Verblijf op Aarde

Ik doe wat ik zeg en afspraak is afspraak
De minister van Vreemdelingenzaken en Integratie tekent zichzelf als politieke illusionist







































































































































































































































































































































































































































































































































































































































 
VVD is collectief het geheugen kwijt

 

            

            De VVD komt flink op de pijbank te liggen. Het ene na het andere Kamerlid bestookt fractievoorzitter Van Beek met vragen. Ik moet mij verbijten om geen medelijden met dat stuntelende grijze pak te krijgen. Later blijkt ook minister Zalm een fors gedeelte van het geheugen kwijt te zijn. Minister Verdonk heeft op dat gebied geen geheugen, hoewel de IND haar lege plekken van alle informatie over 2002 kan voorzien. En het lijkt er op dat iedereen die stoethaspel van een fractievoorzitter er voor op laat draaien. Van Beek pakt de draad weer op en probeert de heer Rouwvoet van antwoord te dienen.

             De heer Van Beek: “De zes weken waarin de betreffende persoon de gelegenheid krijgt om nadere informatie te verschaffen, is een periode waarin over verklaringen en bewijsstukken nadere vragen, gesprekken en eventueel het horen van mensen plaatsvinden. In dit geval, maar ook in andere gevallen, kan ik mij voorstellen dat in zo'n proces verklaringen al of niet worden goedgekeurd en dat er onderhandelingen zijn over de juiste vormgeving daarvan.”
            De heer Rouvoet: “Dat is toch raar? De minister heeft in het vorige debat gezegd: luister, dit is mijn constatering, ik kan er ook niks aan doen, ik vind het vervelend, maar dit is de constatering, zo is het nou eenmaal en mevrouw Hirsi Ali heeft zes weken de tijd om haar reactie te geven. Dan wordt er onderhandeld over haar reactie. Dat wordt een verklaring waarin zij zegt: het is heel vervelend dat ik de minister op het verkeerde been heb gezet. Daarover wordt tussen juristen onderhandeld. Mevrouw Hirsi Ali heeft gisteren de brief met de verklaring ‘politieke satire’ genoemd. Zij heeft gezegd: ik neem het in zoverre serieus dat ik mijn paspoort ermee kon krijgen. Met permissie!”
            De heer Van Beek: “Ik heb al eerder aangegeven dat ik deze uitspraken buitengewoon betreur, maar dat staat los van de procedure. Ik heb aangenomen dat als mensen zich laten vertegenwoordigen door advocaten, het niet ongebruikelijk is dat er tussen de advocaten en de juristen van het departement overleg is. Maar ik wil dat best aan het kabinet vragen, dan komen wij daar misschien beiden achter.”
            Mevrouw Van der Laan: “De heer Van Beek maakt mijns inziens terecht een onderscheid tussen het juridische gedeelte van de verklaring van mevrouw Hirsi Ali, en het excuusgedeelte, wat juridisch niet relevant is.
            Wij hebben op het achtuurjournaal kunnen zien dat mevrouw Hirsi Ali allang een verklaring had ondertekend met dat juridische gedeelte, waarin het excuusgedeelte helemaal niet voorkwam. Is de heer Van Beek het met mij eens dat het verstandiger was geweest om gewoon die verklaring te gebruiken in plaats van nog verder te gaan met een excuusgedeelte?”
            De heer Van Beek: “Ik kan die vraag niet beantwoorden, want ik weet niet wat er in die verklaring stond.”
            Mevrouw Van der Laan: “Als ik het journaal goed heb begrepen, stond er in die verklaring van mevrouw Hirsi Ali dat zij alleen maar de naam Hirsi Ali zou gebruiken en dat zij haar naam niet zou wijzigen in Magan. Dat is precies de juridische zekerheid die de minister nog moest hebben, voordat zij kon instemmen met de brief naar de Kamer. Was dat voor de VVD-fractie niet voldoende geweest? Dan had mevrouw Hirsi Ali niet nog eens de schuld voor de hele affaire op zich hoeven te nemen.”
            De heer Van Beek: “Ik heb net al aangegeven dat het in de beoordeling van die verklaring om het eerste stuk gaat, en niet om het laatste stuk. Ik heb de minister gevraagd om ons inzicht te geven hoe dat proces is gegaan en hoe de verklaring tot stand is gekomen. U vraagt mij om een waardeoordeel te geven over een verklaring die ik niet ken. Laten wij even afwachten hoe de minister in haar beantwoording hierop reageert. Ik ken die stukken niet. U ook niet, mag ik aannemen.”
            Mevrouw Van der Laan: “Mag ik een procedureel voorstel doen? Ik heb een kopie van die verklaring gekregen van het journaal. Mag ik die toevoegen aan de Handelingen? Dan kunnen wij die later gebruiken.”

