



Het kabinet had beter
kunnen struikelen over het uitzenden van militairen naar Urzugan




Het kabinet had beter
kunnen struikelen over het uitzenden van militairen naar Urzugan




Het kabinet had beter
kunnen struikelen over het uitzenden van militairen naar Urzugan




Het kabinet had beter
kunnen struikelen over het uitzenden van militairen naar Urzugan




|
Maakt het
wat uit?
Rondom het middaguur -een paar uur nadat het debat die ochtend geëindigd is-
komt het standpunt van het kabinet naar buiten met betrekking tot de
verworpen motie van wantrouwen tegen minister Verdonk.
BRIEF VAN DE MINISTER PRESIDENT, MINISTER VAN
ALGEMENE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal
Den Haag, 29 juni 2006
Uw Kamer heeft het kabinet om een reactie
verzocht op de motie van het lid Halsema c.s. (kamerstuk 30 559, nr. 7) die
hedenochtend door uw Kamer niet is aanvaard.
Het kabinet is er van doordrongen dat de
vraagstukken die aanleiding zijn geweest voor het debat in uw Kamer
hedenochtend, voor alle betrokkenen ingrijpend en lastig zijn geweest. Uw
Kamer heeft dat nadrukkelijk aan de orde gesteld.
Het is tegen deze achtergrond dat het kabinet
de debatten in uw Kamer op 16 mei jl. en op 28 en 29 juni jl. heeft gevoerd.
De ministers zijn gezamenlijk tot het oordeel
gekomen dat de hedenochtend niet aanvaarde motie geen gevolgen heeft voor
het functioneren van het kabinet.
De Minister-President,
Minister van Algemene Zaken,
J. P. Balkenende
Curieus in deze verklaring is dat, waar de Kamer de minister-president om
een standpunt van het kabinet vroeg, deze verklaring het heeft over “De
ministers zijn gezamenlijk tot het oordeel gekomen, etc.” Is dat wat anders
als er gestaan zou hebben: “Het Kabinet is van mening dat etc.”? Ook
curieus is dat hieruit opnieuw blijkt het ontbreken van enige regie bij de
minister-president. Hij geeft geen enkel signaal dat hij vooruit kan
denken. Immers het is iets anders dat een slechts door de oppositie
gesteunde motie van wantrouwen door de Kamer verworpen wordt, als een
verworpen motie waaraan mede een regeringspartij zijn steun heeft verleend.
Een regeringspartij wantrouwt een minister. Is dat niet iets voor het
(voltallige) kabinet om iets meer tijd te nemen dan men nu gedaan heeft? Met
deze regeringsverklaring gaat het al niet meer over de zaak van mevrouw
Ayaan Hirsi Ali. Haar naam komt zelfs niet meer voor in het door Balkenende
bij elkaar gedachte stuk. En toch heeft de MP niet in de gaten dat er
ernstige problemen dreigen. Hij is de regie niet alleen kwijt, hij heeft
geen regie gehad. En als hij denkt met deze verklaring stoutmoedig
gereageerd te hebben en de bal bij de Kamer te leggen, dan is ook dat een
ernstige inschattingsfout. Natuurlijk zal de Kamer niet bij meerderheid nu
opeens een motie van wantrouwen tegen Verdonk of het kabinet steunen. Maar
regeringsfractie D66 kan na het laten zien van tanden nu gaan bijten. Niet
aan gedacht mijnheer Balkende?
De
afspraak is dat de Tweede Kamer om 14.00 uur bij elkaar komt om over deze
verklaring te spreken. Echter de minister-president is om één uur begonnen
met de vergadering van ministerraad. De voorzitter laat merken begrip te
hebben voor Balkende die zich beriep op verplichtingen voor de veteranendag
en het late uur voor hem en een aantal andere ministers. Alsof dat late uur
niet voor de Kamer geldt. Overigens was hij vanochtend zelf er bij toen deze
afspraak gemaakt werd. Nou kan hij opeens wel regie voeren als het hem
uitkomt en iets oplevert. Dus moet de agenda van de Kamer aangepast worden
aan die van de minister-president. Het is kwart voor vier als Balkenende
zijn gezicht laat zien.
Minister Balkenende: “Voorzitter. Het was vannacht laat toen de
beraadslagingen werden beëindigd. Er is een motie aan de orde geweest. De
heer Bos heeft gevraagd -maar die vraag leefde evenzeer bij anderen- hoe het
kabinet omgaat met deze niet-aanvaarde motie. Vanmiddag hebben wij in het
kabinet stilgestaan bij deze vraag. Wij zijn eerst nagegaan hoe het debat is
verlopen. Wat is er de afgelopen weken aan de orde geweest? Wij realiseren
ons dat wat zich heeft afgespeeld voor alle betrokkenen lastig en ingrijpend
is geweest. Het was geen gemakkelijke periode. Dat bleek uit het debat van
gisteren, maar ook uit eerdere debatten.
Vervolgens hebben wij stilgestaan bij de ingediende motie, die
overigens niet is aanvaard. Wij zijn unaniem tot de conclusie gekomen dat
een niet-aanvaarde motie geen gevolgen heeft voor het functioneren van het
kabinet. Ik ben graag bereid om daarover met de Kamer in debat te gaan. Dit
is mijn toelichting op de brief die zeer kort geleden naar de Kamer is
gezonden.”
Hierna geeft de Kamer aan dat men graag een debat wil over deze
regeringsverklaring. Er wordt geschorst tot half vijf, waarna over de
verklaring van de minister-president als eerst de heer Van As het woord
heeft gevraagd over een punt van orde.
De heer Van As: “Voorzitter. Ik verzoek u voor de volledigheid
van het debat, beide bewindslieden van D66, de minister van Economische
Zaken, in dit geval de vice-premier, en de minister van Bestuurlijke
Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, in dit geval de politieke leider van
D66, naar de Kamer te laten komen.”
De voorzitter: “Ik heb hierbij één kanttekening. Indien de Kamer
hiertoe zou besluiten, komt minister Pechtold hier niet als politiek leider
van zijn partij maar in zijn hoedanigheid als minister. Ik wil nu niet te
lang stilstaan bij procedures, want voor wij het weten, zijn wij weer een
uur verder.”
De heer Nawijn: “Voorzitter. Ik steun het verzoek van de heer
Van As.”
De heer Van As: “Voorzitter. Gisteren om 00.30 uur was er geen
enkel bezwaar om minister Zalm naar de Kamer te laten komen. Voor de
zuiverheid van de discussie lijkt het mij goed om beide ministers, die bij
de kwestie nauw betrokken zijn, hier nu uit te nodigen.”
De voorzitter: “Uw verzoek is duidelijk. Ik wil graag weten wat
andere leden hiervan vinden. Dan is het aan het kabinet om te beslissen op
welke wijze het vertegenwoordigd wil worden. Misschien wil de heer Bos, die
als eerste het debat wilde aanvragen, zeggen wat hij hiervan vindt.”
De heer Bos: Voorzitter. “Het is goed gebruik dat het kabinet
met één mond spreekt. Ik zou in ieder geval de bijdrage van mevrouw Van der
Laan aan dit debat willen afwachten voordat wij eventueel overgaan tot het
uitnodigen van beide D66-bewindslieden.”
De heer Verhagen: “De CDA-fractie heeft er geen bezwaar tegen
als ook andere bewindslieden op verzoek van een andere fractie hierbij
uitgenodigd worden.”
De heer Marijnissen,
die tot op heden door Jan de Wit vervangen werd neemt het over: “Voorzitter. De fractie van de SP heeft
geen enkel bezwaar tegen het geen bezwaar van de heer Verhagen. Misschien is
het ook wel goed als beide bewindslieden er van het begin af aan bij zijn.”
De voorzitter: “Dat lijkt mij ook goed.”
Mevrouw Halsema: “Voorzitter. Voor de goede verhoudingen zou ik
het verzoek van de heer Bos willen ondersteunen, waarbij het mij juist lijkt
dat eerst mevrouw Van der Laan het woord voert, zodat wij meer duidelijkheid
hebben.”
De voorzitter: “Ik heb er bezwaar tegen om ministers midden in
een debat te laten komen. Je weet maar nooit na welke inbreng er weer eentje
wegloopt. Nee, dan moeten zij er van het begin af aan bij zijn. En nu maar
hopen dat minister Pechtold niet in Wageningen zit en minister Brinkhorst in
Straatsburg of zo. Ik ga ervan uit dat het mogelijk moet zijn dat zij hier
om 16.45 uur zijn.”
De vergadering wordt van 16.40 uur tot 16.45 uur geschorst.
Democratie kost tijd en bovenal geld. Het is van twee kaden de minst kwade,
roepen opportunisten, maar laten alles bij zoals het was. Dat wordt in zo’n
klein ordedebat weer eens aangetoond. Twee ministers van D66 moeten nu
-evenals Zalm, Kamervoorzitter Weisglas en fractievoorzitter Van Beek
eerder- verklaren wat hun opvattingen zijn, nu over de motie waarmee gepoogd
werd het vertrouwen in minister Verdonk op te zeggen en die door de
D66-fractie gesteund werd. Uiteraard is het zinvol te vernemen wat die twee
D66-ministers daarvan vinden. En zeker nu er zo’n uitdagende
regeringsverklaring ligt waarin letterlijk staat: “De
ministers zijn gezamenlijk tot het oordeel gekomen dat de hedenochtend niet
aanvaarde motie geen gevolgen heeft voor het functioneren van het kabinet.”
Met deze aangehaalde zin vraag je aan D66 toch om iets te
ondernemen. D66 kan toch echt niet anders!?
De
voorzitter: “Wij gaan nu beginnen met het debat naar aanleiding van de
zojuist afgelegde verklaring van de minister-president. Ik heb geen
spreektijden vastgesteld, maar ik ga ervan uit dat iedere woordvoerder
aanvoelt wat een redelijke spreektijd is.”
Mevrouw Van der Laan: “Voorzitter. Ik zeg de regering dank voor
de zojuist ontvangen brief. Daardoor is snel duidelijkheid verschaft over
het standpunt van de regering naar aanleiding van het debat van gisteravond
en vannacht, vanmorgen, en wordt de Kamer in staat gesteld eveneens haar
positie snel te bepalen. De fractie van D66 heeft door het steunen van een
daarop gerichte motie kenbaar gemaakt niet langer het vertrouwen te hebben
in het functioneren van mevrouw Verdonk als minister van Vreemdelingenzaken
en Integratie. Mijn fractie was en is niet uit op een kabinetscrisis. Zij
wenst zich echter na het debat van gisteren niet te vereenzelvigen met de
prestaties van deze minister. Vannacht heb ik het kabinet gevraagd om
diezelfde conclusie te trekken. Uit de verklaring van de minister-president
blijkt dat hij daartoe niet bereid is. Daarmee kiezen hij en naar ik moet
aannemen ook onze coalitiepartners voor minister Verdonk in plaats van voor
voortzetting van het werk van dit kabinet met D66.
