijfsvergunning op de goede naam te zetten en daarna gaat het lopen. Ik heb toegezegd dat ik dat verzoek in dat geval met de grootste spoed zal behandelen.”
            De heer Van As (LPF): “Die toezegging heeft de minister gedaan en daar kan mijn fractie mee leven, maar dan is deze motie toch overbodig?”
            Minister Verdonk: “Volgens de indieners van de motie is dat niet het geval. Ik heb net tegen de heer Van Beek gezegd, nadat hij had uitgelegd wat zijn bedoeling was met deze motie, dat ik mij erin kan vinden. Het gaat om de informatie van mevrouw Hirsi Ali en het zoeken naar ruimte. Dat zal ik doen.”

             Na enig gedelibereer over de motie van Van der Vlies vraagt Wouter Bos het woord.
             En wat volgt is een bizarre vertoning die nog nooit in de parlementaire geschiedenis heeft plaatsgevonden. Een Kamerlid roept een mede-Kamerlid op als getuige, die als eerste ondertekenaar van een motie ten overstaan van de minister verklaart welke betekenis aan de motie toegekend dient te worden. Luister en huiver.
            De heer Bos: “Ik wil terug naar de motie-Van Beek c.s. Wij kunnen natuurlijk eindeloos doorgaan met de minister de gelegenheid geven om haar interpretatie van de motie te geven en de ondertekenaars er iets anders over te laten zeggen. Ik wil graag een laatste poging doen om door middel van twee heldere vragen aan de heer Van Beek duidelijkheid te krijgen over wat in elk geval zijn intentie is met deze motie.”
            Ik zie inderdaad de fractievoorzitter van de VVD naar voren komen om zich kennelijk te laten bevragen. Dit kan toch niet of het moet afgesproken werk zijn tussen die twee fracties.
            De heer Bos: “De eerste vraag die ik de heer Van Beek wil stellen is de volgende. Zegt hij nog steeds wat hij eerder in dit debat gezegd heeft, namelijk dat in ieder geval een van de strekkingen van deze motie is dat hij, net als de andere ondertekenaars van deze motie, van mening is dat de minister meer ruimte heeft om een besluit te nemen dan zij tot nu toe heeft gebruikt?”
            De heer Van Beek: “Ja.”
            De heer Bos: “Mijn tweede vraag aan de heer Van Beek is of hij van mening is dat de strekking van deze motie verder gaat dan een verzoek aan de minister om ruimte te onderzoeken, maar dat van de minister wordt gevraagd om de door de Kamer geconstateerde ruimte te gebruiken?”
            De heer Van Beek: “Ik wil heel graag dat zij dat proces doorkomt en de zes weken gebruikt om de zelfde conclusies te trekken als de Kamer heeft getrokken. Ik kan haar die opvatting alleen niet opdringen. Ik kan hoogstens ruimte creëren door te zeggen dat wij volgens mij moeten constateren dat er meer ruimte is om rekening te houden met bijzondere omstandigheden. Dat kan volgens mij op twee verschillende manieren.”
            De heer Bos: “U hebt uitgelegd op welke twee manieren, namelijk via bijzondere omstandigheden en via artikel 14. Dat maakt duidelijk dat u net als wij van mening bent dat er meer ruimte is en dat de minister die moet gebruiken. Zij mag eerst best onderzoek doen, maar moet die uiteindelijk wel gebruiken."
            De heer Van Beek: “Het gaat om het resultaat.”

