|
|
Het gesproken
woord treft weinig oren
Al gauw is er een lijn te herkennen in de bijdragen van de
meeste sprekers. Zo zijn er grofweg een zestal elementen die in het
mammoetdebat steeds weer op nadrukkelijke wijze naar voren komen en die
uitmonden in vele vragen aan de minister.
Het eerste wat genoemd mag worden is de snelheid waarmee
minister Verdonk na de Zembla-uitzending tot een oordeel is gekomen.
Het tweede punt, waar bij de meeste fracties veel over te doen
is, is de langdurig geachte aanwezige kennis bij de VVD, de IND en de
minister over de onwaarheden die door Ayaan Hirsi Ali over naam en
geboortejaar bij haar asielaanvraag zijn gebruikt.
Een derde punt waar met name juristen bestuurskundigen op in
springen is het arrest van de Hoge Raad van 11 november 2005 dat de minister
op aanhoudende wijze gebruikt om haar standpunt toe te lichten en dat
volgens deze parlementariërs tot een andere zienswijze noopt.
Het vierde speerpunt waar de woordvoerders hun pijlen op richten
is Verdonks adagium: gelijke monniken, gelijke kappen. Velen betwijfelen of
dit wel het geval is en bovendien is gelijke monniken, gelijke kappen
voor menig parlementariër een reden om ook alle vergelijkbare zaken als dat
van Ayaan Hirsi Ali, hierbij te betrekken en op dezelfde wijze te behandelen
als Ayaan Hirsi Ali ten deel zal vallen.
Een vijfde element dat in de discussie een belangrijke rol
speelde is de wel of niet vermeende statenloosheid van Ayaan Hirsi Ali bij
het ontnemen van haar Nederlanderschap, aangezien niet duidelijk is of het
Somalisch recht haar erkent met een Somalische nationaliteit.
Ten slotte is er nog het element van de partijpolitiek. Hoewel
minister Rita Verdonk in alle toonaarden ontkent dat haar race naar het
lijsttrekkerschap iets met haar opstelling in deze zaak te maken heeft,
kunnen een aantal sprekers, en niet de minsten onder hen, daar niet om heen.
Over de
snelheid die minister Verdonk tentoon heeft gespreid.
Opvallend en curieus is de snelheid van handelen die minister
Verdonk in deze zaak betracht heeft. Van links tot rechts in de Kamer wordt
zij daarover geattaqueerd. De uitleg hierover is zo onbevredigend dat
Kamerleden meerder keren hierop bij haar terug moeten komen. Halsema:
"Volgens mij heeft de minister in de afgelopen drie jaar Kamervragen nog
nooit zo snel beantwoord. In krap een paar dagen tijd heeft de minister
besloten dat haar politieke bondgenoot geen Nederlander meer is. Dat heeft
weinig te maken met zorgvuldigheid. Waarom zo snel? Waarom geen grondig
onderzoek?"
Maar ook de bijdrage van CDA-fractieleider Maxime Verhagen op
het punt van de snelheid van Verdonk laat aan duidelijkheid niets te wensen
over:
“Waarom is de uitspraak van de minister zo snel gedaan? Zij
heeft zes weken de tijd om de vragen van collega Nawijn te beantwoorden. Zij
heeft weken de tijd om alles zorgvuldig uit te zoeken. Haar abrupte besluit
heeft ons verbaasd, te meer daar niet alle vragen zijn beantwoord. Wij
vinden de manier van optreden van de minister kortom niet zorgvuldig. Wat
ons betreft is de kous niet af met de beantwoording van de vragen. Wij
moeten geen karikatuur van daadkracht willen maken. Bij daadkracht hoort ook
zorgvuldigheid. Daarom willen wij nu nadere opheldering. Wij vinden het
vreemd dat de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie afgelopen
vrijdag nog geen enkele aanleiding zag voor een nader onderzoek. Sterker
nog, de minister gaf aan dat Hirsi Ali niets te vrezen had. Vervolgens wordt
in het weekeinde alsnog een nader onderzoek ingesteld. In het kader van dit
onderzoek krijgt Ayaan Hirsi Ali op maandag, hooguit 48 uur na het starten
van het onderzoek, te horen dat vooralsnog moet worden aangenomen dat zij
het Nederlanderschap niet heeft verkregen. Hoe kan een dergelijk onderzoek
binnen 48 uur zijn afgerond?”
Ook de VVD vindt het vreemd dat de minister afgelopen vrijdag
nog geen enkele aanleiding zag voor een nader onderzoek.
“Sterker nog, de minister gaf aan dat Hirsi Ali niets te vrezen
had. Vervolgens wordt in het weekeinde alsnog een nader onderzoek ingesteld.
In het kader van dit onderzoek krijgt Ayaan Hirsi Ali op maandag, hooguit 48
uur na het starten van het onderzoek, te horen dat vooralsnog moet worden
aangenomen dat zij het Nederlanderschap niet heeft verkregen. Hoe kan een
dergelijk onderzoek binnen 48 uur zijn afgerond?”, aldus Van Beek aan
minister.
D66-woordvoerder mevrouw Van der Laan schaart zich bij de
vragenstellers over de ongekende snelle handelwijze van de minister:
“Hoe kan een minister die zich afficheert als duidelijk, recht door zee en
consequent, eerst Ayaan de verzekering geven dat zij niets te vrezen heeft,
en haar vervolgens 48 uur later laten weten dat zij geen Nederlander meer
is? Waarom heeft de minister drie jaar niets gedaan met de beschikbare
informatie om vervolgens binnen 48 uur een zeer vergaande uitspraak te
doen?”