Met die keuze is een breuk gecreëerd tussen het kabinet en mijn
fractie. Ik voel mij dan ook genoodzaakt vandaag de politieke steun aan het
kabinet in te trekken.”
He,
hè! Lang heb ik persoonlijk getwijfeld aan de suïcidale politiek van D66
de
laatste tijd.
Steeds grote monden hoorde ik, zelfs uit een vrouwenlichaam. Als puntje bij
paaltje komt laat men het afweten. De laatste twee zinnen van mevrouw Van
der Laan kunnen nu niet beter verwoorden de ernst van de crisis. Sommigen
hebben dat nog niet door, of spelen het dat ze het nog niet door hebben,
zoals die lange CDA-slungel.
De heer Verhagen: “Mevrouw Van der Laan stelt dat zij het niet
eens is met de keuze die het kabinet heeft gemaakt. Uit de verklaring van de
minister-president is duidelijk geworden dat alle ministers, inclusief de
ministers van D66, van mening zijn dat er geen consequenties verbonden
hoeven te worden aan een verworpen motie van wantrouwen. Hoe beoordeelt
mevrouw Van der Laan de opstelling van de D66-bewindslieden in het kabinet
nu ook zij van mening zijn dat de door haar beoogde keuze niet gevolgd hoort
te worden?”
Mevrouw Van der Laan: “In de brief van de minister-president
staat heel duidelijk dat de ministers gezamenlijk tot het oordeel zijn
gekomen dat de hedenochtend niet aanvaarde motie geen gevolgen heeft voor
het functioneren van het kabinet. Dat is natuurlijk juist. Ik kan mij
voorstellen dat zij het daar gezamenlijk over eens zijn. Een niet aanvaarde
motie heeft geen consequenties. Het gaat hier dan ook niet om een conflict
binnen het kabinet. Het gaat hier om een conflict tussen de fractie van D66
en het kabinet als geheel.”
De heer Verhagen: “Ook de D66-bewindslieden hebben ervoor
gekozen geen consequenties te verbinden aan het door u opgezegde vertrouwen
in minister Verdonk. Dus ook de D66-bewindslieden zijn van mening dat
mevrouw Verdonk niet hoeft op te stappen naar aanleiding van een verworpen
motie van wantrouwen.”
Mevrouw Van der Laan: “Ik heb daarover gezegd wat ik daarover
heb gezegd.”
De heer Verhagen: “Wat vindt u van de opstelling van de
D66-ministers, die het dus niet eens zijn met uw conclusie dat minister
Verdonk moet opstappen?”
Mevrouw Van der Laan: “De D66-ministers, alle ministers in dit
kabinet, hebben gezegd dat aan een niet aanvaarde motie geen gevolgen
verbonden hoeven te worden. Dat staat in de brief. Niets meer, niets
minder.”
Ik kan er zelf geen verklaring voor vinden waarom ik opeens
zoveel respect en waardering heb voor mevrouw Van der Laan, die in een
slangenkuil verkerend, zo goed het hoofd boven water weet te houden en elke
politieke zuiger weerstand biedt. Klasse!
De
heer Verhagen: “U heeft hier iets anders gezegd. U heeft net in uw bijdrage
gezegd dat u van mening bent dat wel het vertrouwen opgezegd had moeten
worden in minister Verdonk, met andere woorden, dat daar consequenties aan
verbonden moesten worden. De beide D66-bewindslieden delen die opvatting
niet.
Ik wil u daarom vragen, gelet op het feit dat u zegt de
politieke steun in te trekken, of u daarmee ook de politieke steun intrekt
aan de D66-bewindslieden.”
Mevrouw Van der Laan: “Ik trek de politieke steun in voor het
gehele kabinet.”
Had Verhagen nu echt wat anders verwacht? Waarom dan de volgende
vraag. Zelfs van D66 kun je in alle redelijkheid toch niet verwachten dat
men het vertrouwen in het hele kabinet opzegt minus de eigen ministers. Maar
Verhagen denkt daar anders over.
De heer Verhagen: “Wat zouden dan de consequenties moeten zijn
voor de D66-bewindslieden, gelet op uw opstelling?”
Mevrouw Van der Laan: “De consequentie zou moeten zijn dat ik
ervan uitga dat de premier nu naar de Koningin gaat.”
De heer Verhagen: “Dan moet er om te beginnen een meerderheid in
de Kamer zijn die uw opstelling steunt. Als u als D66-fractie niet langer de
steun geeft aan dit kabinet, trekt u dus ook de steun in aan de aanwezigheid
van D66-bewindslieden in dit kabinet. Dat is de consequentie. Als u niet
langer de steun geeft aan uw eigen bewindslieden, is het logisch dat zij dan
inderdaad opstappen.”
Mevrouw Van der Laan: “Ik trek de consequentie dat de
D66-fractie in de Tweede Kamer geen politieke steun meer geeft aan dit
gehele kabinet. Daarvan is maar één gevolg mogelijk en dat is dat de premier
de gang maakt naar de Koningin.”
De heer Verhagen: “Nee, dan moet ik u toch een lesje staatsrecht
geven…”
Mijnheer Verhagen, jij hebt toch geschiedenis gedaan!
De heer Verhagen: “....Dat is pas het geval, indien een
meerderheid van deze Kamer de steun opzegt aan het kabinet. U zegt de steun
op en dat heeft staatsrechtelijk als consequentie dat de D66-bewindslieden
hun ontslag aanbieden. Stel dat er geen meerderheid is die dit kabinet niet
langer steunt, met andere woorden dat de meerderheid van de Kamer dit
kabinet wel steunt, dient u dan een motie van wantrouwen in tegen uw eigen
bewindslieden?”
Mevrouw Van der Laan: “Het gaat er niet om of de Kamer in
meerderheid het kabinet steunt. Waar het om gaat, is dat een van de
coalitiefracties, namelijk de fractie van D66, niet langer politieke steun
geeft aan dit kabinet Balkenende II. Dan is er geen andere oplossing dan dat
de premier de gang maakt naar de Koningin. Daarna kunnen er nog allerlei
andere ontwikkelingen zijn, maar daar ga ik niet op vooruitlopen.”
De heer Verhagen: “Ik zou dan toch willen afwachten of er in dit
debat inderdaad sprake is van een meerderheid in de Kamer die uw conclusie
deelt.”
De heer Van der Vlies:” Ik heb gisteren of vanmorgen vroeg, dat
weet ik niet meer precies, het signaal opgevangen dat de fractie van D66
zich zou hebben verstaan met de aan die fractie verwante bewindslieden, te
weten de ministers Brinkhorst en Pechtold. Dat zou afgestemd zijn op elkaar.
Is dat een betrouwbaar signaal of niet?”
Mevrouw Van der Laan: “Ik kan u vertellen dat er inhoudelijk
geen licht is tussen het standpunt van de fractie en van onze ministers. Ik
kan u ook vertellen dat zij dit vanmiddag zelf uitgebreid zullen toelichten,
maar niet hier in de Kamer.”
De
voorzitter: “Ik voorkom een discussie over dit punt. De Kamer heeft de
ministers Brinkhorst en Pechtold hier uitgenodigd. Als voorzitter van de
Kamer accepteer ik niet dat er wordt gezegd dat hier aanwezige ministers
zaken die te maken hebben met dit debat, wel buiten de Kamer en niet hier
zullen toelichten. Dat is niet acceptabel. Ik neem aan dat de Kamer mij
daarin steunt.”
En er volgt een niet alledaags geroffel op de bankjes wat we
kennen van het Britse Lagerhuis.
De heer Van der Vlies: “De vraag aan mevrouw Van der Laan is of
zij zich met de aan haar partij verwante ministers heeft verstaan over de
vraag of deze, de situatie in ogenschouw genomen hebbend en lettend op de
verklaring van de minister-president die uitdrukkelijk refereert aan de
gezamenlijkheid, voornemens zijn gewoon wel door te gaan met dit kabinet.”
Mevrouw Van der Laan: “Ik dreig in herhaling te vervallen, maar
ik wil nog even benadrukken dat het gaat om verschillende
verantwoordelijkheden. Ik spreek als fractievoorzitter van D66 in de Tweede
Kamer. Ik heb net duidelijk gemaakt dat mijn fractie geen steun meer geeft
aan dit gehele kabinet. In de brief van de minister-president staat heel
duidelijk dat de ministers gezamenlijk tot het oordeel zijn gekomen dat de
hedenochtend niet aanvaarde motie geen gevolgen heeft voor het functioneren
van het kabinet. Dat is toch ook zo? Het lijkt mij logisch dat alle
ministers daarmee kunnen instemmen, want dat is een feit, maar dat moet
apart geworden gezien van het feit dat de fractie van D66 geen steun meer
geeft aan dit kabinet.”
De heer Nawijn: “Mevrouw Van der Laan, uw partij heet Democraten
’66. Er is een meerderheid in deze Kamer die de motie van wantrouwen tegen
mevrouw Verdonk niet heeft gesteund. Is het dan niet een heel vreemde
positie om op grond daarvan de minister-president te dwingen om naar de
Koningin te gaan. Waar leidt dit toe? U heeft zelf voorgelezen dat het
kabinet en de minister-president gezamenlijk tot het standpunt zijn gekomen
dat die motie geen consequenties heeft voor het kabinet. Gaat u straks een
motie van wantrouwen indienen tegen het gehele kabinet, of niet?”
Mevrouw Van der Laan: “Dat is helemaal niet nodig. Ik heb een
verzoek
ingediend bij de minister-president om op basis van het debat van
gisteren een keuze te maken tussen minister Verdonk in het kabinet dan wel
D66 in het kabinet. Het is nu duidelijk dat het kabinet ervoor kiest om zich
volledig te vereenzelvigen met de prestaties van minister Verdonk. Ik wil
dat niet voor mijn rekening nemen. Daarom heeft mijn fractie gezegd: dan
geven wij geen steun meer aan dit kabinet. Dat is het politieke feit.”
De heer Nawijn: “Maar dat moet toch een gevolg hebben. U hoort
wat het kabinet heeft gezegd. Dus u moet dan een motie van wantrouwen tegen
het hele kabinet indienen. Er is immers een nieuwe stap gezet door het
kabinet.”
Mevrouw Van
der Laan: “Op het moment dat één van de coalitiefracties haar steun intrekt
voor dit kabinet, dan betekent het dus dat de parlementaire basis waarop het
kabinet in het leven is geroepen, wegvalt en dat er niets anders rest dan de
gang naar de Koningin.”
