
























|
De
Musketiers worden verhoord
Dan is in het verloop van dit proces het moment gekomen dat er een aantal
mensen door de kamer verhoord gaan worden. Precies zoals dat op 16 mei de
heer Van Beek gebeurde. Alleen nu kan elke woordvoerder aan dit ritueel
meedoen. De eerste die op het rooster staat is Kamervoorzitter Weisglas,
later op de avond gevolgd door de minister van Financiën, die er echt een
hele act van wil gaan maken. Het gaat er om te achterhalen wat er precies op
maandag 15 mei tussen Verdonk en de VVD-kopstukken Kamervoorzitter Weisglas,
Minister Zalm en fractievoorzitter Van Beek precies besproken is. Wouter Bos
gaat nu de voorzitter voorstellen om even van rol te wisselen, zodat met het
verhoor een aanvang kan worden genomen.
De heer Bos: “Dan richt ik mij nu tot u, mijnheer de
voorzitter. Het lijkt mij fair dat ik u als Kamervoorzitter vraag om te
zeggen wat u wilt zeggen over het gesprek dat u die avond met minister
Verdonk had.”
De voorzitter: “Uiteraard. Ik denk echter dat het correct is dat
ik antwoord geef aan het einde van de termijn van de minister. Anders gaan
dingen door elkaar lopen.”
De heer Bos: “Het lijkt mij voor de voortgang van het debat goed
als wij de fase van het debat over dit specifieke punt nu afronden. Alles
wat wij hierna zeggen, zal immers mede geënt zijn op wat wij in eerdere
fases van het debat hebben gehoord. Ik verzoek u dus nu uw mededeling te
doen.”
Tot dusver dacht ik dat het horen van de Kamervoorzitter over
datgene wat op maandag 15 mei op de kamer van de minister besproken is, een
natuurlijke zaak was die uit het verloop van het Kamerdebat geboren is. Maar
ik zie nu dat mijnheer Weisglas een paar A4-tjes tevoorschijn haalt en een
verhaal van een paar minuten gaat afsteken. Hij kondigt zelfs de daarvoor
benodigde tijd aan. Dit is dus een politiek opzetje tussen Bos en de
Kamervoorzitter.
De voorzitter: “Ik wil vanaf deze plaats de vraag beantwoorden,
met verontschuldigingen aan de minister dat de Kamervoorzitter opeens een
andere rol aanneemt. Dat zal twee tot drie minuten kosten. Als u of een van
de andere leden mij daarover iets willen vragen, zal ik de eerste
ondervoorzitter vragen om dat deel van de vergadering voor te zitten. Ik zal
de vragen dan vanaf deze plaats beantwoorden. Misschien is dat niet nodig.
Ik wil mij ervan vergewissen dat de gehele Kamer met deze nogal
uitzonderlijke procedure akkoord gaat.”
Aldus wordt
besloten.
De heer Weisglas: “Mijn antwoord is als volgt. Op maandag 15
mei, de laatste dag van het meireces, was ik tot in de middag in het
buitenland. Daar had minister Verdonk mij telefonisch uitgenodigd om die
dag, maandag 15 mei, om half zeven op haar departement te komen om te
vernemen wat haar standpunt was over de nationaliteit van mevrouw Hirsi Ali.
Ook fractievoorzitter Van Beek zou daarbij zijn. Tot mijn verbazing bleek
ook minister Zalm aanwezig te zijn. Tot de dag van vandaag weet ik niet in
welke hoedanigheid, vice-premier of VVD-politicus, minister Zalm daar was.