De heer Bas van der Vlies van de Staatkundig Gereformeerde
Partij is sinds 10 juni 1981 lid van de Tweede Kamer. Hij is niet alleen het
langst zittend Kamerlid, maar ook een parlementslid die ontzag oproept als
hij het spreekgestoelte nadert. Als hij het over staats- en bestuursrecht
heeft, kun je beter eerst even ademhalen alvorens hem tegen te spreken. Niet
dat hij zijn bestuursrechtelijke kennis van de universiteit heeft gehaald
–hij heeft weg- en waterbouwkunde gestudeerd- maar hij mag als autodidact
beschouwd worden. In zijn parlementaire ‘onderhoud’ met ministers wordt de
docent in hem zichtbaar. Hij was immers twaalf jaar wiskunde docent aan een
VWO / HAVO instelling te Utrecht en plaatsvervangend rector aan eveneens een
VWO / HAVO onderwijsinstelling. Hij is gevoelig voor een overheid die
procedurefouten maakt en niet alle zorgvuldigheid betracht. Ook hij hekelt
op zijn manier de snelheid die Verdonk betoond heeft.
De heer Bas van der Vlies: “Wat heeft de minister er precies toe
gebracht om haar aanvankelijke signaal dat mevrouw Hirsi Ali niets te vrezen
zou hebben naar aanleiding van de uitzending van Zembla om te buigen tot het
instellen van een nader onderzoek naar de rechtsgeldigheid van de
naturalisatie om vervolgens een luttele dag later een brief aan betrokkene
te zenden met de mededeling dat vooralsnog moet worden aangenomen dat zij
geacht wordt het Nederlanderschap niet te hebben verkregen? Dat nader
onderzoek zou toch kunnen zijn afgewacht? Waarom deze haastige opvolging van
dingen? Waarom deze timing?
Die vraag richt zich trouwens ook op de VVD-fractie. Ik wijs op
de antwoorden aan het adres van collega Nawijn. Veel feiten waren allang
bekend. Hoe zit het met de rechtsverwerking nadat bijvoorbeeld in het jaar
2002 een en ander door betrokkene publiek uit de doeken is gedaan?”
Uit de navolgende passage blijkt overduidelijk uit welk hout Van
der Vlies gesneden is.
“Wat de SGP-fractie betreft geldt altijd dat het resultaat van
politiek-bestuurlijke besluitvorming rechtmatig moet zijn. Dat is een eis
van de rechtsstaat. Een besluit moet ook billijk zijn, waarbij wordt bezien
of, gewogen alle omstandigheden, het resultaat recht doet aan de menselijke
maat.
Dat geldt altijd en zeker ook nu! Een prudent evenwicht tussen
wat recht en billijk is, voor ons norm van christelijke wijsheid. De vraag
naar dat evenwicht kan een hele worsteling betekenen, wij erkennen dat. De
onstuimige verwikkelingen van de laatste uren geven echter weinig rust om
dat evenwicht te vinden.”
Ook de SP-fractie is verbijsterd, niet alleen over de inhoud van
de mededeling die de minister heeft gedaan in de beantwoording van de
Kamervragen, maar ook over de snelheid waarmee zij een en ander naar buiten
heeft gebracht. De SP is verbijsterd omdat het een beslissing van de
minister betreft die buitengewoon ingrijpende gevolgen heeft.
Over de
kennis omtrent de bekend zijnde persoonsgegevens
Veel woordvoerders hebben in hun bijdrage gewezen op de
omstandigheid dat de feiten rondom Ayaan Hirsi Ali bij haar toetreding tot
de VVD en de Tweede Kamer al jaren bekend waren.
De eerste regeringspartij die hier ongezouten op in gaat is de
VVD. Van Beek komt met een verhaal waar een oppositiepartij zich niet voor
behoefde te schamen en pakt de draad op bij de Zembla documentaire.
De heer Van Beek: “Zembla maakte ook geen uitzending over een
willekeurig gekozen persoon, maar over een politica. Er zat helemaal niets
nieuws in die uitzending, alles wat daarin werd verteld, is al eerder
verteld, door Ayaan zelf. In publicaties, in interviews en andere openbare
uitingen heeft zij nooit geheimzinnig gedaan over de feiten en de gang van
zaken. Ik denk onder meer aan het boek dat zij in 2002 uitbracht. Welke
nieuwe feiten zijn er naar de mening van de minister naar voren gekomen die
aanleiding geven tot dit onderzoek? Waarom is nu wel besloten tot een
onderzoek door de IND en niet bijvoorbeeld jaren geleden? Uit de stukken die
wij hebben gekregen begrijpen wij niets van die timing!”
Daar moet zijn minister van Vreemdelingenzaken en Integratie
toch niet gelukkig mee zijn. Maar dat ijskonijn laat niets merken en zet
zich straks stoïcijns aan de beantwoording.
Een aantal Kamerleden zoals Nawijn (éénmansfractie Groep Nawijn)
en Van As van de Lijst Pim Fortuin (LPF) stellen de VVD als partij
aansprakelijk voor de gevolgen van het plaatsen van haar naam op de
kieslijst voor de verkiezingen van de Tweede Kamer in 2003.