De heer Rouvoet: “U heeft gisteren in iets andere bewoordingen
aan het eind van uw betoog gezegd: het is mevrouw Verdonk eruit of wij
eruit. Dat was de strekking van uw slotzin. Ofte wel, kabinet,
minister-president, u moet kiezen tussen minister Verdonk en D66. Het
kabinet heeft gekozen. Dat staat in de brief. Het heeft unaniem gekozen voor
de conclusie dat de verworpen motie geen consequentie hoeft te hebben voor
het functioneren van het kabinet. En dus heeft het kabinet unaniem gekozen
voor minister Verdonk. Dat zult u met mij eens zijn. U zet nu een
vervolgstap. Dat begrijp ik politiek. U zegt: dan rest mij niets anders om
als D66-fractie de steun aan het kabinet in te trekken. Dan gaat u één stap
verder en zegt u: dan is automatisch de conclusie dat de minister-president
nu niets anders kan doen dan naar de Koningin gaan. Kunt u het met mij eens
zijn dat het staatsrechtelijk onjuist is wat u zegt en dat het afhangt van
de politieke inschatting door de minister-president van uw interventie van
zojuist? Dan zou mijn voorstel zijn om daar even op te wachten.”
Mevrouw Van der Laan: “Sorry, ik begrijp de vraag niet.”
De heer Rouvoet: “Even los van het feit dat u namens anderen
mededelingen doet over de rest van het programma van vandaag, trekt u al de
staatsrechtelijk voorbarige conclusie dat de minister-president na uw
opmerking niet anders kan doen dan naar de Koningin gaan. Mijn taxatie is
dat de minister-president namens het voltallige kabinet heeft aangegeven dat
wordt gekozen voor minister Verdonk, en niet voor de steun van de
D66-fractie. Het wachten is nu op de taxatie van de minister-president van
het intrekken van uw steun aan het voltallige kabinet. Maar ik vind het
onjuist als u zegt: hij kan niet anders dan naar de Koningin gaan. Dat hangt
af van de politieke inschatting. Wij zullen afwachten of dat ook namens het
voltallige kabinet is. Bent u het met die redenering eens?”
Mevrouw Van der Laan: “Dat ben ik met u eens.”
De heer Rouvoet: “Fijn zo!”
De heer Van As: “Voorzitter. Mijn vraag ligt eigenlijk in het
verlengde van de vraag van de heer Rouvoet. Mevrouw Van der Laan trok
gisteravond een te grote broek aan door het hoofd van minister Verdonk te
eisen. Anders zouden beide D66-bewindslieden uit het kabinet stappen. Wie
schetst mijn verbazing dat zich nu een andere soap heeft voltrokken. Beide
ministers, van wie ik heb begrepen dat minstens een of misschien wel twee
betrokken zijn geweest bij het fractieberaad, blijven toch zitten. Dat
schijnt dan te zijn op persoonlijke titel. Deze coalitie bestaat uit drie
partijen. De partij van mevrouw Van der Laan maakt daar deel van uit. Dan
zou het haar sieren als zij een motie van wantrouwen tegen haar eigen
ministers indient. Waarom doet zij dat niet?”
Mevrouw Van der Laan: “Omdat dat niet nodig is.”
De heer Van As: “Voorzitter! Het is toch volstrekt belachelijk
wat mevrouw Van der Laan nu zegt! Dat zou dus betekenen dat beide
bewindslieden op persoonlijke titel deel uitmaken van het kabinet, dat zij
dus niet gedragen worden door een meerderheid van het parlement?”
Mevrouw Van der Laan: “Voorzitter. De precieze constructie en de
staatsrechtelijke interpretatie van de heer Van As ontgaan mij. Ik leg nog
een keer uit hoe het precies zit. Gisteravond/vannacht is er een debat
geweest naar aanleiding waarvan ik heb gevraagd of de minister-president/het
kabinet kiest voor minister Verdonk dan wel voor voortzetting van het
kabinet met D66. Uit de brief blijkt dat is gekozen voor vereenzelviging met
het beleid van minister Verdonk. Op basis daarvan heeft de fractie van D66
besloten haar steun aan dit kabinet in te trekken.”
De heer Van As: “Dit kabinet was gestoeld op een parlementaire
meerderheid, waarvan D66 deel uitmaakte. U trekt zich nu terug. U steunt het
kabinet dus niet meer. Dat heeft consequenties voor beide bewindslieden van
D66, want dit kabinet zit er niet meer op basis van een parlementaire
meerderheid."
Mevrouw Van der Laan: “Dat heeft consequenties voor het gehele
kabinet.”
De heer Marijnissen
laat zie dat hij weer terug is: “Voorzitter. Op de eerste plaats
complimenteer ik mevrouw Van der Laan voor haar moed en voor de rechte rug
die zij tot nu toe heeft getoond. Dat was een halfjaar geleden bij een nog
veel belangrijker debat wel anders. Op de tweede plaats is er iets wat ik
niet begrijp. Ik heb haar toch echt vanmiddag op tv horen zeggen dat de
D66-bewindslieden achter haar analyse stonden. Wat is er sindsdien gebeurd?”
Mevrouw Van der Laan: “Er is een brief gekomen van de
minister-president waarin staat dat alle leden van het kabinet de mening
hebben dat er geen gevolg behoeft te worden gegeven aan een motie die
gisteren niet is aangenomen. Het lijkt mij zonneklaar dat zij daarin gelijk
hebben.”
De heer Marijnissen: “Dat betekent dat de D66-bewindslieden uw
bijdrage gisteren in de Kamer volledig steunen, inclusief alle kwalificaties
die u hebt gebruikt aan het adres van mevrouw Verdonk, maar dat zij
desalniettemin zeggen: wij steunen dit kabinet nog steeds ondanks het feit
dat onze gekozen vertegenwoordigers in de Tweede Kamer het vertrouwen daarin
hebben opgezegd. Zeg ik dat goed?”
Mevrouw Van der Laan: “Ik hecht eraan dit staatsrechtelijk
zuiver te houden. Ik spreek hier namens de fractie van D66. Ik ben
fractievoorzitter van D66 in de Tweede Kamer. Ik kan dus ook alleen maar
spreken namens die fractie. Deze fractie heeft daarnet haar politieke steun
aan dit kabinet ingetrokken.”
De heer Marijnissen: “Dat wist ik al. Daar hebt u al één keer
een compliment voor gehad. Dat is genoeg. Dat doe ik niet twee keer. Wij
blijven niet aan de gang! Mijn moeder placht te zeggen: wij praten maar één
keer voor een cent. Alle gekheid op een stokje, ik heb u op tv horen zeggen
dat ‘uw ministers’ -zij zijn natuurlijk van de Koningin, maar goed-
inhoudelijk achter de kritiek stonden zoals u die gisteren hebt verwoord in
de Kamer. Ik neem aan dat dit is inclusief uw kwalificaties als
‘politieke spelletjes’, ‘politieke deals’ enzovoorts. Ik heb ze
niet bij de hand, maar u hebt heel wat kwalificaties gebruikt. Kunt u zich
voorstellen dat het bevreemding wekt dat wij hen nu zij aan zij zien zitten
met de minister-president als waren zij beiden vice-premier?”
Mevrouw Van der Laan: “Dat kan ik mij voorstellen. Ik heb geen
enkele aanleiding om aan te nemen dat er inhoudelijk iets is veranderd. Er
is wel een nieuw feit, namelijk dat er een brief is gekomen van de premier.”
De heer Marijnissen: “Dat weten wij. Wij hebben die brief ook
gelezen.”
Mevrouw Van der Laan: “En een nieuw feit is dat de fractie van
D66 geen politieke steun meer geeft aan dit kabinet. Dat zijn de feiten.”
De heer Marijnissen: “Wanneer wist u dat deze bewindslieden
zouden blijven?”
Mevrouw Van der Laan: “Nu er op dit moment geen politieke steun
meer is voor dit kabinet, ga ik ervan uit dat dit binnenkort officieel
demissionair zal zijn, wat betekent dat geen van de bewindslieden zal
blijven.”
De heer Marijnissen: “U moet wel antwoord geven op de vraag,
anders gaat dit spel niet goed. De vraag was: wanneer wist u dat deze twee
bewindslieden zouden besluiten om toch in het kabinet te blijven, ondanks uw
opstelling?”
Mevrouw Van der Laan: “De enige informatie die ik heb, is dat
deze bewindslieden steun hebben gegeven aan deze brief van de
minister-president waarin iets wordt geconcludeerd wat zonneklaar is.”
Mevrouw Halsema: “De staatsrechtelijke discussie laat ik graag voor wat deze
is. Ik probeer het politieke doel van uw handelen te achterhalen. Begrijp ik
goed dat het uw ambitie is om het hele kabinet demissionair te maken
waardoor D66 geen rompkabinet achterlaat en uw partijleider een positie
behoudt in het demissionaire kabinet?”
Mevrouw Van der Laan: “De fractie van D66 heeft net haar
politieke steun aan dit kabinet ingetrokken. Ik ga ervan uit dat, met de
tussenstap van de heer Rouvoet, daarna de minister-president de gang naar de
koningin zal maken en dat vervolgens het kabinet demissionair zal zijn. Het
is dan gebruikelijk dat de koningin vraagt of de demissionaire bewindslieden
nog alles willen doen wat in het landsbelang is. Ik ga ervan uit dat zij
daarmee zullen instemmen. Vervolgens is het normaal om dan te kijken wat de
volgende stappen zullen zijn. Ik kan helemaal niet speculeren over hoe lang
die demissionaire status zal duren. Ik heb geen idee of er verkiezingen
komen of dat er een andere oplossing is. Ik vind dat wij dan wel heel erg
ver vooruitgaan.”
Mevrouw Halsema: “Het is dan dus helder dat mevrouw Van der Laan
wenst dat haar ministers, de D66-ministers, deel hebben aan het
demissionaire kabinet, zitting hebben tot aan het einde, waardoor -als een
politiek neveneffect- de politieke leider van D66 positie en functie behoudt
in dat kabinet.”
Mevrouw Van der Laan: “Het zou natuurlijk zonde zijn als deze
voortreffelijke ministers en onze voortreffelijke staatssecretaris niet
alles zouden kunnen doen wat in het landsbelang is, namelijk zorgen dat wij
ondanks de demissionaire status gewoon door kunnen werken.”
De heer Verhagen: “Los van het feit dat ook demissionaire
ministers via een motie van wantrouwen kunnen worden weggestuurd -ik hoef
maar te verwijzen naar Van Thijn en Hirsch Ballin- zou ik mevrouw Van der
Laan nogmaals willen vragen waarop zij baseert dat het opzeggen van de
politieke steun door de D66-fractie aan dit kabinet, zolang dit kabinet een
meerderheid heeft, gevolgen zou hebben voor het totale kabinet minus de
D66-bewindslieden. Ik denk dat het voor de voortgang van het debat goed is,
gelet op de opmerkingen van mevrouw Van der Laan, om voordat wij de
sprekerslijst verder af lopen een reactie te krijgen van de
minister-president en de beide andere bewindslieden over de opstelling van
de D66-fractie. Er is nog steeds sprake van een niet aangenomen motie van
wantrouwen ten aanzien van dit kabinet. Met andere woorden: hoe
veronderstelt mevrouw Van der Laan dat er meer consequenties zouden zijn dan
het vertrek van de D66-bewindslieden als zij het hierbij laat?”