             De voorzitter: “Nog even en wij hangen onze televisie aan de Handelingen! Nee, iedereen heeft dat op de televisie kunnen zien. U kunt de kopie laten ronddelen, maar wij gaan die niet toevoegen aan de Handelingen. De heer Van Beek vervolgt zijn betoog.”
            De heer Van Beek: “De VVD-fractie steunt het besluit dat is genomen naar aanleiding van de motie van de heer Van der Vlies, om alle zaken waarin sprake is van onjuiste persoonsgegevens en waarin nog geen definitief oordeel is gevormd omtrent het Nederlanderschap, voorlopig aan te houden. Uit het feitenrelaas blijkt dat de IND vanaf 2002 in de beschikbare gegevens nooit aanleiding heeft gezien dit dossier bestuurlijk aan de orde te stellen.
Dat kan iets zeggen over de inschatting van de op dat moment beschikbare informatie, maar het kan ook iets zeggen over de werkwijze van de betrokken dienst. Wat is het oordeel van de minister zelf over de handelwijze van de dienst, los van de constatering dat met de kennis van nu en achteraf bezien een andere beslissing op ambtelijk niveau wellicht wenselijk ware geweest?
             
De werkwijze van de AIVD was anders. Hierdoor kon de minister van Binnenlandse zaken wel door zijn dienst worden geïnformeerd. Daarna heeft er contact plaatsgevonden met de toenmalige partijvoorzitter van de VVD, maar dat was op basis van de afspraken die eerder waren gemaakt tussen de minister en de partijvoorzitters en dat is op zichzelf dus niet opmerkelijk. Op basis van deze contacten en na een advies van de Kiesraad is door de toenmalige top van de VVD besloten om door te gaan met de afgesproken kandidaatstellingsprocedure onder de afweging dat wellicht sprake kon zijn van een politiek risico. Dat er ook sprake kon zijn van een juridisch risico heeft men zich na het advies van de Kiesraad niet gerealiseerd. Men kon zich in 2002 en 2003 niet realiseren welke uitspraak de Hoge Raad in 2005 zou doen.”

            De heer Bos: “Ik hoor de heer Van Beek zeggen dat de VVD-top zich destijds niet heeft gerealiseerd dat sprake kon zijn van een juridisch risico na raadpleging van de Kiesraad. Ik geloof dat ik hem zo ongeveer kan citeren.”
            De heer Van Beek: “Dat is de letterlijke formulering die ik ook op 16 mei heb gebruikt.”
            De heer Bos: “Het feitenrelaas zegt natuurlijk iets anders, namelijk dat de VVD-top feitelijk geïnformeerd is geweest over de juridische risico’s, niet alleen over de politieke risico’s. Sterker nog, vandaag las ik in de krant dat de heer Zalm zijn geheugen weer terug heeft en dat, waar hij zes weken geleden nog zei dat hij nooit iets had gehoord over juridische risico’s, hij zich vandaag opeens kan herinneren dat hij er inderdaad wel een keer over geïnformeerd is. Hoe zit het nu?”
            De heer Van Beek: “Ik citeer, want ik ben daar niet bij geweest, dat er contact is geweest tussen de minister van Binnenlandse zaken en de partijvoorzitter en dat de heer Zalm, die op dat moment de leiding van de fractie had, bij die zaak betrokken is geweest. Dat heeft hij trouwens ook in diverse verklaringen, onder meer op de persconferentie, heel nadrukkelijk laten weten. De toenmalige leiding heeft een afweging gemaakt en heeft met de gegevens die men had een apart advies gevraagd en uiteindelijk een beslissing genomen.”
            De heer Bos: “De conclusie blijft -en volgens mij ontkent u die niet- dat de VVD-top, in tegenstelling tot wat wij vorige maand hoorden van minister Zalm, wel degelijk ten tijde van de kandidaatstelling van mevrouw Hirsi Ali door het ministerie niet alleen op de hoogte is gesteld van politieke risico’s, maar ook van juridische risico’s.”
            De heer Van Beek: “Nee, ik heb net juist keurig staan vertellen dat op grond van de gegevens die men toen had gekregen gewaarschuwd werd dat het een politiek risico kon zijn, maar geen juridisch risico. Dat is de reden geweest waarom men de Kiesraad heeft geraadpleegd. Ook uit die raadpleging zijn geen signalen gekomen die de toenmalige leiding hebben doen beslissen om af te zien van de kandidaatstelling.”
            De heer Bos: “Waarom herinnert de heer Zalm zich dan vandaag in de krant opeens iets, waarvan hij zes weken geleden zei dat hij het nooit had gehoord? Hij was toen toch de VVD-top?”
            De heer Van Beek: “Zeker.”
            De heer Bos: “U snapt het zelf dus ook niet meer?”
            De heer Van Beek: “Dat is flauw. Het gaat om vier, vijf jaar geleden en het lijkt mij niet zo verwonderlijk dat mensen zich niet op alle momenten alles herinneren.”
            De heer Bos: “Nee, maar het is wel verwonderlijk dat een dag nadat een brief is geschreven het geheugen opeens terugkomt.”
            De heer Van Beek: “Dat zou best kunnen op het moment dat je opnieuw wordt geconfronteerd met de gegevens. Ik heb zowel de vorige keer als deze keer heel nadrukkelijk gezegd dat er signalen waren, dat die signalen zijn doorgegeven, dat die signalen zijn beoordeeld, dat extra adviezen zijn ingewonnen en dat alles overwegende de toenmalige partijleiding heeft gezegd dat het misschien een politiek risico was, maar dat men dat nam. Het feit dat het ook eventueel een juridisch risico kon zijn, heeft men zich niet gerealiseerd.”
            De heer Bos: “Voorzitter. De heer Van Beek heeft zes weken geleden gezegd: Wij konden de juridische risico’s destijds niet bevroeden. Dat kon hij dus wel. Ik heb nu een simpele vraag.
           