Minister Verdonk informeerde ons over haar standpunt dat vooralsnog moest
worden aangenomen dat mevrouw Hirsi Ali geacht wordt het Nederlanderschap
niet te hebben verkregen. Zo is het letterlijk verwoord in de antwoorden op
de vragen van de heer Nawijn. In het gesprek bleek dat dit het definitieve
standpunt van de minister was en dat de minister niet van plan was om nader
onderzoek te doen. Aan de orde kwam dat dit standpunt, het definitieve
standpunt van de minister, geformuleerd naar aanleiding van vragen van de
heer Nawijn, wellicht pas op een later moment naar de Kamer zou worden
gezonden. Dat was overigens niet de wens van de minister om dat te doen. Ik
heb toen gezegd dat, waar sprake was van een afgerond standpunt naar
aanleiding van Kamervragen en waar de Kamervoorzitter, ik dus, op dat moment
kennis van droeg na de mededeling van de minister, het niet zo kan zijn dat
deze antwoorden, om welke reden dan ook, in de la zouden verdwijnen en niet
meteen aan de overige 149 Kamerleden bekend zouden worden gemaakt. Als
Kamervoorzitter, de enige positie waarin ik bij het overleg aanwezig was,
heb ik de minister gezegd dat de Kamer meteen diende te worden geďnformeerd
over haar afgeronde standpunt over de nationaliteit van een Kamerlid, zodat
de Kamer daar desgewenst zelf nadere actie op kon nemen. De minister heeft
de antwoorden die avond naar de Kamer gezonden. De dag daarna volgde het
Kamerdebat. Dat is mijn antwoord op de vraag van de heer Bos.”
De heer Bos: “Ik heb de volgende vraag aan de heer Weisglas.
Uit de woorden van de minister meende ik te moeten begrijpen dat haar
interpretatie van het gesprek met u was dat mede op uw verzoek zo weinig
tijd is genomen voor het bereiken van een conclusie en vervolgens een brief
te versturen naar mevrouw Hirsi Ali; daarom werd de zaak op de vijftiende
naar buiten gebracht. Ik meen ú echter te hebben horen zeggen dat u in dat
gesprek reeds werd medegedeeld dat ze klaar was, dat er geen reden was voor
verder onderzoek en dat uw suggestie om de zaak naar buiten te brengen, geen
reden voor haar kan zijn geweest om geen verder onderzoek te doen, dan wel
het tijdsbestek dat het onderzoek reeds in beslag had, zo kort te houden.”
De heer Weisglas: “Als de minister in dat gesprek had gezegd dat
zij nader onderzoek wilde doen, dus dat het standpunt niet was afgerond, had
ik natuurlijk aan de minister gezegd dat het niet aan mij is om daar enig
oordeel over te hebben. Mijn antwoord zou verder zijn geweest: gaat uw gang
met uw nader onderzoek, de Kamer merkt wel wanneer de antwoorden komen, mits
binnen de termijn van drie weken, zonodig zes weken.
Ik wil niet voor anderen spreken. Aan mij, als
Kamervoorzitter, werd een afgerond standpunt gepresenteerd. Dat standpunt
stond in de antwoorden naar aanleiding van de vragen van de heer Nawijn. Op
dat moment kon ik absoluut niet weten hoe de Kamer zou reageren; dat bleek
uiteraard pas in het debat. Ik vond echter dat ik over een dergelijke zaak
geen enkel inhoudelijk oordeel mocht geven en slechts kon aandringen op het
aan de Kamer zenden van het afgeronde standpunt, omdat ik niet als enig
Kamerlid dat standpunt wilde dragen.”
De heer Bos: “Kortom, u accepteert geen enkele
verantwoordelijkheid voor het feit dat het onderzoek dat heeft geleid tot de
brief van 15 mei, zo kort heeft geduurd.”
De heer Weisglas: “Daarvoor accepteer ik geen enkele
verantwoordelijkheid.”
De heer Verhagen: “Is uw stellingname dat de brief onverwijld
naar de Kamer moest worden gestuurd, op dat moment ook bekendgemaakt aan de
heer Zalm en de fractievoorzitter van de VVD?”
De heer Weisglas: “Ja, want die zaten daarbij. Ik hecht zeer aan
volledige openheid. In het Presidium van de Kamer heb ik uiteraard dezelfde
openheid gegeven. We zaten in de kamer van de minister, met de minister, met
de heer Zalm, in welke hoedanigheid ook, met de fractievoorzitter van de VVD
en mijzelf. In dat gesprek werd dit naar voren gebracht.“
De heer Verhagen: “De conclusie dat die brief die dag daarna
naar de Kamer zou worden gestuurd...”
De heer Weisglas: "’Zo spoedig mogelijk’, heb ik gezegd.
Of nee, ‘op zeer korte termijn’".
De heer Verhagen: “Die conclusie is getrokken in
aanwezigheid van het gezelschap dat u net beschreef?”
De heer Weisglas:” Ik heb mijn mening gegeven. Ik vind niet dat
ik de vrijheid heb om te zeggen hoe de minister of de fractievoorzitter van
de VVD of de heer Zalm daarop hebben gereageerd; dat moet u toch echt aan
henzelf vragen. De heer Zalm is hier niet aanwezig, dus dat kan niet.”