Mevrouw Van der Laan: “Dit kabinet is geboren uit een
samenwerking tussen CDA, VVD en D66. Daaraan ligt een prachtig regeerakkoord
ten grondslag. Nu valt die grondslag weg, omdat wij onze politieke steun
hebben ingetrokken. Dat betekent dus dat de parlementaire basis voor dit
kabinet wegvalt omdat onze politieke steun er niet meer is.”
De voorzitter: “Wij zijn weer een beetje terug bij het begin.”
De heer Verhagen: “Voorzitter. Ik zou u willen verzoeken om,
voordat wij dit debat voortzetten, eerst een reactie te kunnen krijgen van
de minister-president en de beide andere bewindslieden op de opstelling van
de D66-fractie.”
De voorzitter: “De heer Verhagen heeft een punt van orde naar
voren gebracht. Zijn de andere leden het met hem eens dat het dienstig zou
zijn om eerst de minister-president uit te nodigen om te reageren op het
betoog van mevrouw Van der Laan?”
De heer Bos: “Voorzitter. Het lijkt mij niet verstandig om het
debat al in zo'n vroeg stadium te laten vastlopen op misverstanden die de
heer Verhagen als zekerheden presenteert. Ik denk dus dat alle partijen
gewoon in staat moeten worden gesteld om hun bijdrage aan dit debat te
leveren en dat het het beste is als de minister-president daarna op al die
bijdragen reageert."
De voorzitter: “Indien de minister-president nu zou antwoorden
-ik treed daar niet in, dat is aan de Kamer- betekend dat natuurlijk niet
dat de andere partijen daarna niet het woord voeren.”
De heer Bos: “Voorzitter. U hebt mij gehoord. Ik denk dat het
verstandig is dat elke partij eerst de gelegenheid krijgt om een bijdrage te
leveren, zoals ook voorafgaand aan dit debat is geregeld, en dat de
minister-president daarna reageert.”
De heer Rouvoet: “Voorzitter. Mij lijkt het, om misverstanden te
voorkomen en het hele plaatje te beoordelen, juist dienstig dat wij wel
eerst de reacties uit Vak K horen, maar dan van alledrie de bewindslieden.
Daarna kunnen alle fracties reageren op beide verhalen in samenhang.”
De heer Van der Vlies: “Na de verklaring van mevrouw Van der
Laan heeft de coalitie geen meerderheid meer. Dat is een doorslaggevend
politiek feit, dat de positie van het kabinet raakt. Het lijkt ook mij het
beste dat wij de minister-president de gelegenheid geven uiteen te zetten
hoe hij de ontstane situatie beschouwt.”
De heer Rutte: “Ook mijn fractie geeft daaraan de voorkeur,
omdat wij dan met elkaar het hele feitenmateriaal op tafel hebben, op grond
waarvan de eerste termijn kan worden vervolgd.”
Mark Rutte, die in de VVD de verkiezingen voor het
lijsttrekkerschap heeft gewonnen, trad hier op als de nieuwe woordvoerder
van de VVD. Hiermee neemt hij het stokje van Willibrord van Beek over. Hij
wilde aanvankelijk dat Van Beek deze zaak afhandelde, en wilde daarom de
laatste dag voor het Kamerreces pas het stokje overnemen. Gezien de loop van
de geschiedenis rondom het dossier Ayaan Hirsi Ali moet hij toch nog aan de
bak. Hij zal zich er voor hoeden tegenover mevrouw Verdonk te komen staan.
Het is nu haar door dik en dun verdedigen. Het is en blijft vreemd dat de
VVD Verdonk door dik en dun verdedigde. Mevrouw Annette Nijs,
VVD-staatssecretaris bij Onderwijs moest voor veel minder van de toenmalige
VVD-fractieleider Van Aartsen het veld ruimen. Nijs kon niet meer met
minister Van der Hoeven door één deur. De dames waren te zeer gebrouilleerd.
Mevrouw Nijs overleefde tenslotte een motie van de Tweede Kamer. De twee
dames, de minister Van der Hoeven en staatssecretaris Nijs verzoenden zich
vervolgens publiekelijk voor de televisie en konden weer aan de slag.
Van Aartsen die er nog eens een nachtje over had geslapen vond
een dag later dat zijn eigen staatssecretaris alsnog het veld moest ruimen.
Wat democratie? Één man besliste toen dat een bewindsvrouwe moest opstappen.
Nu was de aversie tegen Verdonk bij de VVD wel iets groter dan één man. Toch
gebeurde er niets. Sterker nog: toen Mark Rutte tot VVD-lijstrekker werd
gekozen haastte deze zich Verdonk tot running mate te benoemen.
De
voorzitter: “Ik vraag de minister-president of hij bereid is om op dit
moment te reageren, al dan niet na een onderbreking, op de eerste termijn
van mevrouw Van der Laan. Het woord is aan de minister-president.”
Minister Balkenende: “Voorzitter. Ik vind het in dit stadium
tamelijk bezwaarlijk om alleen in te gaan op de uitlatingen van mevrouw Van
der Laan. Aan ons is gevraagd wat de positie is van het kabinet naar
aanleiding van een niet aanvaarde motie. Dat heb ik neergelegd in een brief.
Natuurlijk is het zo dat wij onze bedenkingen hebben bij het intrekken van
de steun aan het kabinet, maar ik hoor ook de staatsrechtelijk relevante
opmerking dat, als er één fractie terugtreedt, automatisch de gang naar Hare
Majesteit de Koningin aan de orde is, evenals de demissionaire staat van het
kabinet. Welnu, dat weet ik helemaal nog niet. Ik heb meer gegevens nodig
van de Kamer om daarop in te gaan. Ik ben uiteraard niet gelukkig met de
inbreng van mevrouw Van der Laan en zou er graag meer over willen zeggen.
Want het ging wel heel erg snel; in drie zinnen wordt gezegd: wij trekken de
steun aan het kabinet in. Ik wil hier graag op ordentelijke wijze op ingaan.
Ik betreur het dat het zo loopt, maar ik wil liever op dit moment ook van
andere fracties horen wat hun positie is en hoe zij tegen de brief van het
kabinet aankijken, zodat ik de zaken in hun onderlinge samenhang kan bezien.
Ik ben niet gelukkig met de opstelling van de D66-fractie, dat spreekt
vanzelf. Ik heb aangegeven hoe er in het kabinet is gesproken over de
niet-aanvaarde motie, en het lijkt mij dat wij er beter aan doen om eerst de
andere fracties te horen. Als er sprake zou zijn van een gang naar Hare
Majesteit de Koningin, zou er over een dergelijke belangrijke zaak eerst
nader overleg moeten plaatsvinden in het kabinet. Ik vind het echter nog te
prematuur om daarover te spreken in dit stadium van het debat.”
De heer Bos: “Voorzitter. De heer Van der Vlies noemde het debat
dat wij vanochtend afsloten het debat van de unieke taferelen. Dit dreigt
een debat van wel heel unieke taferelen te worden, omdat er pogingen worden
gedaan om staatsrechtelijke constructies neer te zetten die echt op geen
enkele wijze rechtvaardiging vinden in de in Nederland gegroeide
parlementaire praktijk. De positie die mevrouw Van der Laan heeft ingenomen
is wat ons betreft niet alleen politiek moedig, maar ook staatsrechtelijk
volstrekt correct. De grondslag van een kabinet berust niet op de vraag of
men een beetje gezellig samen in de Trêveszaal zit te vergaderen en te
besturen, maar op de aard van de samenwerking met het parlement. Die
grondslag is vastgelegd in de opdracht die het staatshoofd aan de
informateurs en de formateurs heeft gegeven, op grond waarvan uiteindelijk
een rapport wordt uitgebracht. Die grondslag, zoals verwoord in de opdracht
aan de informateurs en formateurs, laat geen enkele ruimte voor misverstand.
Die grondslag was namelijk dat er sprake moest zijn van een vruchtbare
samenwerking met de Staten-Generaal. Met het intrekken van de politieke
steun door de fractie van D66 is die grondslag aan het kabinet ontvallen.
Aan de opdracht die van het staatshoofd afkomstig was, kan niet langer
worden voldaan. Daarom rest er nu niets anders dan dat de minister-president
teruggaat naar het staatshoofd.
Ik kan mij voorstellen dat het op dit moment politiek volstrekt
logisch en zelfs waarschijnlijk is dat de D66-ministers als eersten hun
consequentie trekken voor wat betreft hun persoonlijk aanblijven in het
kabinet, naar aanleiding van het intrekken van de steun door hun fractie.
Het zou volstrekt logisch zijn -en het is misschien ook wel waarschijnlijk-
dat vervolgens alle andere ministers dat ook doen. Ik denk dat het punt
gemaakt moet worden dat, zelfs als dit niet gebeurd, dit niets afdoet aan de
constatering dat de grondslag voor het voortbestaan van dit kabinet thans
aan het kabinet is ontvallen, en dat dus een gang terug naar het staatshoofd
door de minister-president, waarbij hij het ontslag van het kabinet aan het
staatshoofd aanbiedt, aan de orde is. Vervolgens dient consultatie plaats te
vinden. De inzet van de PvdA bij die consultatie zal zijn, de Nederlandse
bevolking op zo kort mogelijke termijn in staat te stellen om door middel
van nieuwe verkiezingen een nieuwe Kamer te kiezen.”
De heer Van As: “Voorzitter. Het debat dat wij nu met elkaar
voeren, ligt in het verlengde van het debat dat wij gisternacht en
vanochtend hebben gevoerd. Dat was op zichzelf al een heel schaamteloze
vertoning, waarin de Kamer zich van haar slechtste kant heeft laten zien.
Minister Verdonk voert een motie uit en dan mag zij vertrekken. Wat zich
hier heeft voltrokken, is eigenlijk de wereld op zijn kop. Wij zijn trots
dat wij als LPF-fractie tegen de motie van wantrouwen hebben gestemd. Als
wij het kabinet hadden willen wegsturen, dan zouden wij de motie van
afkeuring hebben gesteund. Wij hebben wel vertrouwen in het CDA en de VVD,
maar niet in D66. D66 heeft voor grote politieke instabiliteit gezorgd. De
rotzooi waartoe dat dit jaar heeft geleid, is onbeschrijfelijk. Wij zijn ook
verbaasd dat minister Pechtold, die als politieke leider nota bene
gisteravond ook betrokken was bij het fractieberaad. Wellicht dat wij van
hem nog horen wat zijn rol is geweest bij het bepalen van het standpunt dat
de D66-fractie heeft ingenomen. Als hij mordicus tegen was, vernemen wij dat
ook graag.
Wij zeggen eigenlijk het vertrouwen op in de
D66-bewindslieden. Er is complete verwarring ontstaan. Met name bij D66 is
men de weg helemaal kwijt. Zo kan het niet doorgaan. Het kabinet voert een
motie niet uit, unaniem nota bene. Dan vragen wij ons af welke positie deze
twee ministers nu nog innemen. Zijn zij solidair met hun fractie? Dat blijkt
niet zo te zijn. Of wil men op persoonlijke titel verder? Dat is
staatsrechtelijk de wereld op zijn kop.