Mijnheer Van Beek, uw vice-premier, minister Zalm, heeft zes weken geleden verklaard dat hij niets wist van de juridische risico’s. Dat zei hij nadat hem vragen waren gesteld als: wist u dat Ayaan had gelogen, wist u dat dat consequenties kon hebben voor haar nationaliteit, voor het behouden van haar paspoort et cetera. Nee, daar wist hij niets van. Vanavond zegt dezelfde vice-premier in de krant: ja, wij hebben het daarover toch wel met elkaar gehad; ik ben erover geïnformeerd. Mijnheer Van Beek, ik vraag u slechts: aan welke van die twee verklaringen moet ik waarde hechten?”
            De heer Van Beek: “In ieder geval aan de laatste, want die komt overeen met datgene wat ik zojuist zei en overigens ook met datgene wat ik op 16 mei zei. Wat dat betreft meen ik consistent te zijn.”
            De heer Bos: “Dan bent u consistent, maar met mij concludeert u dan dat minister Zalm zes weken geleden niet de waarheid heeft gesproken.”
            De heer Van Beek: “Nee, mijnheer Bos, ik vind dat een buitengewoon flauwe manier van debatteren. Het gaat om iets wat jaren geleden heeft plaatsgevonden. U conclusie deel ik absoluut niet.”