De heer Verhagen: “Is het in uw gedachten opgekomen dat het voor
een Kamerlid, voor wie het zoveel consequenties zou hebben als dit in de
publiciteit kwam, wellicht handig zou zijn geweest om eerst zelf de
gelegenheid te hebben om een weerwoord te geven, voordat de brief via de
Kamer in de openbaarheid zou komen? Zo had zij zich kunnen verweren voordat
de politieke consequenties manifest werden.”
De heer Weisglas: “Dat is in mijn gedachten opgekomen. De
minister deed echter de overduidelijke mededeling dat hetgeen ze ons
vertelde, haar standpunt was. Ik heb gezegd dat het naar de Kamer moest.
Maar ik herhaal mezelf. Ik begrijp uw vraag: is het in mijn gedachten
opgekomen dat mevrouw Hirsi Ali zelf een weerwoord zou moeten geven? Mevrouw
Hirsi Ali is eerder geďnformeerd. Maar u brengt mij in de positie dat ik
vragen moet beantwoorden die de minister moet beantwoorden. Mevrouw Hirsi
Ali is eerder geďnformeerd dan de Kamer.”
De heer Verhagen: “”Ja, maar het verschil is dat zij de dag erna
geen andere conclusie kon trekken dan haar lidmaatschap neer te leggen. Als
zij een brief had gekregen van de minister waarin stond ‘dit is mijn
conclusie, u krijgt zes weken de tijd om een verweerschrift te krijgen en
dan zien wij wel’, dan was de situatie heel anders geweest. Dan hadden
wij dit debat en het debat van 16 mei niet hoeven te voeren. Die hele
poppenkast had dan niet plaatsgevonden. Dat is een element dat ik betreur en
dat u in uw overwegingen had moeten betrekken. Die verantwoordelijkheid
heeft u als voorzitter van de Kamer ook."
Wat dit punt betreft, de verantwoordelijkheid van de
Kamervoorzitter met betrekking tot het op dat moment doorsturen van
Kamervragen met antwoorden, deel ik geheel de opvatting van Verhagen.
Daarachter kan de Kamervoorzitter zich niet verschuilen hoe graag hij dat
zou willen.
De heer Weisglas: “U schuift mij verantwoordelijkheden in de
schoenen die ik absoluut niet heb. De minister had een standpunt ingenomen
dat op dat moment definitief was. In het debat dat de dag erna plaatsvond,
was dat nog steeds haar definitieve standpunt. Uw motie was nodig om dat
standpunt te veranderen. Het is niet aan de Kamervoorzitter om ermee akkoord
te gaan, het standpunt van de minister, dat concreet op tafel ligt in de
vorm van antwoorden op Kamervragen, in de la te leggen. Dat was de situatie.
Er werd mij geen opening geboden om het standpunt van de minister te
veranderen en dat is ook niet de rol die ik moet spelen. Ik weet ook niet
wat de opvatting van de Kamer op een dergelijk moment is. Een woordvoerder
van een grote fractie zat op dat moment volkomen op de lijn van de minister
in de publiciteit. Ik kan toch niet het standpunt van de Kamer raden?”
De heer Rouvoet: “Ik wil de heer Weisglas twee vragen stellen.
Allereerst zegt hij dat het hem tot op de dag van vandaag onduidelijk is in
welke hoedanigheid vice-premier bij dat gesprek aanwezig was. Dat intrigeert
mij, hoewel het wellicht een detail lijkt. Heeft hij niet ter plekke
daarnaar gevraagd, ook om onduidelijkheid over zijn eigen aanwezigheid te
voorkomen?”
De heer Weisglas: “Ik heb dat niet gevraagd. Ik had dat beter
wel kunnen vragen. Ik zal een stap verder zetten en herhalen wat ik in het
Presidium heb gezegd. U hebt zelf gezegd dat achteraf praten gemakkelijk is.
Als ik terugkijk op die avond, dan had ik beter niet in het bijzijn van de
heer Zalm, in welke hoedanigheid dan ook -het gaat uiteraard niet om de
persoon van de heer Zalm- dat overleg moeten voeren. Ik heb eigenlijk niet
eens overleg gevoerd. Ik had die informatie niet in zijn hoedanigheid aan
mij moeten laten presenteren. Het is een ander verhaal als ik daar alleen
met de voorzitter van de fractie van het betrokken Kamerlid daar zit. Als
mevrouw Hirsi Ali lid was geweest van een andere fractie, dan had ik daar
gezeten met een andere fractievoorzitter."