             De heer Bos: “Dit zijn kraakheldere antwoorden van de eerste indiener van de motie op wat de strekking daarvan is, namelijk dat de indieners constateren dat er meer ruimte is dan de minister tot nu toe heeft willen gebruiken en dat de minister wordt verzocht om die ruimte te gebruiken. Zal zij de motie conform die interpretatie uitvoeren?”
            Minister Verdonk: “Ja, de ruimte die er is, zal ik gebruiken.”
            De heer Verhagen: “Voorzitter. Wat is het toch leuk, maar tegelijkertijd ook niet om zo'n debat te voeren. Het is nu half twee 's nachts en wij zijn niet veel verder gekomen. Laat ik de vraag dus anders stellen. Ik wil er een helder antwoord op hebben, anders vraag ik een derde termijn aan. Mijn vraag luidt als volgt. Is de minister bereid, gelet op het feit dat er meer ruimte is dan zij tot nu toe heeft aanvaard of heeft willen aanvaarden en op de uitspraak van de Kamer dat zij haar besluit moet heroverwegen, om na te gaan of er bijzondere omstandigheden zijn die het rechtvaardigen om een andere conclusie te trekken dan zij tot nu heeft gedaan?”
            Minister Verdonk: “Ja.”
            Logisch dat Rouwvoet dan weer komt.
            De heer Rouvoet: “Dan is de vervolgvraag of de minister het met mij eens is dat er nooit sprake is geweest van nietigheid, maar van een eigen beleidsterrein van de minister, namelijk van vernietigbaarheid, gezien het feit dat zij nu zegt dat zij nagaat hoe zij de ruimte die er is, kan benutten? Als er nooit sprake van nietigheid is geweest, waarom heeft zij zich dan de hele middag op de jurisprudentie van de Hoge Raad beroepen en gezegd dat zij geen ruimte had en niets kon beslissen, maar alleen kon constateren? Hoe komt zij van de positie van vanmiddag tot haar huidige positie? Politiek begrijp ik het, maar nu wil ik het inhoudelijk begrijpen. Er is geen nietigheid als dit uw stellingname is.”
           Minister Verdonk: “Ik heb net toegezegd dat ik naga of er bijzondere omstandigheden zijn. Zo ja, dan betrek ik die bij de overwegingen. Dat zeg ik en is wat de indiener van de motie volgens mij ook vraagt. Aan de andere kant ben ik gebonden aan bestaande wetten en regels. Wil de heer Rouvoet dat ik die in deze individuele casus aan de kant zet? Ik vind de motie van de heer Van der Vlies in dat opzicht veel duidelijker. Hij maakt namelijk een duidelijk onderscheid tussen de zaak van mevrouw Hirsi Ali, waar wij vandaag over praten, en de toekomst. Wil de heer Rouvoet dat ook?”
            De heer Rouvoet: “Ik wil duidelijkheid van de minister die zich laat voorstaan op duidelijkheid. Zij is alleen in staat om in één debat een beweging te maken en om de Kamer de hele middag voor te houden dat die het mis heeft. Zij zelf zou geen ruimte hebben gehad en niets hebben kunnen beslissen. Zij kon alleen maar constateren dat er nietigheid was omdat de Hoge Raad dat had gesteld. Wij kunnen blij zijn met de uitkomst. Ook ik wilde een zorgvuldiger procedure dan er gevoerd is. Vanmiddag heeft de minister alleen aan alle kanten ontkend dat zij de ruimte had om gebruik te maken van haar beleidsvrijheid. Nu er in dit debat een motie is ingediend met het verzoek om de ruimte te benutten die er wel is, zegt zij dat zij zich daar prima in kan vinden.
            Ik mag dan van de minister duidelijkheid eisen. Zij heeft de hele middag ontkend dat zij ruimte voor een eigen beleidsvrijheid had. Ik heb mij vanmiddag afgevraagd dat het toch niet zo zou zijn, dat de minister deze vrijheid niet heeft durven gebruiken. Nu is een motie ingediend waarin van haar wordt gevraagd de ruimte die er is te benutten. Zij zegt dat zij zich hierin prima kan vinden. Ik mag dan van haar eisen dat zij duidelijkheid biedt hoe zij tot deze draai van 180 graden is gekomen.”
            Minister Verdonk: “Ik ben geen 180 graden gedraaid. Ik draai nu ook niet. Ik zeg heel duidelijk dat wij aan de ene kant de wet- en regelgeving hebben en dat ik aan de andere kant alle mogelijke moeite doe om in de periode van zes weken die voor ons ligt, te kijken naar bijzondere omstandigheden. Volgens mij bestaat daarover geen enkele onduidelijkheid.”
            Mevrouw Halsema: “Ik wil nog iets zeggen ter aanvulling op de woorden van de heer Rouvoet. Ik meen dat de frustratie en vermoeidheid bij iedereen groeit. Kan de minister haar beslissing nu heroverwegen of niet?”
            Minister Verdonk: “Ik heb een standpunt ingenomen. Dat heb ik kenbaar gemaakt aan mevrouw Hirsi Ali. Op grond van haar reactie en van dit debat is sprake van andere informatie. Ik heb toegezegd te zullen kijken naar bijzondere omstandigheden. Natuurlijk kan ik dan tot een ander standpunt komen.”