Dit kabinet kan
op deze manier niet verder. Wij vinden dat op zichzelf geen punt. Wij zitten
er namelijk helemaal niet mee als de beide bewindslieden gewoon vertrekken,
dit kabinet verlaten. Dan ontstaat een andere situatie en daar is best een
oplossing voor te vinden staatsrechtelijk, mijnheer de voorzitter. Dit land
kan veel beter worden bestuurd zonder D66. De ellende van een kabinet met
D66 hebben wij nu gezien. Het is op zichzelf al een hele soap. Wij willen
gaarne van beide D66-bewindslieden en zeker van minister Pechtold van
Bestuurlijke Vernieling/Vernieuwing horen, hoe hij hier tegenaan kijkt. Wij
behouden ons het recht voor, zo nodig een motie van wantrouwen in te dienen
tegen de twee D66-bewindslieden.”
De heer Van der Vlies: “Voorzitter. De verklaring van de
minister-president spreekt van een unanieme opvatting binnen het kabinet.
Dat is niet anders te verstaan dan dat de ministers die zich verwant weten
aan D66 -te weten de heer Pechtold, die binnen zijn partij is verkoren tot
lijsttrekker, en de heer Brinkhorst, die binnen zijn partij als man van het
eerste uur geldt- afstand nemen van het opzeggen van het vertrouwen in
minister Verdonk door de D66-fractie in de Tweede Kamer. De afweging van het
kabinet, de conclusie in de brief dus, ligt voor de hand. De motie was
immers niet aangenomen. Daarmee is de bal -om het zo maar even te zeggen-
teruggelegd bij de fractie van D66 in dit huis. Die fractie heeft zojuist
gesproken. In politieke termen is er dus een nieuw feit. De coalitie heeft
geen meerderheid meer. Een coalitie die gebonden is door een tot stand
gekomen akkoord, met het plusje van het Paasakkoord, heeft geen meerderheid
meer.
De vraag is nu of dit kabinet nog voldoende steun in de Kamer
heeft. De regel daarbij is dat zolang het tegendeel niet is gebleken wij
daarvan moeten blijven uitgaan. Het staat dus niet vast dat er een
meerderheid zou zijn die haar steun aan dit kabinet onthoudt. Dus is er in
dit opzicht nog geen vuiltje aan de lucht. Wie een beetje beter kijkt, ziet
natuurlijk wel donkere wolken komen.
Zou de kernvraag dan toch niet zijn, wetend dat de Kamer het
vertrouwen nog niet heeft opgezegd, hoe het kabinet dit nu allemaal zelf
ziet, dus of men de paraplu opsteekt of niet?”
Mevrouw Halsema: “Voorzitter. Ik ben allesbehalve hoogleraar
staatsrecht, maar met al mijn lekenkennis lijkt mij de analyse van mevrouw
Van der Laan juist. Dit kabinet rust op de grondslag van drie partijen.
Wanneer één van die partijen haar steun aan dit kabinet intrekt, komt de
steun aan het kabinet te ontvallen. Het lijkt mij dat de overblijvende
coalitiepartijen, CDA en VVD, zich dit zouden moeten aantrekken. Ik verbaas
mij erover met welke snelheid er nu al wordt gespeculeerd over alternatieve
meerderheden. Dat hoor ik namelijk CDA en VVD doen. Ik dacht dat wij toch
wel andere herinneringen bewaarden aan het kabinet Balkenende I. Dat is
waarnaar wij dan zouden terugkeren. Dit is blijkbaar de overblijvende
ambitie van CDA en VVD. Als de route van D66 niet wordt gevolgd -het kabinet
biedt in zijn geheel zijn ontslag aan aan de Koningin en wordt demissionair-
levert dit kabinet zich uit aan de LPF, zoals het zich de afgelopen weken
had uitgeleverd aan minister Verdonk.
Het lijkt mij ook dat de coalitiepartijen, als zij het politieke
doel van D66 zouden willen vermijden -het kabinet wordt demissionair en de
politieke leider van D66, de heer Pechtold, houdt zitting in dit kabinet en
behoudt daarmee politieke zichtbaarheid, functie en positie- een motie van
wantrouwen zullen moeten indienen tegen de twee D66-bewindslieden. Ik kan
mij niet voorstellen dat zij ook dat zouden overlaten aan de LPF.
Laat ik duidelijk zijn. Ik heb de geloofwaardigheid van dit
kabinet al niet zo hoog meer zitten; die heb ik ook nooit zo hoog gehad. Ik
kan mij niet voorstellen dat dit kabinet als minderheidskabinet door zou
willen, afhankelijk van de steun van de LPF. Er kan in mijn ogen maar één
ding gebeuren: dit kabinet biedt in zijn geheel zijn ontslag aan aan de
Koningin en wordt demissionair, waarna er verkiezingen komen.”
De
heer Rouvoet: “Voorzitter. Gisteravond is door een aantal fracties,
waaronder de fractie van de ChristenUnie, het vertrouwen opgezegd in één
minister, minister Verdonk. Ik zeg dat nog eens met nadruk, ook omdat uit de
woorden van mevrouw Van der Laan zou kunnen worden afgeleid dat steun aan de
motie voor meerdere fracties steun betekent aan het opzeggen van het
vertrouwen in het kabinet. Wij hebben gisteren uitgesproken dat mevrouw
Verdonk niet op onze steun en ons vertrouwen kan rekenen. Mevrouw Van der
Laan heeft namens de D66-fractie gisteravond aan het slot van haar betoog de
zaak op scherp gezet, door te zeggen: mevrouw Verdonk eruit of wij eruit.
Dat is daarmee een probleem van D66.
In dit debat lopen de staatsrechtelijke en de
politieke werkelijkheid naar mijn gevoel nogal door elkaar. Soms zijn het
twee gescheiden werkelijkheden die elkaar raken, De reactie van de
minister-president die wij vanmiddag ontvingen namens het unanieme kabinet
is correct. Mevrouw Van der Laan merkte dat terecht op. Maar hij roept wel
vragen op over de overwegingen en de positie van de D66-bewindslieden. Maar
dat gaat de Kamer niet rechtstreeks aan. Eigenlijk is ook dat een probleem
van D66. Nu doet zich een nieuw politiek feit voor. De fractie van D66 heeft
de steun aan het kabinet ingetrokken. Daarmee is de feitelijke basis voor de
samenwerking in het kader van dit kabinet, namelijk het Paasakkoord, komen
te vervallen. Ik kan mij namelijk niet voorstellen dat dit kabinet vrolijk
verder zou gaan met het uitvoeren van hetgeen vooral aan D66 is beloofd om
hen erbij te houden. Dat zou niet logisch zijn.
In
reactie op het betoog van mevrouw Van der Laan heeft mevrouw Halsema ons met
een scherpe vraag een inkijkje geboden in de campagnestrategie van D66. De
minister-president heeft staatsrechtelijk gelijk wanneer hij zegt het hele
palet te willen zien alvorens hij reageert. Politiek heeft hij echter
ongelijk, omdat er een belangrijk politiek feit is neergelegd. Het zou
merkwaardig zijn om na de mededeling van mevrouw Van der Laan eerst maar
eens om ons heen te kijken of misschien ter plekke een nieuwe politieke
meerderheid te construeren is voor dit kabinet. Dat lijkt mij niet de
gebruikelijke gang van zaken. Om die reden was ik er voorstander van dat wij
eerst een reactie zouden krijgen van de minister-president. Ik ben reuze
benieuwd naar zijn reactie op de mededeling van mevrouw Van der Laan. Ik ben
vooral benieuwd of hij deze reactie zal geven namens het gehele kabinet.”
De
heer Marijnissen: “Ik heb mevrouw Van der Laan al geprezen voor haar moed.
Ik doe het nu voor de tweede en laatste keer. Maar toch. Het begon als een
debat over mevrouw Verdonk en mevrouw Hirsi Ali. Vervolgens ging het debat
gisteren over de VVD. De voorzitter moest uit zijn stoel en de heer Zalm
werd erbij geroepen. De VVD werd onder de loep genomen. Vervolgens werd
nieuws gemaakt doordat D66 het vertrouwen opzegde in minister Verdonk.
Vanmorgen was het kabinet in het nieuws. En nu weer D66 omdat de fractie het
vertrouwen in het kabinet opzegt. Waarschijnlijk kunnen wij dit debat nog
eindeloos voortzetten zonder dat er duidelijke consequenties worden
getrokken.
De tragiek van het verhaal is dat alle fracties
reacties uit het volk ontvangen. De heer Van der Vlies had het daar gisteren
al over. Mensen vragen zich echt af waar dit over gaat. Men verbaast zich er
vooral over dat wij in lange debatten twee dagen en nachten hebben gesproken
over één persoon. Velen in een gelijksoortige positie worden nooit genoemd.
Dan zegt de VVD, zoals gisteren de heer Van Beek tegen mijn collega De Wit,
dat wij hier toch zeker niet over persoonlijke gevallen spreken. Dat hebben
wij wel gedaan, uitvoerig zelfs. Dat heeft bevreemding gewekt. Dat is alvast
een probleem. Het lag op tafel en het moest besproken worden. Ik mag hopen
dat het in het parlement en daarbuiten als een katalysator heeft gefungeerd
met betrekking tot een reflectie op het asielbeleid in Nederland en de
onmenselijke kanten die dat heeft. Je bent er niet met een politiek van
‘regel is regel’ en ‘ik ben niet links, ik ben niet rechts, ik ben
recht door zee’. Dat kan leiden tot levensgevaarlijke consequenties.
Recht door zee is altijd en alleen maar goed voor mensen met oogkleppen.
Vandaag voltrekt zich een nieuwe episode in deze soap. Ik vind werkelijk dat
het nu grotesk wordt. Mevrouw Van der Laan heeft vandaag namens D66 gezegd
dat ‘haar’ bewindslieden de opvattingen steunen die zij gisteren in
de Kamer heeft verwoord. Op basis van de brief van de minister-president
moeten wij concluderen dat dit onjuiste informatie was. Op mijn vraag aan
mevrouw Van der Laan wanneer zij op de hoogte was van het feit dat haar
bewindslieden haar niet zouden volgen, heb ik helaas geen antwoord gekregen.
Er is
een richtingenstrijd binnen D66. Zoals wij allen weten is die al wat langer
manifest. Er is immers een verkiezing geweest voor de lijsttrekker. Deze
heeft erin geresulteerd dat de politiek leider van D66 nu zitting heeft in
het kabinet en niet in de Kamer. Mevrouw Van der Laan heeft het vandaag zelf
ook zo omschreven. Wij hebben dus te maken met twee D66'en. Dat is erg veel,
als je in de peilingen op twee zetels staat. Over de kloof tussen burger en
politiek gesproken, ik geef het mevrouw Van der Laan of de politiek leider
van D66 te doen om dit allemaal uit te leggen. Dit kan echt niet, vind ik.