De heer Rouvoet: “Dat is een helder antwoord. Ik ben het hiermee
eens en dit is voor mij afdoende. Mijn tweede vraag luidt als volgt. U zei
dat het u duidelijk was geworden dat minister Verdonk niet van plan was om
nader onderzoek te doen. Het is voor mij relevant om te horen of u verteld
is, of de indruk is gegeven, dat de constatering van de minister louter was
gebaseerd op de mededelingen van mevrouw Hirsi Ali in Zembla. Of is u
geworden dat in de tussentijd wel degelijk een vorm van onderzoek had
plaatsgevonden dat tot dat vastomlijnde besluit had geleid?”
De heer Weisglas: “De minister heeft mij verteld dat tussen
zaterdag en maandag een onderzoek binnen haar departement was uitgevoerd.
Dat onderzoek is toegelicht door drie aanwezige ambtenaren van de minister.
Het standpunt van de minister is in dat gesprek door drie ambtenaren van de
minister, uiteraard onder verantwoordelijkheid van de minister, toegelicht.”
De heer Rouvoet: “Er was in de tussenliggende dagen onderzoek
uitgevoerd, dat had geleid tot dat vastomlijnde standpunt, die constatering,
en de minister was niet van plan om nader onderzoek uit te voeren.”
De heer Weisglas: “Ja, en om die reden ben ik als
Kamervoorzitter niet getreden in de inhoud van het onderzoek. Ik vind dat
dat absoluut buiten de bevoegdheid van een Kamervoorzitter ligt.”
De heer Rouvoet: “Ik had deze informatie nodig voor de vragen
die ik straks aan de minister wil stellen.”
Mevrouw Van der Laan: “Ik kan mij voorstellen dat voorzitter
Weisglas de uitspraken van minister Verdonk zowel op 16 mei als vandaag heel
goed gewogen heeft. Kan hij precies aangeven op welk punt het relaas van
mevrouw Verdonk verschilt met zijn interpretatie van die bijeenkomst?”
De heer Weisglas: “Nee, nu vraagt mevrouw Van der Laan mij toch
echt te veel. Het zou niet correct zijn ten opzichte van de minister om
daarop te antwoorden. Eerlijk gezegd, is het ook niet correct ten opzichte
van mij om dit van mij te vragen. Dat zou ik alleen kunnen doen wanneer ik
de Handelingen van het debat van 15 mei en de Handelingen van het debat van
vandaag tot nu toe zorgvuldig zou bestuderen. Dat vind ik niet mijn taak.
Het is als Kamervoorzitter buitengewoon vervelend om dit tegen een Kamerlid
te zeggen: ik kan deze vraag in alle oprechtheid niet beantwoorden.”
De heer Nawijn: “De heer Weisglas zegt dat hij in dit gesprek
heeft gehoord van minister Verdonk dat het onderzoek was afgerond en dat zij
de antwoorden naar de Kamer wilde zenden. De heer Van Beek en de heer Zalm
waren bij dat gesprek aanwezig. Wat was hun reactie op de mededeling van de
minister?”
De heer Weisglas: “Dat zou ik kunnen zeggen, maar het is niet
correct om dat te doen. De Kamer is uiteraard in de gelegenheid om dat aan
de heer Van Beek zelf te vragen. En als ik even treedt in de positie die ik
zodadelijk weer inneem, maak ik een procedurele opmerking: de Kamer is ook
in de gelegenheid om minister Zalm hierheen te laten komen. Ik zou er
eigenlijk wel aan hechten als de Kamer dat deed.”
De heer Nawijn: “Dat lijkt mij goed.”
Vanwaar toch dit naar een drama uitgroeiend theaterstuk. Het
loopt mij te geregisseerd, maar ik kan er nog geen vat op krijgen. Er klopt
iets niet. Eerst wordt de Kamervoorzitter als getuige-deskundige verhoord
–we kennen dit fenomeen al vanaf de 16e mei, toen Bos dat met Van
Beek introduceerde-, nu doet de Kamervoorzitter de suggestie om ook naast
Van Beek de minister van financiën nog eens te horen.