             Da man is helemaal in het nauw gebracht. Hij blijft de anderen hoffelijk bejegenen, is van binnen des duivels en kan een hele set serviesgoed in duigen gooien, maar blijft het flauw vinden waarop de anderen debatteren. Ik vraag mij af hoe zo iemand op de kandidatenlijst van een grote politieke partij terecht kan komen.
            De heer Nawijn: “Uit de brief van minister Verdonk blijkt dat destijds de juridische en politieke risico’s intern door de VVD niet zijn besproken. U vraagt zichzelf af hoe het mogelijk is dat de verantwoordelijke minister voor het Nederlanderschap niet op de hoogte is gesteld. Had het voor de VVD dan niet voor de hand gelegen om de juridische en politieke risico’s wel intern te bespreken? Om die risico’s ging het namelijk. Het ging niet om de vraag of mevrouw Hirsi Ali op de stemmingslijst moest worden vermeld, maar om de vraag of zij al dan niet Nederlander was.”
            De heer Van Beek: “Ik constateer dat de heer Remkes, ook toen minister van Binnenlandse Zaken, gedaan heeft wat hij volgens de gemaakte afspraken moest doen. Ik heb al gevraagd wat de IND heeft gedaan. Het lijkt mij overigens heel vreemd dat juist de minister van Binnenlandse Zaken zijn collega moet informeren. Die collega heeft daarvoor zijn eigen ambtelijke apparaat.”
            De heer Nawijn: “Als die hem dan niet informeert?”
            De heer Van Beek: “Dat had u dan fatsoenlijk moeten organiseren. Wie was daarvoor eigenlijk verantwoordelijk? Natuurlijk moeten ook conclusies worden getrokken, en dat is niet eenvoudig. Veel personen zijn bij deze zaak betrokken geweest. Steeds volgt reactie op reactie. Ik neem niets terug van mijn conclusies en van mijn kritiek van 16 mei. Daarnaast ben ik blij met de ontwikkelingen van de laatste weken. Die hebben geleid tot dit eindresultaat. De conclusie is zeker dat er geen winnaars zijn. Voorkomen moet worden dat door verdergaande discussies nog meer schade wordt veroorzaakt aan personen en reputaties.”
            De heer Rouvoet: “Voorzitter. Tijdens het aanhoren van het eerste deel van het debat, dacht ik: wie had ooit kunnen weten dat hier nog een lang durend debat tussen fractievoorzitters zou worden gevoerd over de ins and outs van het Somalische naamrecht? Ondertussen verbazen wij ons over de afstand tussen burger en politiek.
In het debat van 16 mei was de inzet van de fractie van de ChristenUnie niet om een uitzondering voor Ayaan Hirsi Ali te maken. Onze inzet was: het betrachten van zorgvuldigheid bij het volgen van procedures, ook bij de onderhavige. Het was duidelijk dat die zorgvuldigheid niet betracht was. In mijn derde termijn heb ik toen de conclusie getrokken dat de handelwijze van de minister onzorgvuldig was en dat zij in het debat volstrekt ongeloofwaardig opereerde, met name doordat zij moties omarmde die het tegenovergestelde uitspraken van datgene wat de minister urenlang had beweerd. Vervolgens heb ik geconcludeerd dat de minister maximaal zes weken de tijd had om ons alsnog te overtuigen van het zorgvuldige karakter van haar handelen.
            Ik moet toegeven dat het erop lijkt dat zij buitengewoon zorgvuldig heeft gehandeld. Wat wil je? Er zijn twee debatten gevoerd, er is een nachtelijk overleg van het kabinet geweest en er is een kabinetsbesluit genomen. Heel wat mensen zouden hun vingers aflikken als de overheid zich zo erg in hun zaak verdiepte. Ik heb in dat debat ook gezegd dat iedereen over zijn eigen geloofwaardigheid gaat. Laat ik het maar ronduit zeggen: ik zou mij wild generen om zo’n brief te sturen.
            Ik heb de brief met stijgende verbazing en ook wel verontwaardiging gelezen. De brief verdoezelt de werkelijke gang van zaken. Zo wordt tot mijn verbazing het aanvankelijke ‘onderzoek’, het onderzoekje van twee dagen, niet eens meer genoemd. Op 16 mei hield de minister nog vol dat het onderzoek onontkoombaar tot de conclusie leidde dat Hirsi Ali nooit het Nederlanderschap had verkregen. Nu suggereert de minister dat die conclusie louter is gebaseerd op de mededeling van Ayaan in Zembla zelf. Zelfs gaat de minister een stap verder: het is allemaal de schuld van Ayaan Hirsi Ali zelf. Ik vind dat schaamteloos. Voor de camera zei de minister gisteravond: ik heb volgens mij helemaal niets fout gedaan. Ik geef toe: zij keek erbij alsof zij er zelf niet helemaal van overtuigd was. Ayaan was dat in ieder geval niet. Zij zei: deze minister moet nog heel veel leren.
            Weggemoffeld in de brief is ook de gebrekkige afstemming met de minister-president. Zes weken geleden zei de minister-president nog, ook in Netwerk, dat het toch wel typisch was en zelfs dat hij het onplezierig vond dat de minister tegen de afspraken in de brief maandagavond al had verstuurd. Hij heeft haar er zelfs op die dinsdag voor op het matje geroepen. Nu schrijft de minister met zoveel woorden mede namens de minister-president dat er helemaal geen afspraken waren gemaakt. De passage in de brief ademt de sfeer: maak daar nou geen punt van. Ik zou geneigd zijn dat ook te vinden, maar het roept wel de vraag op waarom de minister-president er die week wel een punt van maakte. Ik krijg graag opheldering van hem.
            Wie zich de houding van de minister in het debat van 16 mei herinnert en met name de ommezwaai in haar tweede termijn, toen zij deemoedig zei "ik zal de motie uitvoeren", wat in een cartoon treffend werd uitgebeeld als de submission van minister Verdonk, die wrijft zich de ogen uit als hij pagina 3 van de brief leest. Ik stel vast dat zonder de door mij gevolgde procedure, zo schrijft de minister monter, de feiten die voor de conclusie die ik thans heb getrokken doorslaggevend zijn geweest niet op tafel waren gekomen. Je moet maar lef hebben! Als dit de manier is om de noodzakelijke informatie voor een beoordeling in vreemdelingenzaken en naturalisaties op tafel te krijgen, namelijk gewoon een verzoek afwijzen of een naturalisatiebesluit nietig verklaren, dan vraag ik mij ernstig af hoe dat overigens gaat in zaken onder verantwoordelijkheid van deze minister.
            In de nacht van maandag op dinsdag, zo begrijp ik uit de kranten, is een grote operatie gestart ‘red het gezicht van minister Verdonk’ met de verklaring van Ayaan Hirsi Ali als sluitstuk. Ik vind dat een blamage, zeker nadat ik heb gehoord wat Hirsi Ali er gisteravond zelf over heeft gezegd: het is een deal, een compromis, een pragmatische oplossing; mijn handtekening was nodig om alle vragen op te lossen. Zij zei zelfs, wat zij aanvoerde als het definitieve bewijs dat zij wel degelijk Nederlander is geworden: laat dan die trots maar even zitten, ik kies dan voor mijn belang, dan kan ik tenminste verder met mijn leven. Er werd gevraagd of zij boos was. Nee, ik ben niet boos, het kan mij niet meer schelen nu ik mijn paspoort heb, zo zei zij. Kortom, zij is opzij gegaan voor wat veel weg heeft van politieke chantage. Ik vind dat ontluisterend.
            Zo ontploft de strategie om het gezicht van de minister te redden in het gezicht van de minister zelf, zo is de conclusie van mijn fractie. De verklaring lijkt verdacht veel op een afgedwongen schuldbekentenis. Ik heb zelf nog even gekeken -daar ben je toch weer jurist voor- of er niet in kleine lettertjes v.c. onder stond. Dat staat voor vi coactus, wat je eronder kunt zetten als je met geweld wordt gedwongen en je naderhand je handtekening ongeldig wilt laten verklaren. Ik heb het niet gezien, dus dan moet het heel klein zijn geweest. Maar ik had wel de indruk dat er stevige druk is uitgeoefend om deze verklaring tot stand te brengen. Het had er veel van weg dat er werd gezegd: hier heb ik een paspoort voor je, dat kun je krijgen als je bij het kruisje je handtekening zet. Doet de minister dat vaker in vreemdelingenzaken onder haar verantwoordelijkheid? Hier is het in ieder geval onmiskenbaar onderdeel van het toewerken naar een afgesproken politiek vastgestelde uitkomst.