Maar goed, dit is een kwestie van D66.
Dit geldt echter niet voor de toekomst van dit kabinet. Ik ben
het hartgrondig eens met degenen die zeggen: er zijn verkiezingen geweest,
het kabinet‑Balkenende is geformeerd, er is een programma gekomen en er zijn
bewindslieden gezocht, die zijn aan de slag gegaan en die konden daarbij
rekenen op een "vanzelfsprekende" meerderheid in de volksvertegenwoordiging.
Maar deze meerderheid is de coalitie vandaag ontvallen, bij mededeling van
mevrouw Van der Laan. De conclusie kan dan alleen maar zijn dat er politieke
consequenties zijn, anders moet niemand in de Kamer meer spreken over de
geloofwaardigheid van de politiek of over de kloof tussen burger en
politiek. De minister‑president gaat het na het échec met de LPF onder
Balkenende I met D66 proberen, hoewel die partij voor de verkiezingen had
gezegd dat zij dit nooit zou doen – dit laten wij nu even terzijde – hij
formeert met CDA en VVD een rechts kabinet, er komt een programma en men
gaat aan de slag. En uiteindelijk zegt een van de fracties: u zoekt het maar
uit. Ik laat nu even onbesproken dat er nog twee bewindslieden van D66 in
het kabinet zitten. Dit is niet aan de bevolking uit te leggen, dit moet
consequenties hebben. Hoe de minister‑president er verder staatsrechtelijk
over denkt, vernemen wij zo dadelijk, maar mijn fractie kan niet wachten op
de naderende verkiezingen.”
De
heer Verhagen: “Voorzitter. Het debat dat wij gisteren gevoerd hebben, kende
inderdaad een bizarre ontknoping. Ik vond het al onbegrijpelijk dat een
minister, terwijl zij zich schikt naar de wil van de Kamer door een motie
uit te voeren, geconfronteerd wordt met een motie van wantrouwen. Zo vond ik
het ook onbegrijpelijk dat de fractie van D66, ondanks dat de meerderheid
van de Tweede Kamer het vertrouwen in de minister behield, stelde dat de
minister vervangen moest worden, zoals ik vanmorgen op de televisie hoorde.
Democraten 66 komt nu in een nieuwe versie naar voren als het gaat om
meerderheid en minderheid, maar er is nu inderdaad een nieuw politiek feit:
het intrekken van de steun aan het kabinet door de fractie van D66.
Nu kennen wij in ons staatsrecht niet het beginsel van een
uitgesproken vertrouwen van een Kamermeerderheid in het kabinet, maar het
systeem dat het vertrouwen in het kabinet bestaat zolang een meerderheid van
de Kamer zich daarover niet heeft uitgesproken in een motie van wantrouwen
jegens het kabinet. Als zo'n motie door een meerderheid gesteund wordt,
leidt het tot een demissionaire status van het kabinet en -als er niet
gelijmd wordt- tot verkiezingen. Er is inderdaad wel gesuggereerd, ook door
mevrouw Van der Laan, dat bijvoorbeeld bij een breuk in de coalitie het
gehele kabinet zou moeten aftreden, alsof dit staatsrecht zou zijn. Dit
wordt door staatsrechtsgeleerden betwist. Het tegendeel is zelfs waar, zo
zeggen Prakke en Kortman dat deze stelregel in de constitutionele praktijk
onvoldoende weerklank vindt om als ongeschreven rechtsregel te worden
aanvaard. Zolang er dus geen motie van wantrouwen tegen dit kabinet is
ingediend die kan rekenen op de steun van de meerderheid, is er geen sprake
van noodzaak tot aftreden.
Wel is het relevant wat het kabinet zelf vindt van het intrekken
van de steun door één van de regeringsfracties. Zelf vind ik het op dit
moment veel relevanter welke consequenties minister Pechtold en minister
Brinkhorst verbinden aan het intrekken van de politieke steun door de
D66-fractie. Immers, daarmee is er sprake van een situatie die zich gisteren
niet voordeed, namelijk dat een fractie de politieke steun ten aanzien van
eigen bewindslieden intrekt. Dat richt zich rechtstreeks op de
D66-bewindslieden in dit kabinet. Ik zou dan ook van deze bewindslieden in
ieder geval willen horen welke consequenties zij daaraan verbinden.
Ik ga ervan uit dat de minister-president ingaat op het
intrekken van de politieke steun door de D66-fractie, maar zolang geen
meerderheid in deze Kamer een motie van wantrouwen tegen dit kabinet heeft
gesteund, is er formeel sprake van steun ten aanzien van dit kabinet.
Tegen mevrouw Halsema zeg ik in dit verband dat zij zich niet
ongerust hoeft te maken. De vraag betreffende de consequenties, richting de
D66-ministers in dit kabinet, heeft uiteraard een bedoeling. Als ik zelf op
dat punt onvoldoende vertrouwen heb in bepaalde ministers en als de
CDA-fractie op dat punt onvoldoende vertrouwen heeft in bepaalde ministers,
dan dienen wij daar moties van wantrouwen tegen in. Als wij dat echter niet
doen, dan hebben wij vertrouwen in de bewindslieden. Ik ben echter wel zeer
benieuwd naar de consequenties die zij zelf verbinden aan het intrekken van
de politieke steun door de D66-fractie. Als ik dit antwoord onvoldoende
vind, zal ik daar in tweede termijn op ingaan.”
De
heer Bos: “De heer Verhagen praat over steun, maar mijn vraag is welke
grondslag er nog voor dit kabinet is. Welke grondslag is er nog voor het
functioneren van dit kabinet ten opzichte van dit parlement?”
De heer Verhagen: “Zoals u weet, heeft dit kabinet een
regeerakkoord dat door een meerderheid van de Kamer gesteund werd. Er was
iets heel vreemds aan de hand met de inbreng van de fractievoorzitter van
D66, want enerzijds trok zij de politieke steun aan het kabinet in, maar
anderzijds bleef zij nog steeds het regeerakkoord omarmen. De vraag die dan
relevant is, is in hoeverre voorstellen van dit kabinet kunnen rekenen op de
steun van de meerderheid in deze Kamer. Dit, tenzij de Kamer in meerderheid
uitspreekt, door middel van een motie van wantrouwen, dat zij geen
vertrouwen heeft in het kabinet. Dat staat los van de consequenties die een
kabinet zelf kan verbinden aan het intrekken van de politieke steun door één
van de regeringsfracties.
De heer Bos: “De consequentie van de redenering van de heer
Verhagen is dat vanaf het moment dat een kabinet is aangetreden en het
eerste debat heeft overleefd, het totaal niet meer uitmaakt wat er hier in
het parlement gebeurt en wat politieke partijen die zich in den beginne
verbonden aan een kabinet, daar op een gegeven moment van zeggen. Zolang elk
debat of elke stemming maar overleefd wordt met een willekeurige meerderheid
-het maakt niet uit wie het kabinet steunt-, mag het kabinet door. Dat is
een volstrekt unicum in de Nederlandse parlementaire geschiedenis. Ik zeg
dit niet voor niets, want het kán ook niet. Dat is een minachting van de
verkiezingsuitslag en ik vind het ook op zeer gespannen voet staan met de
rol die het staatshoofd speelt in het proces van de totstandkoming van een
kabinet. Het staatshoofd dringt immers aan op een vruchtbare samenwerking
met de Staten-Generaal en dat wordt ingevuld met een concrete coalitie. Op
het moment dat die coalitie niet meer bestaat, moet u terug naar het
staatshoofd.”
De heer Verhagen: “Nee, waar het hier om gaat, is de
vertrouwensband tussen kabinet en parlement. Dat is wat aan de orde is. Mij
is tot op heden niet gebleken, ondanks het wegvallen van de politieke steun
van de D66-fractie, dat die vertrouwensband tussen parlement en kabinet niet
meer bestaat. Dat is iets wat kan ontstaan gedurende dit debat, maar op dit
moment is er geen sprake van een breuk in de vertrouwensband tussen kabinet
en parlement.”
Het is duidelijk dat Verhagen de kool en de geit wilde sparen. Dat lukt niet
altijd in de politiek. En als hij een scherp analyticus is en er was niets
mis met zijn politieke gevoel, dan had hij deze breuk moeten zien aankomen.
Ook hij had de val van het kabinet kunnen voorkomen, door voor D66-deelname
te kiezen en tegen Verdonk. Daar had hij geen stem minder om gekregen. Nu
heeft hij nog het probleem dat hij zijn brave christelijke achterban moet
uitleggen waarom dit verschrikkelijke wijf van het CDA mocht blijven zitten.
Mevrouw Halsema: “Voorzitter. Ik doe mijn best om creatief met
de heer Verhagen mee te denken. Daar ben ik trouwens nooit te beroerd voor.
Stel dat de Kamer een motie van wantrouwen indient en het kabinet overleeft
de stemming over die motie vanwege de steun van de fractie van de LPF. Dat
betekent dan dat dit kabinet zich voor zijn verdere voortbestaan, voor het
vinden van een draagvlak voor alle beslissingen, voor alle
beleidsinitiatieven en voor het inzetten van een bepaalde beleidrichting,
afhankelijk maakt van de steun van de LPF. Vindt u dat een aanlokkelijk
perspectief?”
De heer Verhagen: “Ik ben het niet met u eens. Wat u zegt is
formeel ook niet juist. Ik wijs erop dat in de afgelopen jaren de
meerderheden in dit parlement van samenstelling wisselden. Nogmaals, formeel
is wat u zegt niet juist.”
Mevrouw Halsema: “Formeel kan dit niet juist zijn, maar in de
praktijk zal blijken dat ik gelijk heb. Dan is de vraag: is dat aanvaardbaar
gelet op de ervaringen met Balkenende I, met de LPF, het CDA en de VVD? Dat
is namelijk uw toekomst. U hebt maar twee opties: of het hele kabinet wordt
demissionair -dat is de variant-Van der Laan- of u verzekert zich van de
gedoogsteun van de LPF.”
De heer Verhagen: “Voorzitter. Wat ik niet wens, is dat er
zonder tussentijdse verkiezingen sprake is van wisseling in de coalitie van
de regering. Dat is de opvatting van mijn fractie. Het kan niet dat er
plotseling een andere coalitie ontstaat zonder dat de kiezer is
geraadpleegd. Dat is iets anders dan wat door mevrouw Van der Laan is
gesuggereerd, namelijk dat er geen vertrouwen meer in dit kabinet zou zijn.
Ik zie mevrouw Halsema met haar hoofd schudden, maar dit is geen spelletje.
Ik kies staatsrechtelijk voor de zuivere vorm. Sinds de kabinetten Cals en
Marijnen -ik meen dat het destijds ook om een omroepkwestie ging- hebben wij
het ongeschreven recht dat er geen wisselingen in de coalitie zijn zonder
tussentijdse verkiezingen. Die regel is zeer terecht. Zolang echter de
meerderheid van het parlement -die meerderheid kan wisselen van
samenstelling -vertrouwen heeft in het kabinet en zijn voorstellen steunt,
is er niet de situatie die door mevrouw Van der Laan is geschetst.”