             De voorzitter: Ik hoor van verschillende kanten dat behoefte bestaat aan een derde termijn. De heer Bos had dit al geïndiceerd. Mevrouw Halsema en de heer Verhagen geven mij dit nu ook te kennen. Ik stel voor dat de minister haar verhaal afmaakt.”
           Mevrouw Van der Laan: “Ik wil nog een vraag over een ander onderwerp stellen aan de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie voordat zij haar tweede termijn beëindigt. Ik neem aan dat de minister kennis heeft genomen van de internationale discussie die over deze situatie is ontstaan. Ik heb daarover al enige woorden gesproken. Wij slaan op dit moment internationaal een flater door wat er allemaal gebeurt. Ik vraag mij af of de minister zich dit aantrekt, of zij dit betrekt in haar overwegingen en of zij van mening is dat wij een land moeten zijn dat staat voor tolerantie, maar dat wij hard op weg zijn om onze internationale reputatie op dat gebied te verliezen.”
            Minister Verdonk: “Ik wil twee dingen scheiden. Het ene is dat in het buitenland wordt gezegd dat wij het niet goed vinden dat iemand met haar hoofd boven het maaiveld komt en dat wij niet houden van vrijheid van meningsuiting. Daartegen verzet ik mij, want daarvan houden wij in Nederland wel degelijk. Wij kunnen er heel goed tegen en ik bewonder Ayaan Hirsi Ali erom. Aan de andere kant hebben wij in Nederland ook wetten en regels. Deze wetten en regels behoren voor iedereen te gelden. Daar gaat het om. Het buitenland begint meteen over tolerantie. Dat gebeurde ook de vorige keer, naar aanleiding van de uitspraak van de rechter over het huis van Ayaan Hirsi Ali. Hoe betreurenswaardig het ook is dat zij weer zou moeten verhuizen, stel ik vast dat zij haar eigen plan heeft getrokken. Deze hele discussie heeft helemaal niets te maken met de vrijheid van meningsuiting. Het gaat om de wetten en regels en hoe wij daarmee moeten omgaan.”
            Mevrouw Van der Laan: “Ik stel vast dat de minister het, in tegenstelling tot mijn fractie, niet belangrijk vindt dat er op dit moment zoveel internationale kritiek over Nederland heen komt.”
            Minister Verdonk: “U vraagt of de minister het niet belangrijk vindt?”
            De voorzitter: “Ik verzoek mevrouw Van der Laan haar vraag te herhalen.”
            Mevrouw Van der Laan: “Op basis van de reactie van de minister moet ik dus helaas constateren dat zij de internationale reactie en de smet op ons land als een land van tolerantie, niet belangrijk vindt.”
            Minister Verdonk: “Dat is onjuist. Ik heb gezegd dat wij in Nederland trots mogen zijn op onze vrijheid van meningsuiting en op onze tolerantie, wat het buitenland er ook van mag vinden.”

             Nadat de heer Van As en minister Donner nog het een en ander hebben uitgewisseld stelt de voorzitter vast aan het einde te zijn gekomen van de tweede termijn. Een aantal fracties hebben een ongebruikelijke derde termijn aangevraagd en de voorzitter schorst de vergadering tot twee uur. Maar kennelijk lukt het niet om binnen die termijn te beginnen, zodat de schorsing verlengd wordt tot twintig over twee. Ik vraag me af waarmee die Tweede Kamer nu bezig is. Hopelijk zal het drama zich snel ontknopen. Ik realiseer me dat de ochtendkranten van vandaag dit laatste nieuws onmogelijk meer kunnen meenemen. Het is tien voor half drie als de derde termijn begint.