            Dit brengt mij bij het kernpunt voor mijn fractie van de zorgvuldigheid; ik begon daarmee. Goed beschouwd geeft de minister zichzelf na het voor haar desastreus verlopen debat van 16 mei nog een fikse draai om de eigen oren. De Kamer vroeg haar om gebruik te maken van de ruimte die er zou zijn in bijzondere omstandigheden. De minister zwichtte, maar zegt nu na grondige bestudering van het Somalische naamrecht dat Hirsi Ali helemaal niet gelogen heeft en dat zij dus gewoon het Nederlanderschap heeft verkregen.
            Met andere woorden, ik had het niet alleen mis met mijn stellige beweringen dat er helemaal geen ruimte is voor een minister om anders te concluderen dan ik gedaan heb, maar ik zat er ook naast toen ik maandagavond de mededeling deed dat Hirsi Ali nooit Nederlander is geworden. Ergo -het is mijn tekst maar het zou de tekst van de minister moeten zijn- die mededeling was dus overhaast. En de handelwijze van de minister dus onzorgvuldig. Als zij toen de tijd had genomen om zich te verdiepen in de Codi Civil Somalo en de naamvoering van de grootvader van Ayaan Hirsi Ali sinds plusminus, aldus de brief, 1870, hadden wij alle ellende niet gehad. En daarom is die gekke zin op pag. 3 van de brief, dat het aan de door de minister gevolgde procedure te danken is dat wij deze conclusie kunnen trekken, ook zo lachwekkend als het niet zo ernstig was.
            De fractie van de ChristenUnie vindt dat de minister zich dit soort schuivers niet kan permitteren. Op 16 mei heb ik namens mijn fractie gesteld dat de situatie waarin Ayaan Hirsi Ali was terechtgekomen de prijs was voor de harde lijn van de VVD in het vreemdelingenbeleid. Wij snappen goed dat het overheersende gevoel in de samenleving was dat de Kamer en met name de VVD zich wel erg selectief verontwaardigd betoonde nu het niet om anonieme Iraakse of Afghaanse personen of gezinnen ging, maar om een Kamerlid. Nu de minister/het kabinet in het kader van de operatie ‘Red het gezicht van de minister’ een politiek gewenste oplossing heeft geconstrueerd waarbij kleine leugentjes kennelijk niet zo zwaar wegen, moet in vergelijkbare gevallen deze prijzenswaardige soepelheid aan de dag worden gelegd. Wij hebben het dan over gevallen die eerder, tot op de komma, door de heer Van Beek uit de brief zijn voorgelezen. Daarover zal dit debat dus ook duidelijkheid moeten verschaffen. Gelijke monniken, gelijke kappen is een beginsel dat bij uitstek niet selectief of willekeurig mag worden toegepast. De minister heeft veel uit te leggen. En dan heb ik het nog maar niet eens over het verwijt van Johan Cruijff dat de minister door een ander omstreden naturalisatiebesluit in hoge mate medeschuldig is aan de vroegtijdige uitschakeling van oranje.”
             De voorzitter: “Ik heb u uw zin laten afmaken, maar u weet zelf dat het volkomen buiten de orde is.”
            De heer Rouvoet: “Ik vond het een nuttige toevoeging bij dit onderwerp, waarbij ik zeg dat de minister veel heeft uit te leggen. Ik zeg er volledigheidshalve bij dat ik het niet over die zaak heb, al was het maar om misverstanden te voorkomen. Mijn fractie handhaaft haar conclusie die zij zes weken geleden in derde termijn heeft getrokken: het optreden van de minister was onzorgvuldig, niet overtuigend en ongeloofwaardig.”