De heer Rouvoet: “Voorzitter. Ik hoop dat de heer Verhagen het
mij niet euvel duidt als ik zeg dat hij een vrij formele redenering volgt.
Hij zegt dat de fractie van D66 de steun voor het kabinet heeft ingetrokken,
maar dat die fractie volgens zijn waarneming nog steeds het
Hoofdlijnenakkoord omarmt. Ik wijs erop dat er in de tussentijd iets is
gebeurd. Er is een Paasakkoord gesloten en daarmee is de steun van D66
gekocht. Daarmee is de fractie van D66 gepaaid om de samenwerking van drie
fracties in coalitieverband te kunnen voortzetten. Nu heb ik een vraagje dat
voortkomt uit nieuwsgierigheid. Uit de redering van de heer Verhagen begrijp
ik dat de fractie van D66 geen verantwoordelijkheid meer draagt voor het
beleid van het kabinet, maar dat het Paasakkoord nog wel wordt uitgevoerd.
Met dat akkoord is D66 een cadeautje gegeven. Ik meen dat de publieke
omroepen graag willen weten of zij dit goed begrepen hebben. Wordt het
Paasakkoord dus gewoon uitgevoerd? D66 krijgt wat met het akkoord is bepaald
zonder dat het verder verantwoordelijkheid draagt voor het beleid van dit
kabinet. Meent u dat serieus?”
De heer Verhagen: “Ik vind dat er eerst bij monde van de
minister-president een reactie van het kabinet op dit nieuwe politieke feit
moet komen. Om die reactie heb ik in eerste termijn gevraagd. De
minister-president heeft aangegeven dat hij eerst dit debat wil voortzetten.
Hij wil namelijk horen wat de verhoudingen in het parlement zijn. Dat heeft
onder andere te maken met de vertrouwensband. Dit is één element. Dan is er
nog het andere.
Ook wij willen de voorstellen van het kabinet op hun merites
beoordelen. Dat wij enthousiast of minder enthousiast zijn over bepaalde
voorstellen, moge tijdens het debat blijken.”
De heer Rouvoet: “Ik vroeg dit omdat u net een formele
redenering volgde en zei: er is een mogelijkheid van meerderheden die een
kabinet kunnen steunen. De feitelijke grondslag, te vinden in het
Hoofdlijnenakkoord-plus, ofte wel gewijzigd door het Paasakkoord, is aan
deze samenwerking komen te ontvallen. Dat is niet irrelevant, omdat het iets
zegt over de mogelijkheden van een vruchtbare samenwerking van een kabinet
met het parlement.”
De heer Verhagen: “Ook dat heeft te maken met de vraag, welke
consequenties de D66-ministers verbinden aan de opstelling van hun fractie,
en welke voorstellen er dan naar het kabinet zullen komen.”
De heer Marijnissen: “Ik heb een vraag die daarbij aansluit. Wij
kennen allemaal de goedgeefsheid van de heer Verhagen en het CDA in het
algemeen, en dat geldt ook voor het sociale karakter en de bereidheid om te
delen. Dat geldt programmapunten, maar het geldt ook twee ministersposten en
een staatssecretariaat. Kan het zo zijn dat u zegt: blijft u gewoon zitten
in de coalitie? Met andere woorden: u vroeg aan de ministers van D66-huize
die nu nog in het kabinet zitten wat zijzelf van de ontstane situatie
vinden, maar wat vindt u ervan?”
De heer Verhagen: “Ik kan mij niet voorstellen dat deze beide
bewindslieden in het kabinet blijven zitten zonder het hebben van politieke
steun van de D66-fractie.”
De heer Van der Vlies: “Dan is de heel praktische vraag: wilt u
dan zelf met de gereduceerde coalitie verder?"
De heer Verhagen: “Zullen wij eerst de reactie van het kabinet
afwachten, voordat wij op dit soort vragen verder ingaan? Ik doe dat niet in
dit stadium.”
De heer Van der Vlies: “Het is wel een relevante vraag.”
De heer Verhagen: “Alle vragen zijn relevant! Wij moeten de
zaken in de goede volgorde der dingen afwikkelen. Voordat ik hierop een
antwoord kan geven, wil ik eerst een reactie van het kabinet daarop hebben.”
De heer Van der Vlies: “Ik houd er ook van de dingen in de goede
volgorde te zetten.”
De heer Bos: “Nog een feitelijke vraag, om zeker te zijn dat ik
de heer Verhagen goed heb begrepen. Hij zei net dat een coalitiewisseling
niet tot stand dient te komen zonder verkiezingen. Dat heb ik goed
begrepen.”
De heer Verhagen: “Ik sprak over een andere samenstelling van
die coalitie, waarbij ik heb verwezen naar Cals en Marijnen: in één
parlementaire periode, zonder dat er verkiezingen plaatsvonden, kwam een
kabinet tot stand van KVP, VVD en PvdA. Als er een coalitie komt die niet
meer bestaat uit CDA en VVD, maar CDA en PvdA, zou dat niet kunnen dan na
verkiezingen.”
De heer Bos: “Ik ben blij dat u het hart op de tong draagt. Maar
mijn vraag gaat natuurlijk over een andere coalitie. Vindt u dat een
coalitie van CDA en VVD een andere is dan de huidige coalitie van CDA, VVD
en D66?”
De heer Verhagen: “CDA, VVD en LPF wel.”
De heer Bos: “U zegt hiermee dat een minderheidscoalitie van CDA
en VVD wat u betreft geen andere coalitie is dan een van CDA, VVD en D66.”
De heer Verhagen: “Ja, binnen de staatsrechtelijke tradities
zoals wij die kennen.”
Even eerder zei de heer Verhagen, ik citeer hier letterlijk:
‘Het kan niet dat er plotseling een andere coalitie ontstaat zonder dat de
kiezer is geraadpleegd.’ Een coalitie van CDA, VVD en D66 is toch een
andere dan die van CDA en VVD!?
De heer Bos: “Daarmee zegt u dat D66 in uw ogen helemaal niets
voorstelt, dat het dumpen van D66….”
De heer Verhagen: “Dit is bijna uitlokking.”
De heer Bos: “Ik probeer voor iedereen die dit debat volgt
inzichtelijk te maken wat u zegt. U vindt het ook dat in het kader van hoe
wij omgaan met democratie, met verkiezingsuitslagen en opdrachten die het
staatshoofd heeft verschaft over kabinetten die moeten kunnen rekenen op
samenwerking met een meerderheid in de Staten-Generaal, volstrekt irrelevant
of een coalitie die het kabinet steunt op een minderheid kan steunen, of op
een meerderheid.”
De heer Verhagen: “Ik baseer mij in dezen op het staatsrecht
zoals dat is geformuleerd, en zoals dat door staatsrechtdeskundigen wordt
uitgelegd. Maar ook hier geldt dat het kabinet zelf allereerst een oordeel
moet uitspreken over het ontvallen van de politieke steun van één van de
regeringsfracties.”
De heer Bos: “De heer Verhagen moet kraakhelder zijn. Als hij
zegt dat een wisseling van coalitie niet kan zonder tussentijdse
verkiezingen, maar hij wel een uitzondering wenst te maken voor die ene
variant waarin hij met zijn partij op het pluche kan blijven, verliest hij
elke geloofwaardigheid.”
De heer Verhagen: “Dat is een volstrekt foutieve weergave van de
inbreng die ik hier heb geleverd. Dat is absoluut niet het geval. Als de
heer Bos lef heeft, dient hij een motie van wantrouwen in. Dan kan hij dat
meteen testen.”
De voorzitter: “Ik geef het woord aan de heer Rutte, die zijn
maidenspeech houdt.”
De heer Rutte: “Voorzitter. Ik zie af van het gebruik om niet te
worden geïnterrumpeerd. Ik dank de regering voor het snel aanleveren van de
gevraagde verklaring. Voor mijn fractie heeft steeds voorop gestaan dat het
ondenkbaar was dat de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, Rita
Verdonk, sneuvelde. Zij heeft immers niets anders gedaan dan tegemoetkomen
aan de wens van de Kamer. In het verlengde daarvan merk ik op dat het
ondenkbaar was dat haar takenpakket veranderde. Wij hebben dat steeds
duidelijk gemaakt en ik ben gelukkig met de kabinetsverklaring. Daaruit
blijkt namelijk dat het kabinet unaniem van mening is dat het in deze
samenstelling en dus ook met deze portefeuilleverdeling moet doorgaan.
Er zijn enkele relevante vragen om te stellen. In de eerste
plaats ga ik in op de staatsrechtelijke situatie. In mijn fractie geldt al
enige tijd de regel dat fractieleden zich bij twijfel over staatsrechtelijke
aangelegenheden richten tot de heer Van der Vlies van de SGP-fractie. Ik
wijs erop dat die regel uitsluitend geldt voor staatsrechtelijke
aangelegenheden. Ook in dit geval is de vraag van belang of dit kabinet kan
rekenen op voldoende steun van de Kamerfracties. Het moet overigens eerst
voor zichzelf bepalen of het wil doorgaan in de samenstelling die zich lijkt
aan te dienen. Ik ben van mening dat het merkwaardig zou zijn als de
ministers van D66 deel bleven uitmaken van de regering. De Kamerfractie van
D66 heeft haar steun aan de regering immers ingetrokken. Ik nodig de
ministers van D66 dan ook uit om zelf hun mening op dat punt kenbaar te
maken.
Mijn tweede en laatste vraag in dit debat is hoe wij verder
moeten gaan met een diep verscheurde D66-fractie. Wij constateren dat
ministers afstand nemen van de eigen fractie. Kan oud-collega Pechtold
uitleggen wat er gisterenavond is gebeurd? Hoe zat het met de regie achter
de schermen van de fractie van D66? De heer Pechtold is immers lijsttrekker
van die partij en nu zit hij in vak K met die unanieme verklaring van het
kabinet, terwijl zijn Kamerfractie inmiddels de steun aan de regering heeft
ingetrokken. Het is allemaal tot je dienst, maar de vraag is hoe een kabinet
met een belangrijke hervormingsagenda onder deze omstandigheden moet en zal
doorfunctioneren. Er ligt belangrijke wetgeving voor en er liggen
belangrijke maatregelen te wachten om ingevoerd te worden. Zaken met
betrekking tot wet- en regelgeving moeten worden afgerond en het nut in de
samenleving bewijzen. Ik hoop van harte dat wij uit de beantwoording kunnen
opmaken dat er met deze belangrijke thema's geen politiek is bedreven.”
De
voorzitter: “Ik vermoed dat minister Pechtold in staat zal zijn om de vragen
van de heer Rutte in zijn hoedanigheid van minister te beantwoorden. Hij is
nu immers niet vertegenwoordigd als lijsttrekker.”