De heer Nawijn van de éénmansfractie Groep Nawijn, die zich
heeft afgesplitst van de LPF, was ten tijde van de plaatsing op de kieslijst
van Ayaan Hirsi Ali de rechtsvoorganger van . Als geen ander moest hij als
verantwoordelijke minister het dossier Ayaan Hirsi Ali kennen.
Hij ruikt nu zijn kans en beent naar het spreekgestoelte en
richt zich tot Van Beek: “U zegt dat alles rond mevrouw Hirsi Ali bekend
was, dat al die leugens al bekend waren. Wat heeft de VVD gedaan toen
mevrouw Hirsi Ali op de kandidatenlijst kwam? Was dat toen geen aanleiding
om eerst de zaak eens te checken? U zegt nu wel dat mevrouw Verdonk dingen
doet en dat mevrouw Hirsi Ali te goeder trouw is, maar wat heeft de VVD zelf
gedaan? Mevrouw Hirsi Ali is op de kandidatenlijst gezet. Iedereen wordt
onderzocht, elke kandidaat bij elke partij. Waarom heeft de VVD dat niet
gedaan? Dat had zij op dat moment kunnen doen. Dat was zorgvuldig geweest.
Kunt u uitleggen hoe dat is gegaan binnen de VVD?”
Het lukt Van Beek niet Nawijn en anderen uit te leggen hoe dat
toen bij de verkiezing precies gegaan was en onder wiens
verantwoordelijkheid. Nawijn neemt er geen genoegen mee en komt terug bij
Van Beek:
“De heer Van Beek zegt dat het allemaal al bekend was en dat
mevrouw Hirsi Ali overal had gezegd dat zij gelogen had. Als een asielzoeker
of iemand die genaturaliseerd is, later zegt dat hij heeft gelogen, vindt u
dan dat daar niets aan hoeft te worden gedaan? Vindt u dat terecht? Ik heb
uw fractielid de heer Visser regelmatig horen zeggen dat op misbruik van de
asielprocedure en van de naturalisatieprocedure een sanctie moet staan. Nu
komt u daar helemaal op terug, terwijl minister Verdonk gewoon heeft gedaan
wat zij moest doen. Zij heeft duidelijk de regels toegepast. Zo hoort dat
ook.”
Kampioen kabinetsondersteuner Van As spaart de VVD ook niet.
Maar let op waarmee deze volksvertegenwoordiger zijn bijdrage opent. Van As:
“Voor onze fractie is in dit debat alleen de vraag cruciaal of
het niet een beetje Russische roulette is geweest dat de VVD-top, dus het
VVD-bestuur en wellicht de top van de fractie, in 2002 toch wel een groot
risico heeft gelopen door mevrouw Hirsi Ali op de kandidatenlijst te
plaatsen. Ik realiseer mij dat de heer Van Beek kan zeggen dat hij er zelf
niet bij is geweest, dus dat zij hem vergeven, want het is altijd moeilijk
om iets in absolute zin te beantwoorden als je er niet bij bent geweest. In
2002 heeft zij in het programma van Barend & van Dorp, maar ook in haar boek
en in andere dingen gezegd dat zij had gelogen. Het waren dus gewoon
leugentjes. Of dat al dan niet om bestwil is, doet er niet toe. Men wist
heel goed waar men aan begon. Hebt u zich dat wel goed gerealiseerd? De
VVD-top heeft in mijn ogen flink Russisch roulette gespeeld.”
Hier manifesteert zich de huis-tuin-en-keuken-parlementariër als
hij zegt:
“... maar ook in haar boek en in andere dingen gezegd dat
zij had gelogen”. Nog los van het feit dat je in andere dingen niet iets kan
zeggen, illustreert deze bijdrage de oppervlakkigheid van zijn verhaal.
Hij vindt dit verhaal zelf heel erg belangrijk, want als
fractieleider Van Beek hem naar zijn mening in onvoldoende mate tegemoet
komt in zijn reactie, komt Van As met de volgende interruptie:
“Het gekke is dat Ayaan zelf al diverse malen het een en ander
heeft meegedeeld over haar leugentjes, zowel in de media als in haar boek,
maar ook in de politiek in de richting van de VVD bij haar kandidaatstelling
voor de Tweede Kamer. Wij vragen ons in alle gemoede af hoe zoiets heeft
kunnen gebeuren. Iedereen, iedereen van de VVD-top stond erbij en keek
ernaar. Had die VVD-top nu niet een ambitieuze Ayaan tegen zichzelf in
bescherming moeten nemen? Je kon toch wel op je vingers natellen dat het zo
zou kunnen aflopen? Die kans was toch zeer groot? Daarom sprak ik ook over
Russische roulette met, zoals wij nu hebben gezien, desastreuze gevolgen
voor haar persoon. Waarom is toen geen actie ondernomen? Dat geldt niet
alleen voor de VVD-top maar ook voor de zittende bewindslieden, want deze
zaak speelde al in 2002, zelfs in het programma Barend en Van Dorp en is ook
uitvoerig in de media geweest.”
Hier is de vleesgeworden populist aan het woord die aan grote
zelfoverschatting lijdt en de Nederlandse taal een noodzakelijk kwaad vindt.
Hij denkt dat een televisieprogramma als Barend en Van Dorp geen deel van de
media uitmaakt. Welke actie zouden zittende VVD-bewindslieden tegen
verkiezing van Ayaan Hirsi Ali tot Tweede Kamerlid moeten hebben ondernomen.