             De heer Van der Vlies: “Voorzitter. Ook de SGP-fractie heeft na het debat van 16 mei met spanning uitgezien naar de brief die toegezegd werd en ons gisteren bereikte. Wij hebben de brief gelezen en onze conclusie is dat er heel veel is uit te leggen. Eerst moesten wij aannemen dat het Nederlanderschap nooit door mevrouw Hirsi Ali verkregen was, nu moeten wij geloven dat de leugen nooit bestaan heeft. Dat er afgelopen maandag door een aanzienlijk aantal ministers tot middernacht gepraat moest worden over deze zaak roept de sfeer op van een politieke deal in plaats van, zoals het zou behoren, een beslissend feitenonderzoek. De coalitiegenoten wilden de in mei aangerichte politieke schade, nationaal en internationaal, koste wat het kost herstellen. De motie-Van Beek c.s. en de motie-Verhagen c.s. maakten een andere uitkomst van het onderzoek dat de afgelopen weken verricht is, politiek nagenoeg onmogelijk. Ondertussen is aan gewone burgers nauwelijks of niet uit te leggen dat in deze zaak echt het recht geheerst heeft. De vraag is in hoeverre dat het geval is geweest. Zowel de regering als een meerderheid van deze Kamer mag zich dat aantrekken. Het morele gezag, de geloofwaardigheid van de politiek staat op het spel.
            Ik waag mij bewust niet aan een gedetailleerde beoordeling van dit individuele dossier; daar is de Kamer niet voor. Uiteraard heb ik wel enkele prangende vragen over wat wíj te beoordelen hebben. Waarom heeft de minister niet jaren eerder de knoop doorgehakt? De kennis die zij al had in januari 2003, had haar toch alle aanleiding moeten geven om de zaak tot op de bodem uit te zoeken? Waren er soms politieke redenen, bijvoorbeeld in en rond de VVD, om de zaak toen maar te laten rusten? In de brief die wij gisteren kregen, kan de minister geen échte opheldering verschaffen over de vraag naar de familienaam. Verklaringen van familieleden staan ter beschikking, maar hoe solide is dat? Doet de minister verder nu niet ineens heel gemakkelijk over het geboortejaar, zeker als zowel een onjuist geboortejaar als een twijfelachtige naam opgegeven wordt? De plotselinge soepelheid waarmee de minister over de twijfels en vragen in deze zaak heenstapt, doet bij ons de vraag rijzen wat de consequenties dan wel zijn voor het toekennen of het ontnemen van het Nederlanderschap in de andere gevallen. Het principe van gelijke monniken, gelijke kappen moet inderdaad gelden. Ik vraag daarom om een heldere toezegging op dit punt.
            Er is veel rumoer ontstaan over de reden waarom en de wijze waarop de verklaring van mevrouw Hirsi Ali precies tot stand is gekomen. Ook ik vraag dringend om een concrete toelichting op het gebeuren, tegen het licht van de mededelingen van mevrouw Hirsi Ali, zowel voorafgaand aan de besluitvorming als daarna tot gisteravond. Het geheel overziend geeft ons dit tot nu toe helaas weinig vertrouwen.
            Het was en is overigens voor de SGP-fractie een zeer belangrijke vraag welke algemene lessen wij uit deze zaak moeten trekken. De brief van gisteren heeft mijn fractie bevestigd in het tijdens het eerdere debat door haar uitgesproken oordeel dat alles wel erg overhaast en dus niet zorgvuldig genoeg was geschied. Waarom heeft er toen al niet meer feitenonderzoek plaatsgevonden, nog voordat de openbaarheid überhaupt werd gezocht? Had alle commotie dan niet voorkomen kunnen worden? Op 16 mei hebben wij de analyse gegeven dat de minister op grond van de geldende wet- en regelgeving én de bestaande jurisprudentie niet of nauwelijks beleidsruimte heeft, maar die wel moet krijgen om een zorgvuldige en verantwoorde beslissing te kunnen nemen. De minister nam onze analyse in dat debat over en zegde toe te bezien of de wetgeving op dit punt aangepast moet worden. Daarop heb ik mijn motie ingetrokken. In de brief lees ik dat de conclusie van het onderzoek ons niet eerder dan dit najaar zal bereiken vanwege de verregaande consequenties. De SGP-fractie vindt dat laat. Gelet op andere, lopende zaken zou er spoedig duidelijkheid moeten komen, want tot op heden blijft de vraag onbeantwoord naar de precieze juridische ruimte die de minister heeft. Aan de ene kant zette de minister in het vorige debat stevig aan dat zij nauwelijks of geen beleidsruimte en vrijheid heeft, wat zij bijna als een noodlot presenteerde. Aan de andere kant bleek dat de Staat kennelijk die beleidsvrijheid ook bewust niet wilde, gelet op het in beroep gaan tegen rechtelijke uitspraken die de andere kant opgingen.
            Voorzitter. Ik sluit af. De SGP-fractie heeft weinig behoefte om één enkele zondebok aan te wijzen, aangezien er daarvan in deze affaire te veel zijn. Mevrouw Hirsi Ali is op z'n zachtst gezegd niet erg helder geweest over haar antecedenten. Minister Verdonk heeft de verantwoordelijkheid voor de manier waarop zij het aanvankelijke besluit genomen heeft en publiceerde en voor wat daarop volgde. De Kamer heeft een verantwoordelijkheid voor de manier waarop de minister onder politieke druk gedwongen is tot een ander politiek besluit. Het geheel overziend: moreel beschadigend, beschamend, een debat als dit kan alleen maar verliezers opleveren.”