De heer Wilders: “Voorzitter. De fractie van D66 trekt de
stekker uit het kabinet. Zij doet dat na een debat dat van gisterenavond tot
vanmorgen heeft geduurd en dat inderdaad te triest voor woorden was. Geen
burger zal daarvan iets begrijpen. Veel mensen beschouwen dat debat als een
grote poppenkast.
Helder is dat er een einde is gekomen aan de
drie-partijencoalitie van CDA, VVD en D66. Helder is ook dat er na het debat
van gisteren en vandaag grote schade is berokkend aan het beeld van de
politiek in het algemeen bij de burgers in dit land. Helder is dat de
coalitie van de drie partijen die ik net noemde niet meer op steun van
diezelfde drie regeringspartijen kan rekenen. Staatsrechtelijk mag het dan
zo zijn dat er andere meerderheden kunnen ontstaan, maar het zou toch
volstrekt onwenselijk zijn als er even op een namiddag van stuivertje wordt
gewisseld als het gaat om de parlementaire steun in de Kamer.
Het kabinet en de coalitiepartijen moeten niet angstvallig vast
willen houden aan de macht. Zij moeten niet te formalistisch of te
staatsrechtelijk omgaan met wat er hier is gebeurd. De heer Verhagen heeft
het over gedoogsteun van een andere fractie en over een eis van een motie
van wantrouwen. Daarmee lijkt hij een beetje op de man wiens auto total
loss is gereden maar die toch nog enthousiast nieuwe banden gaat kopen.”
De heer Verhagen: “Ik kan mij voorstellen dat u nieuwe banden
onder uw auto wilt als u wegscheurt. Los daarvan maak ik formeel bezwaar
tegen het feit dat u suggereert dat ik hier over gedoogsteun heb gesproken.
Ik heb niet gesproken over gedoogsteun. Ik heb gezegd dat er geen
vertrouwensbreuk is tussen kabinet en parlement indien er geen meerderheid
is die een motie van wantrouwen steunt. Ik heb het woord ‘gedoogsteun’
niet in de mond genomen. Dat zijn uw woorden. Die moet u mij niet in de mond
leggen.”
De heer Wilders: “Weer eenzelfde formalistische benadering van
de heer Verhagen. Hij bedoelt natuurlijk -en dat heeft hij net ook
aangegeven- dat een coalitie van CDA en VVD met steun hier in de Kamer van
de LPF verder zou kunnen gaan. Dat is een formalistische benadering na wat
er is gebeurd. Het is een benadering die niet klopt en die niet anders dan
ingegeven kan zijn door angst voor de kiezer. Dat is begrijpelijk. Wat er de
afgelopen dagen is gebeurd, zal zeker niet beloond worden door de kiezer,
maar het is nu eenmaal zo dat de drie coalitiepartijen als team in het
kabinet hebben gefaald. Dat moet de heer Verhagen dan ook aan de kiezer
durven voorleggen. Dan moet hij niet schielijk naar andere mogelijkheden
zoeken om toch maar op dat pluche te blijven zitten. Voorzitter. Mijn
conclusie is dat dit kabinet, als het lef heeft en als het echt wil dat de
geloofwaardigheid van de politiek wordt hersteld, de kiezer moet laten
oordelen. Hoe eerder die verkiezingen komen, hoe beter.”
De heer Nawijn: “Mijnheer de voorzitter. Ik denk dat de wereld
na het debat van gisteravond en vannacht een beetje op zijn kop staat. Wat
is het geval? Een minister voert een motie uit op basis van een verzoek van
een grote meerderheid van deze Kamer. Zij doet dat en krijgt daarna een
motie van afkeuring. Die motie wordt niet aangenomen. Dat betekent terecht
dat die minister rustig kan blijven zitten. Dat betekent ook voortgang van
het kabinet. Zo ligt dat als je staatsrechtelijk steun krijgt. Wat dat
betreft ben ik het volstrekt eens met wat de heer Verhagen vandaag gezegd
heeft. Volgens het staatsrecht steunt het kabinet op een meerderheid van de
Kamer.
Staatsrechtelijk is dat zo en dat moet ook altijd zo blijven.
Dat staat in de Grondwet. Dat de fractie van D66 haar steun aan de coalitie
onttrekt, is een politiek probleem, maar dat hoeft geen staatsrechtelijk
probleem te zijn, want een kabinet steunt volgens de Grondwet op een
meerderheid van het parlement.
Hoe nu verder? Dat is een moeilijke zaak. Ik steun hetgeen de
heren Verhagen en Rutte hebben gezegd, namelijk dat de positie van de
D66-ministers nu wel erg ongeloofwaardig wordt. Zij hebben geen steun meer
van de eigen fractie. Ook het kabinet heeft geen steun meer van de
D66-fractie. Dat is heel erg vreemd. Ik verneem dan ook graag wat de
bewindslieden van D66 zelf vinden van hun positie in dit kabinet zonder de
steun van de eigen fractie. Als een motie van wantrouwen tegen beide
bewindslieden wordt aangenomen, meen ik dat zij daaruit beter de conclusie
kunnen trekken dat zij uit het kabinet moeten treden. Wordt echter een motie
van wantrouwen tegen het kabinet ingediend maar door een meerderheid in de
Kamer niet gesteund, dan is het naar mijn mening terecht als het kabinet
gewoon blijft zitten.”
De vergadering
wordt van 18.00 uur tot 19.30 uur geschorst. Om half acht wordt deze hervat
met minister Brinkhorst die het woord krijgt.
Minister Brinkhorst: “Mijnheer de voorzitter. Ik wil graag de
volgende verklaring afleggen, mede namens collega Pechtold, rechts naast
mij, en de afwezige staatssecretaris, mevrouw Medy van der Laan, die vanwege
een dienstreis in Jakarta is.
Door de Kamer is ons gevraagd, de positie toe te
lichten die wij vanmiddag in de ministerraad hebben ingenomen en die is
verwoord in de brief van de minister-president van vandaag. Ons antwoord
daarop is dat er in het debat van afgelopen nacht een motie van afkeuring is
verworpen die was gericht tegen minister Verdonk. Dat feit was voor ons geen
aanleiding, de samenwerking in het kabinet te beëindigen. Dat was een
afweging van onze appreciatie van het gebeurde tijdens het nachtelijk debat
met mevrouw Verdonk en het belang van voortzetting van het kabinet.
Vanmiddag is in deze Kamer een nieuw politiek feit gebleken,
namelijk het opzeggen van het vertrouwen in het kabinet als geheel door de
fractie van D66. Het is ons oordeel dat het staatsrechtelijk gebruik vereist
dat wanneer een fractie waarop het kabinet steunt, deze steun opzegt, de
bewindslieden van die kleur hun ontslag aanbieden. Dat is naar ons oordeel
geboden, omdat de politieke grondslag is ontvallen aan de coalitie. Dat is
naar onze mening de staatsrechtelijke norm die breed in Nederland wordt
gedeeld. Deze positionering is geheel in overeenstemming met datgene wat de
fractievoorzitter van D66 hedenmiddag in de Kamer heeft verklaard.
Het spijt ons bijzonder dat wij helaas de broodnodige
hervormingsagenda van Nederland niet kunnen afmaken, maar wat het zwaarst
is, moet het zwaarst wegen. D66 en de D66-bewindslieden konden niet langer
verantwoordelijkheid dragen voor het beleid van deze minister voor
Vreemdelingenzaken en Integratie. Ik dank u voor uw aandacht.”
Chapeau zou je zeggen! Maar er is een eigenaardigheid in het verhaal van
minister Brinkhorst, die de geloofwaardigheid ervan onderuit haalt. Op het
moment dat de D66-fractie een motie van wantrouwen aan minister Verdonk
steunt, is er wat de D66-bewindslieden betreft niets aan de hand. In zijn
voorlaatste zin zegt Brinkhorst dat ze hun vingers van Verdonk aftrekken
nadat de D66-fractie de steun aan het kabinet opzegde. Dat is dus de reden
voor hun opstappen en niet de gelegenheidsredenering dat ze nu opeens -een
paar uur na de verworpen motie- niet langer meer verantwoordelijkheid voor
het beleid van minister Verdonk konden dragen.
Minister Balkenende: “Voorzitter. Over het debat van vannacht en
vanmiddag is veel te zeggen. Wij kunnen er lange beschouwingen aan wijden,
maar ik geloof dat de conclusie helder is. De samenwerking waarop een
coalitie berust, is plotseling heel anders komen te liggen. Dat heb ik
vanmiddag moeten constateren. Dat betekent dat ik mijn bijdrage aan deze
termijn wil laten bestaan uit het afleggen van de volgende verklaring, op
basis van het overleg dat wij hebben gehad in de ministerraad.
In het debat in de Tweede Kamer op 28 en 29 juni over de
nationaliteit van mevrouw Hirsi Ali is een motie van afkeuring ten aanzien
van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie ingediend, die mede
werd gesteund door de fractie van D66. De fractievoorzitter van D66
verklaarde hierbij niet uit te zijn op een kabinetscrisis, maar af te
wachten of gekozen zou worden voor vertrek van deze minister of voor het
voortbestaan van het kabinet als geheel. Deze motie werd verworpen.
Het kabinet heeft de Tweede Kamer in zijn brief van heden
meegedeeld geen gevolgen te verbinden aan de verworpen motie. Ik heb
hierover namens het kabinet een verklaring afgelegd in de Kamer. Vervolgens
heeft de fractievoorzitter van D66 namens haar fractie verklaard, de
politieke steun voor het kabinet op te zeggen. Andere fractievoorzitters
hebben eveneens het woord gevoerd.
Hierna is de ministerraad vandaag opnieuw
bijeengekomen om zich te beraden op de ontstane situatie. De ministers van
D66-huize gaven aan dat zij zelf in elk geval politiek gevolg moesten
verbinden aan de opzegging van de steun van de D66-fractie. De ministers van
CDA- en VVD-huize kunnen volstaan met de terbeschikkingstelling van hun
portefeuilles en ambten, gelet op de standpunten van respectievelijk de
fractievoorzitters van de CDA-fractie en de VVD-fractie in de Tweede Kamer.
Dit heeft ertoe geleid dat beide ministers en de staatssecretaris van
D66-huize na rijp beraad aanleiding hebben gezien, Hare Majesteit de
Koningin hun ontslag aan te bieden. De overige ministers en
staatssecretarissen hebben in het voorgaande aanleiding gevonden, hun
portefeuille of ambt respectievelijk functie ter beschikking van Hare
Majesteit de Koningin te stellen. Dit geldt ook voor mij als
minister-president. Dat zal zo mogelijk morgen gebeuren. Zo spoedig mogelijk
daarna zal Hare Majesteit de Koningin de gebruikelijke consultaties met
vaste adviseurs en fractievoorzitters aanvangen. Dan zal ook het verdere
proces kunnen worden bezien en kan ook de voorbereiding ter hand worden
genomen van vervroegde verkiezingen. Voorzitter. Ik wil het bij deze
verklaring laten.”
Tegen
kwart voor negen wordt de beraadslaging gesloten.
Naar boven)
|