Hebben die stemmen van zittende VVD-bewindslieden meer gewicht dan de meer
dan 30.000 voorkeurstemmen op Ayaan Hirsi Ali? Van As is duidelijk niet
geschoold in het herkennen van officiële bevoegdheden.
In een tweegesprek tussen D66-er Van der Laan en VVD-er Van Beek
blijkt plotseling een discrepantie in de bijdrage van de VVD-fractie,
hetgeen niemand of weinigen is opgevallen. Van der Laan confronteert Van
Beek met de opvatting die Ayaan Hirsi Ali vandaag over haar persoonsgegevens
gegeven zou hebben en die de VVD in moeilijkheden brengt.
Mevrouw Van der Laan: “Ayaan heeft vandaag gezegd dat enkel en
alleen het feit dat iemand een verkeerde geboortedatum en een verkeerde naam
heeft opgegeven niet voldoende aanleiding vormt voor het ongedaan maken van
zijn of haar naturalisatie. Is dat ook het standpunt van de VVD-fractie?”
De heer Van Beek: “Nee, dat is niet het standpunt van de
VVD-fractie. Zij heeft graag naturalisatieprocessen waarin in ieder geval de
naam, de geboortedatum en andere gegevens die voor naturalisatie nodig zijn,
kloppen. Dat is het punt niet. Ayaan geeft toe dat dit proces niet goed
verlopen is en dat er fouten zijn gemaakt. Zij noemt het zelf ook niet voor
niets leugens. Daarover kan geen enkel misverstand bestaan.”
De eerste zin is cruciaal. ‘Nee, dat is niet het standpunt
van de VVD-fractie’. De rest is verwaarloosbare toevoeging. Met andere
woorden in het geval van Ayaan Hirsi Ali dient de naturalisatie ongedaan te
worden gemaakt. Dat is echter geheel in strijd met wat Van Beek eerder die
avond en ook later nog zal beweren. Met name in zijn opening liet hij
blijken met de hele fractie om hun Ayaan Hirsi Ali heen te staan. Dat doe je
niet als ze geen Nederlander mag zijn en om die reden weg moet. Jammer dat
Van der Laan daar niet op is door gegaan. Hier had ze een punt.
Over de
consequenties van het arrest van de Hoge Raad
Het arrest van de Hoge Raad waar minister Verdonk zich op
beroept vormt is voor nagenoeg elke spreker aanleiding daar vragen over te
stellen. Bijna iedereen wil weten of Verdonk wel in voldoende mate zich
gerealiseerd heeft dat er ruimte is voor een ministeriele afweging, de
zogenaamde discretionaire bevoegdheid.
Mevrouw Halsema hierover: “In het arrest staat echter ook dat er
bijzondere omstandigheden kunnen zijn die tot een andere beslissing leiden.
De Hoge Raad schrijft dus niet dwingend voor dat de minister in alle
gevallen het Nederlanderschap ontneemt. Wat dat betreft behoudt zij haar
persoonlijke discretionaire bevoegdheid. Voor de wet geldt dat gelijke
gevallen gelijk worden behandeld en dat ongelijke gevallen ongelijk worden
behandeld. Naar mijn idee is er geen sprake van dat regels nu eenmaal regels
zijn. Ik heb de indruk dat er sprake is van een minister die met haar volle
verstand een hardvochtige beslissing neemt waartoe niemand, evenmin de Hoge
Raad, haar dwingt. Waarom doet zij dat?”
Kortom zij wil dat de minister haar analyse deelt dat de Hoge
Raad absoluut niet dwingend voorschrijft dat in alle gevallen het
Nederlanderschap dient te worden afgenomen? De minister zou volgens Halsema
niet voor het eerst verkeerde juridische stappen zetten en die vervolgens
betreuren. “Ik neem aan dat zij vanmiddag ook heeft gezien welke dramatische
gevolgen haar bij nacht en ontij genomen beslissing heeft gehad”, aldus
Halsema.
Ook haar eigen fractie spaart de minister niet. De gekozen
bewoordingen zijn natuurlijk anders dan die van de oppositiepartij. Hij
slaagt er in de langste rij vragen aan de minister te stellen. Uit de
waslijst van Van Beek de volgende selectie:
”In de uitspraak van de Hoge Raad waarop de minister zich
grotendeels baseert, wordt onder 3.3 gesteld dat er omstandigheden kunnen
bestaan waaronder een naturalisatiebesluit met fictieve persoonsgegevens wel
identificeert waarom het Nederlanderschap kan zijn verkregen. Is nagegaan of
in casu deze bijzondere omstandigheden ten tijde van het naturalisatieproces
bestonden? In de conclusies van de procureur-generaal, onder 12, staat dat
er gevallen kunnen zijn waarin "de opgegeven naam een naam is waaronder de
naturalisandus (ook) bekend staat en door hem - -volgens het toepasselijke
recht -- bevoegdelijk is gevoerd". Is onderzocht of Ayaan ten tijde van de
naturalisatieprocedure de naam Hirsi Ali feitelijk voerde? Is onderzocht of
zij volgens het Somalisch recht bevoegd was om die naam te voeren? Hoe
verhoudt de aanzegging van de minister zich tot de verdragsrechtelijke regel
dat staten hun onderdanen niet stateloos mogen maken?”