De heer Van der Vlies: “Ik wil nog een vraag stellen aan de heer
Weisglas om het beeld compleet te krijgen. Hij sprak van een afgerond,
definitief oordeel van de minister. In de brief wordt ‘vooralsnog’
gebruikt, wat ziet op de komende procedure. Is die in het gesprek überhaupt
verkend?”
De heer Weisglas: “Wat aan de Kamer is medegedeeld in de avond
van 15 mei, in antwoord op de vragen van de heer Nawijn, was precies wat
door de minister en haar ambtenaren onder haar verantwoordelijkheid die
avond is medegedeeld. Dat heb ik uiteraard letterlijk geciteerd. De minister
heeft mij medegedeeld dat het antwoord op de Kamervragen zou zijn dat -- ik
doe het uit mijn hoofd en zeg het in mijn ogen woorden -- op dat moment
vooralsnog het standpunt was dat de nationaliteit ten onrechte was verkregen
en dat de procedure was dat de betrokkene daarop gedurende zes weken kon
reageren. Mijn punt was dat ik werd geconfronteerd met afgeronde
Kamervragen: het antwoord was er. In dat gesprek kwam naar voren -- ik zal
niet zeggen wie dit heeft gezegd -- dat de Kamervragen wellicht beter konden
blijven liggen: stop ze in de la. Als Kamervoorzitter heb ik gezegd: neen,
dan had u er als minister voor moeten kiezen om mij niet te informeren.
Indien je als Kamervoorzitter wordt geďnformeerd over antwoorden op
Kamervragen van de heer Nawijn, is het niet correct ten opzichte van de 149
leden om die in een la te doen. Dat is mijn hoofdoverweging.”
Mevrouw Halsema: “Ik weet niet of er nog leden zijn die een
vraag aan de heer Weisglas willen stellen. Ik wil namelijk een vraag aan de
heer Van Beek stellen.”
De voorzitter: Ik inventariseer of er nog vragen aan de heer
Weisglas zijn. Het woord is aan de heer Verhagen.
De heer Verhagen: “Ik vraag mij toch af wat de Voorzitter
beoogt, want hij verbreedt het.”
De heer Weisglas: “Nee, ik geef antwoord op vragen.”
Verhagen geeft blijk nog goed wakker te zijn. De heer Verhagen:
“U haalt de heer Zalm en de heer Van Beek erbij. Ik wil graag weten wat uw
rol is geweest. Als ik het goed begrijp, hebt u erop aangedrongen dat de
brief naar de Kamer werd gestuurd en daarmee openbaar werd, met alle
consequenties van dien. Mijn persoonlijke oordeel is dat dit een onjuiste
gang zaken was, omdat zo degene die het betrof, mevrouw Hirsi Ali, niet in
de gelegenheid werd gesteld om op een normale manier te reageren. Los
daarvan is het vreemd dat u suggereert dat de heer Zalm en de heer Van Beek
hebben meebeslist over deze zaak. Daar wil ik graag helderheid over hebben.”
De heer Weisglas: “Het is niet ‘fair’ wat u nu doet. Ik
haal niet de heer Zalm en de heer Van Beek erbij. Iedereen wist dat zij bij
het gesprek waren. Ik heb toegelicht wat de context van het gesprek was. De
heer Nawijn vraagt mij nu wat de opvatting van de heren Zalm en Van Beek
was. Als ik zo onbescheiden mag zijn, zeg ik dat ik dacht dat het correct
was om te antwoorden dat de heren dat zelf moeten zeggen. Als de Kamer dat
aan de heer Zalm wil vragen, dan is dat aan de Kamer. Dat is het enige wat
ik heb gezegd. De andere vraag van de heer Verhagen is een herhaling van een
eerdere vraag, dus daar ga ik niet nog een keer antwoord op geven.”
De heer Verhagen: “Dat was geen vraag, maar een stelling.”
De voorzitter: “Ik stel voor, enige ogenblikken te schorsen,
zodat de echte Voorzitter de Kamer weer kan voorzitten.”
De heer Weisglas: “Ik vind dat ik het wel heb verdiend dat u dit
stukje even afmaakt.”
Waaraan verdiend?
De voorzitter: “Dan zullen wij die premie maar toestaan.”
Mevrouw Halsema: “Zonder iets af te willen doen aan de woorden
van de heer Weisglas ben ik natuurlijk benieuwd of de heer Van Beek de
lezing van de Kamervoorzitter bevestigt, namelijk dat er sprake was van een
afgerond standpunt dat geen nader onderzoek behoefte.”