             De heer Verhagen: “Voorzitter. Wij hebben een lang en intensief debat gevoerd. Daarin hebben moties een rol gespeeld en er is gekeken naar de wet- en regelgeving. Het is terecht dat wij een lang en intensief debat gevoerd hebben, want er staat nogal wat op het spel. Een en ander heeft ook veel beroering met zich gebracht, niet alleen in de Kamer, maar ook in de samenleving.
            In de beantwoording van de minister is naar mijn mening onnodig onduidelijkheid blijven bestaan over wat zij met de door collega Van Beek ingediende motie zal gaan doen, hoe zij de motie zal interpreteren en welke concrete stappen zij werkelijk wil gaan zetten. Het ene moment kreeg je de indruk dat de minister zou gaan doen wat in de motie gevraagd wordt -op een interruptie van mij heeft zij op een gegeven ogenblik ook heel helder ‘ja’ gezegd- maar bij verdere beantwoording draaide zij daar toch weer van weg. Daarom vond ik het nodig om een derde termijn aan te vragen. Om geen onduidelijkheid te laten bestaan over wat de Kamer wil en wat de Kamer vindt, met name van de interpretatie van de ruimte die er zou zijn om bepaalde omstandigheden te wegen, en om aan te geven dat dus niet zo eenduidig vaststaat wat de conclusie is, heb ik de volgende motie geformuleerd.” 

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat in de motie-Van Beek c.s. de minister verzocht wordt om het standpunt inzake het Nederlanderschap van mevrouw Hirsi Ali te heroverwegen;

van mening dat op dit moment nog geen sprake is van nietigheid van de naturalisatie van mevrouw Hirsi Ali;

overwegende dat een zorgvuldige voorbereiding van een besluit inzake de Rijkswet op het Nederlanderschap noodzakelijk is in het kader van een goede rechtsbescherming;

voorts overwegende dat in het kader van deze zorgvuldige voorbereiding het nodig is, alle afwegingen te betrekken bij deze voorbereiding;

van mening dat er meer ruimte is om te komen tot een weging van bijzondere omstandigheden;

verzoekt de minister, nader onderzoek te doen naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden om zodoende tot een zorgvuldig besluit te komen en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