De oplettende TV-kijker heeft ongetwijfeld gezien dat minister
Verdonk voortdurend aantekeningen maakt. Zelfs op momenten dat ze dat niet
hoeft te doen, doet ze het toch. Het vermoeden rijst dan dat ze die
aantekeningen in de beantwoording zal gebruiken. Dat is niet het geval. Met
name die laatste vraag van Van Beek lijkt toch staatsrechtelijk van meer dan
enige betekenis en ook voor betrokkene. Verdonk gaat er ondanks al haar
geschrijf niet op in hetgeen weer tot een herhaling van eerder gestelde
vragen lijdt.
De ontstane onduidelijkheid rond haar Nederlanderschap vloeit
voort uit een uitspraak van de Hoge Raad, waardoor iemand die bij
naturalisatie een onjuiste naam opgeeft, nooit Nederlander is geworden.
Mevrouw Van der Laan hierover: “Er schijnt echter een
mogelijkheid te zijn om af te wijken van deze regel, bijvoorbeeld als de
naam in de praktijk gevoerd wordt en het dus duidelijk is om wie het gaat.
Het lijkt mij dat het in dit geval zeer duidelijk is om wie het gaat. Waarom
heeft de minister van die afwijkingsmogelijkheid geen gebruikgemaakt?”
De heer Wouter Bos vraagt zich af of in materiële zin wel sprake
is van identiteitsfraude en of niet de facto aangenomen had kunnen worden
dat men wist met wie men te doen had, ook omdat de namen ‘Iris’ en
‘Mali’ beide in de familie van Ayaan voorkomen.
Zoals inmiddels gebleken is, schijnt het gebruik van onjuiste
persoonsgegevens een naturalisatie van haar rechtsgevolgen te ontdoen.
Iemand verkrijgt dan niet het Nederlanderschap. De Hoge Raad heeft dat
uitgesproken.
SP-er Jan De Wit hierover: “De minister doelt hierop in haar
brief aan de Kamer. Dit betekent dat mevrouw Hirsi Ali nooit de Nederlandse
nationaliteit heeft verkregen. Juridisch
gezien mag dat een heldere
constatering zijn, maar de consequenties ervan zijn nog nauwelijks in te
schatten. Dat geldt zowel voor mevrouw Hirsi Ali persoonlijk als op
staatsrechtelijk terrein gezien haar Kamerlidmaatschap.”
Vervolgens formuleert hij een aantal vragen aan de minister:
“Kan de minister aangeven wat op dit moment de status van mevrouw Hirsi Ali
is? Heeft zij onherroepelijk haar Nederlanderschap verloren? Wordt het
verlies van het Nederlanderschap opgeschort wanneer zij in beroep gaat of
bezwaar maakt en dat binnen zes weken aan de minister laat weten? Wat is op
dit moment haar status ten aanzien van het Nederlanderschap? Het is ook van
belang wat de eventuele status ten aanzien van haar vluchtelingenstatus is.”
Kamerlid De
Wit is sinds 19 mei 1998 lid van het parlement en mag dus wel meepraten. Hij
studeerde publiekrecht aan de Katholieke Economische Hogeschool te Tilburg
en vestigde zich als advocaat te Eindhoven en Heerlen. Hem moet je dus niets
wijs maken over bestuursrecht, want dan staat hij als een advocaat bij de microfoon. Mag het?
Over het
rechtsbeginsel Gelijke monniken, gelijke kappen
Tal van sprekers hebben het beginsel van gelijke monniken,
gelijke kappen aangehaald; iedereen is gelijk voor de wet.
Degene die dit het meest treffendst onder woorden bracht was
mevrouw Lousewies van der Laan, fractievoorzitter van D66. Naast in te gaan
op juridische en staatsrechtelijke aspecten, maakte Van der Laan haar inzet
van dit debat helder:
“Als
het aan D66 ligt, krijgt Ayaan nog voor het eind van deze week een
gloednieuw Nederlands paspoort thuis bezorgd, met de complimenten van de
Nederlandse regering.”
D66 wil dat
Ayaan Hirsi Ali haar paspoort behoudt en als ze het al kwijt is geraakt dat
ze dan vóór aanstaande zaterdag een nieuw krijgt.
Van der
Laan schaamt zich als vele anderen: “Ik vind het onbegrijpelijk dat
Nederland er niet in slaagt om een bedreigde en vervolgde vrouw en
volksvertegenwoordiger een veilig huis te bieden. Ik vind het onbestaanbaar
dat Ayaan op deze manier ons land moet verlaten. Ik schaam mij diep dat veel
Nederlanders het kennelijk allemaal wel prima vinden. Zij staan voor een
kleinzielig, krampachtig Neder land. Wie zich blind wil staren op regels,
maar niet in staat is de menselijke maat te houden, wie alleen maar bang is
voor alles wat van buiten komt, is bij D66 aan het verkeerde adres.”
Als Ayaan Hirsi Ali op gelijke wijze behandeld zou moeten worden
als alle andere die nu door menigeen naar voren worden gehaald, meent D66
gegronde redenen te hebben aan te tonen dat het hier niet om vergelijkbare
gevallen gaat, waarbij gelijke monniken, gelijke kappen van
toepassing is.
Mevrouw van der Laan: “Gelijke monniken, gelijke kappen? Regels
zijn regels? Neen, zo eenvoudig mag niemand naar deze kwestie kijken.