             Mevrouw Van der Laan: “Voorzitter. Het is niet gebruikelijk dat de Tweede Kamer met de minister debatteert over individuele gevallen. Vandaag wijden wij echter voor de tweede keer een debat aan een individueel geval. Ayaan Hirsi Ali is in veel opzichten geen gebruikelijk geval. Zij is een Kamerlid dat plotsklaps van de minister te horen kreeg dat zij geen Nederlandse meer was. Vanwege deze mededeling heeft Ayaan haar zetel in de Tweede Kamer ogenblikkelijk opgegeven. Daarmee raakt de kwestie rechtstreeks aan de democratie of zoals NRC Handelsblad het vanavond hard maar feitelijk juist opmerkte: Een lid van de uitvoerende macht heeft een gekozen volksvertegenwoordiger met succes uitgeschakeld. Ayaan is echter ook een intellectueel opiniemaker die zonder zware beveiliging haar leven niet zeker is. Zij is een controversieel persoon die vanwege haar opvattingen en wijze van optreden grote bekendheid geniet, ver buiten onze eigen grenzen. Dat noopt tot extra zorgvuldigheid. Wij moeten echter vaststellen dat de twijfels rond haar Nederlanderschap hebben geleid tot grote reputatieschade voor ons land in de wereld. Zo schreef The Washington Post vorige maand onder de kop ‘Intolerant Nederland’ dat Ayaan Hirsi Ali vanwege haar zware inspanningen is verjaagd uit een land dat zichzelf een liberale democratie noemt. Vandaag stellen wij vast dat het allemaal niet nodig is geweest. Ayaan is en blijf immers Nederlandse.
            Het gaat D66 vanavond dan ook niet om Ayaan. Niet om de persoon, niet om de opiniemaker en zelfs niet om het bedreigde Kamerlid. Aan de orde zijn wat ons betreft een aantal kwesties die de persoon en het persoonlijk belang van Ayaan overstijgen. De vorige keer heeft D66 uitgebreid aandacht gevraagd voor de mensen in eenzelfde situatie als Ayaan Hirsi Ali. Dat is de situatie waarbij een kleine onwaarheid bij het aanvragen van een nationaliteit tot grote consequenties leidt. Wij hebben ons steeds op het standpunt gesteld dat wat voor Ayaan geldt ook voor hen moet gelden. Kortheidshalve sluit ik mij aan bij wat collega Halsema daarover gezegd en gevraagd heeft.
            Voor de helderheid richt ik mij vanavond op twee andere kwesties die ons dwars zitten. Het eerste is de zorgvuldigheid waarmee de minister heeft gehandeld in deze precaire kwestie. Daarnaast heeft mijn fractie een aantal vragen over de verklaring van Ayaan Hirsi Ali die wij gisteren van minister Verdonk toegezonden kregen.
            Wat betreft de zorgvuldigheid haal ik graag VVD-Kamerlid Van Aartsen aan die zich gisteren in NRC Handelsblad afvroeg op wat voor manier wij eigenlijk worden bestuurd. Dat is een goede vraag. De vorige keer heeft de fractie van D66 vraagtekens geplaatst bij de snelheid waarmee de minister haar besluit nam. De gehele Kamer was verbaasd dat zij niet meer tijd had genomen voor haar onderzoek. Vanwaar die haast, zei de heer Van Beek. In het debat heeft de minister keer op keer herhaald dat zij echt geen andere mogelijkheid had dan binnen 48 uur te besluiten dat Ayaan nooit Nederlandse is geweest. Dat was voor haar zonneklaar. Verder onderzoek achtte zij niet nodig voordat zij met deze voor velen binnen en buiten Nederland schokkende mededeling naar buiten is gekomen. Ook na het debat, waarin zij diep door het stof moest, heeft zij tijdens haar campagnetoer voor het lijsttrekkerschap van de VVD deze opvatting nog vele malen herhaald met de voor haar kenmerkende stelligheid.
            De minister heeft onder zware druk van bijna de gehele Kamer echter besloten om alsnog goed naar alle feiten te kijken. Afgelopen donderdag bleek daaruit dat de minister wel degelijk anders had kunnen en zelfs had moeten beslissen. Haar eerdere besluit bleek onjuist. Ayaan Hirsi Ali is en blijft gewoon Nederlandse. Hoe oordeelt de minister in deze wetenschap over haar eigen zorgvuldigheid in deze kwestie? De minister heeft met veel stelligheid het innemen van het paspoort van Ayaan Hirsi Ali verdedigd, recht tegen de analyse van een grote Kamermeerderheid in. Nu blijkt dat niet de minister, maar de Kamer gelijk had. Hoe oordeelt de minister in dat licht over haar eigen geloofwaardigheid? Wat zou de minister, terugkijkend, anders hebben gedaan? Welke les heeft zij uit deze kwestie getrokken? Deelt de minister nu wel de mening van de D66-fractie dat zij beter eerst onderzoek had kunnen doen voordat zij met haar voorlopige beslissing naar buiten was gekomen? Immers, om de onjuistheid van de redenering van de minister aan te tonen, hadden de advocaten van mevrouw Hirsi Ali veel minder tijd nodig dan de zes weken die de minister ter beschikking stonden om de zaak eens goed uit te zoeken.