            De motie blijkt te zijn ondertekend door de leden Verhagen, Van Beek, Van der Laan, Halsema, Bos en De Wit.
            Een nieuw novum wordt in de parlementaire geschiedenis geïntroduceerd. Er wordt een motie tegen een minister ingediend die moet bewerkstelligen dat er geen enkele onduidelijkheid bestaat over de interpretatie en uitvoering van een eerder ingediende motie. Als dat geen motie van wantrouwen of afkeuring meer is, wat moet het dan wel zijn. En de stem van een gewone man als ik is toch wel wat waard.
            De heer Van As: “Is dit impliciet niet een motie van wantrouwen?”
            De heer Verhagen ontkent dat in de richting van de heer Van As. De gluiperige Nawijn besluipt Verhagen en wil Verhagen laten inzien dat hij in strijd met de wet bezig is. Dat gaat zo:
            “De minister heeft vanavond betoogd dat het besluit dat zij heeft genomen, overeenkomt met wat in wetgeving en jurisprudentie staat. Daarin heeft zij heel duidelijk laten uitkomen dat er geen sprake kon zijn van bijzondere omstandigheden, maar de minister is bereid om in deze zes weken toch nog eens naar allerlei zaken te kijken. Zij heeft "ja" geantwoord op twee van uw vragen. Bent u nu niet bezig om deze minister te dwingen om beslissingen te nemen, eigenlijk tegen de wet in? Het enige wat u wilt, is dat mevrouw Hirsi Ali het Nederlanderschap terugkrijgt, en dat moet u gewoon duidelijk zeggen. U dwingt een minister, die een beslissing moet nemen, die ook nog eens een rechterlijke toets moet krijgen, om tegen de wet in te handelen, want dat is wat er in de motie wordt gevraagd.”
            De heer Verhagen: “Dit is absoluut onzin. Ik dwing de minister niet tot een conclusie, maar ik dwing haar om te kijken naar bijzondere omstandigheden. Als er geen bijzondere omstandigheden zijn, houdt het op. Als ik zou doen alsof dit debat niet heeft plaatsgevonden en dus maar van de veronderstelling uitga dat er niet anders dan geconstateerd kon worden dat er sprake is van het niet verlenen van Nederlanderschap, hadden wij dit debat niet gevoerd. Het is overduidelijk gebleken, niet alleen bij de CDA-fractie, maar breed in de Kamer, dat men van mening was dat er ook binnen de kaders van de wet absoluut meer mogelijkheden waren dan er nu zijn benut.
            Wij zeggen dat men binnen de kaders van de wet moet blijven. De motie-Van Beek en de motie-Verhagen zijn allebei gericht op de kaders die in de huidige wetgeving staan, maar wij hebben als medewetgever ook te maken met de interpretatie van wetten. Wij hebben daarin ook een eigen rol en taak. Als wij deze niet zouden hebben, zou er überhaupt nooit een debat hoeven plaats te vinden, want dan zeg je ja of nee. Dan hoef je ook niet aan te geven wat je ergens van vindt of hoe je iets interpreteert. Het hele debat is daar toch over gegaan? Het is toch overduidelijk dat een meerderheid van de Kamer van mening was dat er wel degelijk meer ruimte is, gelet op de uitspraak dat er behoudens bijzondere omstandigheden een bepaald gevolg zou zijn?
            Juist omdat na de reactie van de minister onduidelijkheid bleef bestaan over de vraag of zij in die zes weken zou gaan onderzoeken of er ruimte was dan wel in die zes weken de ruimte zou benutten om te kijken naar bijzondere omstandigheden, heb ik de motie geformuleerd zoals ik haar geformuleerd heb.”
            De heer Nawijn: “U haalt een paar dingen door elkaar. Wij hebben in Nederland het principe van de trias politica. De interpretatie van de wet vindt plaats door de beslissende instantie en wordt getoetst door de rechter. U gaat de wetten nu al in de Tweede Kamer interpreteren. Dat is staatsrechtelijk absoluut onjuist. Als u zegt dat de minister de wet verkeerd interpreteert, moet u met een wetswijziging komen en moet u de rechter laten toetsen of de minister de juiste beslissing heeft genomen. Zo is ons systeem en zo zal het volgens mij ook wel blijven.”
            De heer Verhagen: “In ons systeem speelt ook de wetsgeschiedenis een rol en spelen discussies van medewetgevers een rol. Dan is het aan de rechter om daar een oordeel over uit te spreken. Net zozeer als de rechter uitspraken in het verleden heeft gedaan, kan het zijn dat hij de wet geduid heeft. Wij hebben hier als Kamer een overduidelijke uitspraak gedaan. Als beide moties aangenomen worden, is er geen onhelderheid over dat standpunt. Juist omdat het noodzakelijk is om niet alleen zorgvuldig maar ook helder te zijn, is het wel degelijk noodzakelijk dat de Kamer deze uitspraak doet.”
            De heer Nawijn: “Ik constateer dat de meerderheid van de Tweede Kamer op de stoel van de rechter gaat zitten. Dat is een heel slechte zaak. Als u iets wilt, moet u in algemeenheid de wet aanpassen. Natuurlijk heeft de wetgever invloed op de wet, maar als de wet er eenmaal is, is de interpretatie aan de beslissende instantie en aan de rechter en niet aan de Tweede Kamer.”
            De heer Verhagen: “Feitelijk is de constatering van de heer Nawijn onjuist, aangezien wij niet op de stoel van de rechter gaan zitten. Wij lopen ook niet vooruit op de eindconclusie. Wij hebben het over de procedure die gevolgd wordt.”
            De heer Rouvoet: “Voorzitter. Als niet-medeondertekenaar van de twee moties waarover het vanavond vooral is gegaan, hecht ik eraan om namens de fractie van de ChristenUnie zelf een conclusie te trekken, ook om te voorkomen dat wij dat straks in de vorm van een stemverklaring moeten doen; dat laatste lijkt mij niet praktisch.
            Ik heb mijn aantekeningen van vanmiddag erbij gehaald. Als vierde opmerking van de minister heb ik -niet met het tijdstip erbij, maar zij zei dit wel letterlijk- genoteerd: ‘De wet en de jurisprudentie van de Hoge Raad geven mij geen ruimte om tot een andere conclusie te komen. Mijn enige bevoegdheid is om de nietigheid te constateren’. Ongeveer de laatste woorden van de minister in haar tweede termijn waren, vrij vertaald: ‘Ik kan goed leven met de motie die mij wijst op de ruimte die ik volgens de wet en de jurisprudentie van de Hoge Raad heb’. Zij heeft zelfs letterlijk gezegd: ‘De ruimte die er is, zal ik ook benutten’. Mijn fractie kan deze ontwikkeling in het debat wel begrijpen vanuit het aspect van politieke overweging, maar vanuit het oogpunt van consistentie en bestuurlijke zorgvuldigheid vinden wij haar onbegrijpelijk. Inhoudelijk kunnen wij er content mee zijn, omdat ook wij willen dat dit keer wel zorgvuldigheid wordt betracht.
            (…) De zojuist door de heer Verhagen ingediende motie moet de minister definitief dwingen om kleur te bekennen en, wat mij betreft, op haar schreden terug te keren. De fractie van de ChristenUnie zal ook die motie steunen, inmiddels wel in de veronderstelling dat de minister ook deze motie zal omarmen alsof die haar eigen opvattingen verwoordt.
            Al met al vinden wij dit debat wel een vertoning. Onze constatering -let wel: geen besluit, maar constatering, want tegen een besluit zou bezwaar mogelijk zijn; de minister kan hier geen bezwaar tegen aantekenen, want dit is onze constatering- is dat de eerste termijn van de minister nietig blijkt te zijn.”