Natuurlijk, er zijn meer mensen, onbekenden vaak, die met gelijksoortige
problemen te maken hebben als het gaat om hun naturalisatie. Hoezeer onze
sympathie ook bij die minder de aandacht vragende menselijke drama's ligt,
niet elke monnik draagt de kap van bespotting, beschimping en vervloeking,
de kap van vrees voor het eigen leven, die Ayaan dagelijks draagt. Het is
van groot belang dat bestuurders de regels toepassen, maar het is van nog
veel groter belang dat de toepassing van de wet altijd is onderworpen aan
regels van barmhartigheid, menselijkheid en redelijkheid. Iedereen is
gelijkwaardig, maar niet alle gevallen zijn gelijk. De minister doet er goed
aan om de macht waarover zij beschikt altijd uit te oefenen met de wijsheid
die daar onlosmakelijk bij hoort.”
Van der Laan spitst nu haar verhaal toe op de uitzonderlijke
situatie waarbij niet van gelijke monniken, gelijke kappen kan worden
gesproken.
Mevrouw van der Laan: “Er
zijn allerlei uitzonderlijke situaties, maar de situatie die wij vandaag
bespreken -volgens mij is dat ook het onderwerp van dit debat- is veel
uitzonderlijker dan al die speciale menselijke drama's waar wij vaker over
spreken. Wij hebben hier namelijk te maken met een volksvertegenwoordiger,
met iemand die bedreigd wordt, iemand die met zes bewakers moet rondlopen en
die nu uit haar huis wordt gezet en voor wie geen plek is om veilig te
wonen. Dat is een exceptionele situatie. Ik vind dan ook dat wij dit als een
exceptionele situatie moeten behandelen.”
Dit lokt bij vertegenwoordigers van de oppositiepartijen
interrupties uit. Te vaak hebben zij meegemaakt dat het asielbeleid van te
gemakkelijk door D66 werd gesanctioneerd.
De eerste is
Femke Halsema, waarna De WIt het overneemt: “Ik moet zeggen dat ik al die
andere situaties niet ken -misschien kent u die wel- maar het is wel een
antwoord op mijn vraag. Dit is een exceptionele situatie waarvoor andere
politieke maatregelen moeten worden getroffen.”
Mevrouw van der Laan: “Hoe graag ik nu ook een debat zou aangaan
over het Nederlandse asielbeleid, daar staan wij hier nu niet voor. Als
mevrouw Halsema mijn fractie verwijt dat zij niet allerlei kansen aanpakt om
ervoor te zorgen dat het asielbeleid humaan is, dan werp ik dat verre van
mij.
De heer De Wit: “U hebt het over exceptionele gevallen.
Betekent dit dat u in andere exceptionele gevallen hetzelfde standpunt
inneemt?”
Mevrouw van der Laan: “Zoals de heer De Wit weet, bespreken wij hier niet zo
veel individuele gevallen. Ik kan mij momenteel in ieder geval geen ander
voorbeeld voorstellen van een Kamerlid dat geen veilige plek heeft om te
leven, en dergelijke. Als zich dat evenwel voordoet, dan zullen wij daar
waarschijnlijk op dezelfde manier over discussiëren. Ik hoop dat wij dan tot
dezelfde conclusie komen.”
De heer De Wit: “Het Kamerlidmaatschap vormt voor u dus de
uitzondering op grond waarvan een aparte beslissing genomen kan worden, die
afwijkt van de beslissing die ten aanzien van ieder ander die hiermee te
maken heeft, wordt genomen.”
Mevrouw van der Laan: “Het gaat erom dat wij een beleid hebben,
het gaat erom dat er regels zijn en het gaat er ook om dat je die regels
toepast met menselijkheid en redelijkheid. In het specifieke geval waar het
debat van vandaag over gaat, is de D66-fractie van mening dat dat niet
gebeurd is.”
De heer De Wit: “Mevrouw Van der Laan is haar betoog begonnen
met de mededeling dat de D66-fractie vindt dat mevrouw Ayaan Hirsi Ali voor
het eind van de week een Nederlands paspoort dient te hebben. Hoe wil zij
dat bereiken? De minister heeft namelijk juist meegedeeld dat mevrouw Hirsi
Ali geen Nederlander is en dat haar paspoort dus ongeldig is?”
Mevrouw van der Laan: “De minister heeft op basis van artikel 10
van de Rijkswet op het Nederlanderschap de bevoegdheid om in exceptionele
gevallen de Nederlandse nationaliteit te verlenen. Ik ben van plan om straks
op dit punt een motie in te dienen. Ik hoop dat wij daar een meerderheid
voor krijgen.”
Oud-docent staatsinrichting André Rouvoet van de ChristenUnie
mengt zich nu in het debat: “Ik heb goed naar u geluisterd en u hebt in
treffende bewoordingen de bijzondere situatie van Ayaan Hirsi Ali geschetst.
De situatie is indringend genoeg; daar gaat het niet om. Wat mij intrigeert,
is waarom u op de eenvoudige vraag van mevrouw Halsema dat u dus niet de
regels wilt wijzigen, maar in deze situatie wel een uitzondering wilt maken,
met ‘nee’ hebt geantwoord. Waarom beantwoordde u die vraag met
‘nee’, terwijl alles wat u daarna zei, een luid ‘ja’ was?”
Mevrouw van der Laan: “Het gaat niet om de regels, maar om de
toepassing van de regels. Wij weten allemaal dat de minister een
discretionaire bevoegdheid heeft. Ik kan mij voorstellen dat als de heer
Rouvoet nu minister voor Vreemdelingenzaken was, er op een andere manier met
de discretionaire bevoegdheid omgesprongen zou worden dan de huidige
minister op dit moment doet. Het gaat dus niet om de regels, maar om wat je
ermee doet.”