            De fractie van D66 heeft kennisgenomen van de verklaring die minister Verdonk naar ons heeft gestuurd waarin Ayaan Hirsi Ali alle schuld op zich neemt en minister Verdonk volledig vrijpleit van welke verantwoordelijkheid dan ook."
            De heer De Wit: “Voorzitter. Mevrouw Van der Laan stelt aan de minister de vraag hoe deze haar eigen zorgvuldigheid en geloofwaardigheid beoordeelt. Maar hoe beoordeelt zij die zelf?”
            Mevrouw Van der Laan: “Zoals u weet, hebben wij in het debat van 16 mei al gezegd dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld. Wat dat betreft, is er niets veranderd.”
            De heer De Wit: “Waarom stelt u dan nu nog deze vraag aan de minister? Is er voor u nog iets onduidelijk, of denkt u dat het antwoord van de minister u wellicht tot een andere conclusie zal brengen? Is uw standpunt nog niet duidelijk?”
            Mevrouw Van der Laan: “Dat is ons duidelijk, maar wij vragen ons af of de minister hiervan heeft geleerd en hoe zij nu zelf de situatie inschat. Dat is natuurlijk belangrijk. Wij hebben toen een urenlang debat gevoerd, waarin de minister constant zei dat ze niet anders kon, dat ze deze beslissing moest nemen. Nu blijkt dat dit helemaal niet zo was. Ik vraag mij af of zij hier wat van heeft opgestoken.
            Terug naar de verklaring van mevrouw Hirsi Ali. Om te beginnen, in beginsel vind ik de inhoud van deze brief oninteressant; het parlement controleert immers niet mevrouw Hirsi Ali, maar de Nederlandse regering. Voor ons is dus niet de vraag hoe een probleem op een gegeven moment is ontstaan, maar wel of de regering alles in het werk heeft gesteld om de schade zo beperkt mogelijk te houden. Aangezien mevrouw Hirsi Ali geen Kamerlid meer is, is haar opvatting over het handelen van minister Verdonk in dezen dan ook niet staatsrechtelijk relevant. Wel interessant is de vraag waarom de minister het nodig vond om deze excuusbrief door mevrouw Hirsi Ali op te laten stellen en op te sturen naar de Tweede Kamer. Immers, de brief heeft voorzover ik kan zien geen enkele, maar dan ook geen enkele, juridische betekenis. Ik vraag de minister om dat te bevestigen.
Het lijkt daarom dat de brief is geschreven met politieke motieven. Daarmee wordt deze brief voor dit debat wel relevant. De fractie van D66 heeft kennisgenomen van de uitspraken van mevrouw Hirsi Ali en haar advocaten, dat de brief niet door mevrouw Hirsi Ali zelf is geschreven en ook niet op haar initiatief tot stand is gekomen. Kan de minister ontkennen of bevestigen dat de brief is geschreven op initiatief van de minister, dan wel van haar ministerie?
            Daarnaast verklaarden mevrouw Hirsi Ali en haar advocaten dat er vanuit het ministerie van minister Verdonk een verband is gelegd tussen het ondertekenen van de verklaring door mevrouw Hirsi Ali en een snelle afhandeling van de kwestie; een kwestie waarbij mevrouw Hirsi Ali een groot persoonlijk belang had en waarin zij afhankelijk was van de beslissing van de minister. Ik stel vast dat minister Verdonk, hiermee geconfronteerd op televisie, het leggen van deze link gisteren op generlei wijze heeft ontkend. Als de minister het leggen van deze link hier in de Kamer niet wil ontkennen, dan vraag ik de premier of hij dit als een normale gang van zaken in een rechtstaat beschouwt. Ik doe een dringend beroep op de minister en de minister-president om in de meest ondubbelzinnige bewoordingen alle twijfel weg te nemen dat in de richting van Ayaan Hirsi Ali enig verband is gelegd tussen de snelheid van afhandelen van de vragen rond haar Nederlanderschap en de ondertekening van de politieke verklaring."

             De voorzitter: “Wij zijn aan het eind gekomen van de eerste termijn. Ik stel voor, de vergadering voor een kwartier te schorsen, waarna de minister-president en de minister het woord zal worden gegeven.”
            Mevrouw Halsema: “Voorzitter, een verzoek van orde. Vanzelfsprekend gaat de regering over de volgorde van haar sprekers, maar in het licht van de kwestie van de afgelopen zes weken verzoek ik de regering of minister Verdonk als eerste zou kunnen spreken, omdat zij eerstverantwoordelijke is. Ik zou dat op prijs stellen.”
             De voorzitter: Ik geef dit verzoek mee aan de bewindslieden. We zullen om elf uur horen in welke volgorde zij antwoorden; het kabinet bepaalt dat immers zelf.

 De vergadering wordt van 22.42 uur tot 23.10 uur geschorst.
(Naar boven)

© Copyright 2006  - J.M.J.F.Janssen - Hilversum