             En dan ontpopt de fractievoorzitter van de ChristenUnie zich tot een geroutineerde cabarettier als hij op parodiserende wijze als debatafsluiter wil fungeren: “Er is dus nooit sprake geweest van het standpunt dat de minister in dit soort situaties helemaal geen ruimte heeft. Deze constatering doen wij uiteraard vooralsnog. De minister heeft zes weken de tijd om de handelingen te lezen en daarop te reageren. Daarna zal de constatering definitief zijn. De fractie van de ChristenUnie geeft de minister alvast mee dat zij geen ruimte ziet om tot andere conclusies ten aanzien van de zorgvuldigheid van de procedure, de overtuigingskracht en de geloofwaardigheid van de minister te komen. Dat heeft zij eerder in het debat al aangegeven.”
           Ja, ze wil het laatste woord. En wat komt er dan?
            Minister Verdonk: “Voorzitter. In de motie staat dat de minister wordt verzocht om nader onderzoek te doen naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden om zodoende tot een zorgvuldig besluit te komen en de Kamer daarover te informeren. Ik ben bereid om die motie uit te voeren en ontraad de Kamer dus niet om die aan te nemen.”
             Zowel de eerste motie als de tweede motie worden met grote meerderheid aangenomen. Voor de eerste motie stemden de fracties van de SP, GroenLinks, de PvdA, de Groep Lazrak, D66, de Groep Wilders, de VVD, het CDA en de ChristenUnie. De overige fracties, de LPF en de SGP hebben tegen gestemd.
            Bij de tweede motie stemden de fracties van de SP, GroenLinks, de PvdA, de Groep Lazrak, D66, de Groep Wilders, de VVD, het CDA en de ChristenUnie voor deze motie. De overige fracties, de LPF en de SGP, stemden tegen.
(Naar boven)

© Copyright 2006  - J.M.J.F.Janssen - Hilversum