André Rouvoet, die alom gerespecteerd wordt inzake zijn
juridische en bestuurlijke kennis, laat zich niet afschepen: “Laten wij deze
interessante hypothetische casus eens beetpakken. Ik sluit niet uit dat er
dan in eerdere gevallen ook al andere beslissingen genomen waren. De vraag
blijft dus, waarom u in deze situatie de minister vraagt een uitzondering te
maken, terwijl u dit eerder niet bepleit heeft, en waarom u nee zegt tegen
mevrouw Halsema als zij vraagt of u een uitzondering voor mevrouw Hirsi Ali
wilt maken. U zei daarop nee, maar u bedoelde ja.”
Mevrouw van der Laan: “Dit wordt een beetje een ingewikkeld
woordenspel. Ik dacht dat ik vrij duidelijk had verwoord wat mijn standpunt
in deze zaak is; dit is een zeer uitzonderlijke situatie en natuurlijk zijn
de regels de regels, maar wij gaan ervan uit dat die op een redelijke en
menselijke manier worden toegepast. De fractie van D66 is van mening dat het
in dit geval redelijk zou zijn als mevrouw Hirsi Ali alsnog het
Nederlanderschap krijgt.”
De heer André Rouvoet: “Conclusie is, dat er sprake is van de
uitzondering op de regel.”
Mevrouw Van der Laan: “Maar dat kan voor heel veel mensen
gelden. Ik zou zeggen: hoe meer, hoe liever; maar volgens mij spreken wij
daar vandaag niet over.”
Over
de mogelijke statenloosheid van Ayaan
Als eerste snijdt Verhagen het punt van de statenloosheid van
Ayaan Hirsi Ali aan nu zij volgens minister Verdonk het Nederlanderschap
niet heeft verkregen.
De heer
Verhagen: “Mijn volgend punt is dat bij de verwerving van het
Nederlanderschap de oorspronkelijke nationaliteit in beginsel moet worden
opgegeven. Daarop bestaan uitzonderingen, met name voor vluchtelingen. Ayaan
heeft in 1992 de vluchtelingenstatus verkregen. Terecht wordt deze niet
ingetrokken. In 1997 is mevrouw Hirsi Ali genaturaliseerd. In de periode van
1992 tot 1997 gold de afstandseis niet.
Veel
Somaliërs hebben in die periode niettemin hun Somalische nationaliteit
opgegeven. Heeft Hirsi Ali dat ook gedaan, en dreigt dus statenloosheid? Is
dat door de minister meegewogen in haar besluitvorming indien dat het geval
is?”
Over
partijpolitiek en de lijsttrekkerscampagne van de minister
Een aantal parlementariërs ging in op het partijpolitieke aspect
in deze zaak. De eerste die dit al heel vroeg in het debat aankaartte was
GroenLinkser Femke Halsema. Hoe moet je het benoemen als je het sterke
vermoeden hebt dat iemand het slachtoffer dreigt te worden van een
georganiseerde campagne, maar daarvoor geen harde bewijzen hebt.
Halsema geeft daar als volgt vorm aan:
“Dit debat heeft geen betrekking op de opvattingen van Ayaan
Hirsi Ali en evenmin op haar stijl van politiek bedrijven. Toch noem ik dat,
omdat ik al dagen lang de geur opsnuif van politieke afrekening en van
politiek en electoraal gewin.”
Dit is onomwonden en getuigd van Hollandse duidelijkheid zonder
personen te beschadigen.
Een andere parlementariër die in de handelwijze van Verdonk
vermeende partijpolitiek meent te herkennen, is Wilders die de minister in
tegenstelling tot zijn forse steun altijd, deze keer fors lik op stuk geeft.
“Ik ben niet van mening dat het afnemen van de nationaliteit in
die gevallen buiten proportie is. Maar dit debat gaat over meer. Dit debat
gaat ook over opportunistisch gedrag. Met name de handelwijze van de
minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, mevrouw Verdonk, is naar
mijn mening ver onder de maat.
Zij heeft in mijn ogen schaamteloos en ook berekenend gehandeld.
Vorige week vrijdag, een dag na de Vara-uitzending, zei minister Verdonk nog
dat Ayaan Hirsi Ali niets te vrezen had. En nog geen dag later zegt deze
minister het tegenovergestelde. Er moet een onderzoek komen, zegt zij op
zaterdag, en maandag weet deze minister al dat Ayaan geacht wordt het
Nederlanderschap niet te hebben gekregen. Binnen een paar dagen kwam er al
een antwoord op een Kamervraag van een collega, de heer Nawijn, en dat is
een absoluut wereldrecord. Dat roept ook de vraag op waarom dat zo snel kan.
Waarom wacht mijn motie over de burka die is aangenomen, al sinds december
vorig jaar op een antwoord en doet de minister dit in een dag? Wat is er aan
de hand?
In een dag 180o gedraaid; in drie dagen ging mevrouw
Verdonk van niets te vrezen naar nooit Nederlander geweest. Door zo
zwabberig en zo onverwacht snel te reageren roept minister Verdonk wat mij
betreft de verdenking op dat zij vooral bezig is met haar eigenbelang; het
belang om lijsttrekker van de VVD te worden. Volgens mij is het niet
ondenkbaar dat haar campagneleider vorig weekend in haar rechteroor heeft
gefluisterd: Rita, dit is je kans om je te profileren, doe dat nou maar.
Zoals ik het nu zie, lijkt het erop dat mevrouw Verdonk Hirsi
Ali heeft geslachtofferd en ondergeschikt heeft gemaakt aan haar blinde
ambitie om lijsttrekker te worden. Als dat waar is, is dat natuurlijk een
grove schande. Ik vraag de minister om hier uitgebreid op te reageren.”
Ofschoon de minister veel notities maakt, gaat ze later niet in
op Wilders klemmende verzoek. Ze negeert het.
Het spijt André Rouwvoet dat hij het moet zeggen, maar hij doet
het wel.
“Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de
campagneadvisering het in dezen gewonnen heeft van de ambtelijke advisering.
Het is aan de minister om mij en de rest van de Kamer ervan te overtuigen
dat dit niet zo is.
(…) Meer in het algemeen heb ik het onaangename gevoel dat deze
kwestie niet goed zuiver te houden valt en niet los gezien kan worden van
partijpolitieke overwegingen en motieven. Daar heb ik al iets over gezegd.
Het moet opvallen dat de reacties, ook vanuit partijpolitieke kring, wel
heel duidelijk langs een bepaalde lijn lopen die samenvalt met de kampen
rondom de kandidaat-lijsttrekkers. In alle openheid zeg ik u ook maar dat ik
verbaasd ben over de opmerking van minister Zalm tijdens de persconferentie
van Ayaan Hirsi Ali. Weliswaar na de uitdrukkelijke mededeling dat hij daar
niet als vice-premier stond, nam hij in stevige bewoordingen afstand van het
besluit en de manier waarop minister Verdonk dat besluit had genomen. Al zou
ik aannemen dat dit niets te maken had met zijn positiekeuze in interne
VVD-aangelegenheden, dan nog was ik van mening dat dit zo absoluut niet
kan.”
Tenslotte maakt ook de Socialistische Partij van de gelegenheid
gebruik de snelheid van de minister in verband te brengen met haar campagne
voor het lijsttrekkerschap.
De heer De Wit: “Het heeft de SP-fractie zeer verbaasd dat de
minister kans heeft gezien om de Kamervragen van de heer Nawijn over de
status van mevrouw Hirsi Ali binnen een dag te beantwoorden. Met alle
respect, maar dat zijn wij van deze minister anders gewend. Mijn fractie kan
zich niet aan de indruk onttrekken dat de kandidaat-lijsttrekker van de VVD,
die bij voortduring wijst op haar rechte rug, het nodig heeft gevonden om
een daad te stellen.”
Je gaat je onderhand afvragen of mevrouw wel gelukkig is met
deze haast onafzienbare berg aan kritiek, commentaar en verwijten. Ze zit er
een beetje apathisch bij en laat alles maar over zich heenkomen. Als haar
ogen wegdraaien naar boven en het wit van haar ogen zichtbaar wordt, lijkt
het alsof ze van de wereld is en geestelijk even een uitstapje doet. Weg uit
de vergaderzaal. Wat zou dat prachtig zijn om het lichaam even te verlaten
zodat het de honneurs kan waarnemen van een minister voor Vreemdelingenzaken
en Integratie die even niet aanwezig is en zich ergens anders lekker aan het
ontspannen is. Maar als
een tsunami komt kamerbreed alle woede, verbijstering, ongeloof en boosheid
op dat ijskonijn af dat naast Donner zit en dat geen zin met meer dan vijf
woorden kan bedenken.
Ik ben recht door zee. Ik ben minister. Ik doe wat ik zeg. Neem
dat laatste nou. Taalkundig, dus. Het betekent werkelijk niets, ik doe
wat ik zeg. Het kan eigenlijk niet anders. Als je niet doet wat je zegt,
belazer je de kluit. En dus is het geen verdienste te zeggen dat je doet wat
je zegt.
Wouter Bos rond zijn bijdrage in de eerste termijn af in de
geest van nagenoeg alle sprekers:
“Datgene wat Ayaan vandaag meemaakt, wenst niemand haar toe en
dat wensen wij niemand toe. Daarmee spreek ik geen enkele goedkeuring uit
over het feit dat zij indertijd
onjuiste informatie heeft verstrekt om een
Nederlands paspoort te verkrijgen. Ik doe een dringend beroep op de minister
om bij de verdere afhandeling van deze zaak en het uitzetten van lijnen voor
de behandeling van vergelijkbare gevallen proportionaliteit in te brengen
alsmede een elementair door fatsoen gedreven gevoel voor de menselijke maat.
Dat wordt nu immers gemist. Als daarbij niet alleen Ayaan baat heeft, maar
ook vele anderen die hun positie minder gemakkelijk kunnen verdedigen en die
wij niet kennen uit de krant, van de televisie of als collega, is dit drama
misschien uiteindelijk nog ergens goed voor geweest.”
De minister krijgt om half zeven bijna twee uur de tijd om een
antwoord op de Tweede Kamer voor te bereiden. Het moet haar lukken, want ze
heeft veel opgeschreven. Wat dat betreft moet ze er een lam handje aan over
gehouden hebben. De Tweede Kamer heeft er in deze eerste termijn een uur en
drie kwartier over gedaan en heeft naar verwachting de geplande spreektijd
met drie kwartier overschreden.
(Naar boven) |