De voorzitter: “Ik stel de heer Van Beek in de gelegenheid om te
antwoorden.”
De heer Van Beek: “De minister heeft ons die avond gezegd dat
zij haar conclusies had getrokken op basis van de informatie die zij vanuit
de Zembla-uitzending had verkregen en alles wat er nadien nog was gebeurd.
Ik heb van mijn kant gevraagd om daarvoor vanwege de zorgvuldigheid meer
tijd te nemen voordat het naar buiten kwam. De heer Weisglas heeft het
advies gegeven zoals hij dat zelf heeft verwoord.”
Mevrouw Halsema: ”Welke afspraak is er toen gemaakt over
publicatie en over het naar buiten brengen? Welke timing zou daarbij worden
gehanteerd?”
De heer Van Beek: “Er is in die vergadering geen enkele afspraak
gemaakt. Wij zijn geďnformeerd. Er is een toelichting gegeven. Maar elke
suggestie dat er ergens een afspraak over te maken was, werp ik verre van
mij. Wij zijn weggegaan, de beslissingen zijn daarna genomen en de
publicaties hebben plaatsgevonden.”
De heer Nawijn: “Ik snap wel dat de heer Van Beek niet namens de
heer Zalm kan spreken, maar wat was de reactie van de heer Zalm? Hij was
toch mede lid van het kabinet. Heeft hij niet gezegd dat het met de
minister-president overlegd moest worden of zoiets?”
De heer Van Beek: “Het zal duidelijk zijn dat ik die vraag echt
niet beantwoord. De heer Weisglas heeft gezegd wat hij er deed. Ik heb
gezegd wat ik er als fractievoorzitter heb gedaan, in welke
verantwoordelijkheid en met welke inbreng. Ik vind dat dit correct is.”
De heer Bos: “Voorzitter. Ik heb een punt van orde. Het lijkt
mij verstandig dat wij zo spoedig mogelijk de vice-premier, de heer Zalm,
hier in deze zaal tegemoet kunnen zien voor de rest van het debat. Ik vraag
u om hem daartoe uit te nodigen.”
De heer Nawijn: “Voorzitter, dat lijkt mij heel goed.”
Mevrouw Halsema: “Voorzitter, dat lijkt mij logisch. Ik steun
het verzoek en de minister ook, geloof ik."
De heer Verhagen: “Ik steun het verzoek.”
Wat verwachten de woordvoerders nou van de aanwezigheid van
Zalm. Wat weten zij dat ik nog niet weet?
Minister Verdonk: “Ik respecteer de wens van de Kamer, maar het
lijkt mij tamelijk overbodig om collega Zalm hiervoor uit te nodigen. Ik kan
precies vertellen wat er is gebeurd.”
Ja, nu wordt ik opeens wel nieuwsgierig. En ik niet alleen.
De heer Bos: “Mijn verlangen om de heer Zalm hier te zien, neemt
nu alleen maar toe.”
Minister Verdonk: “Volgens mij ziet u de heer Zalm morgen nog."
De voorzitter: “Ik kan niet anders dan concluderen dat het
verzoek van de heer Bos breed wordt gedragen. Ik stel voor, de heer Zalm uit
te nodigen voor het debat en daartoe enkele minuten te schorsen.”
Na een half uur geschorst te hebben herneemt de voorzitter het woord:
“Inmiddels is de minister van Financiën gearriveerd, zoals de Kamer had
gevraagd. Ik stel voor hem eerst het woord te geven.”
Daartoe wordt besloten, maar niet nadat ik hier opmerk dat dit
ook voorbesproken is, op zijn minst met de Kamervoorzitter. Want
gebruikelijk zou zijn diegenen die de minister naar de Kamer haalden het
eerst het woord te geven. Zoals zo meteen blijkt wil Zalm er echt een act
van maken. Hij wil ook achter het spreekgestoelte van de Kamereleden.
Minister Zalm: “Voorzitter. Allereerst wil ik mijn excuses aan
u en aan de Kamer aanbieden. Er was vijf minuten geschorst omdat men dacht
dat ik er in die tijd kon zijn. Ik woon op Scheveningen en mijn chauffeur
woont Voorburg, dus het is nog een heel kunstje om dan hier toch op tijd te
zijn.
Ik heb een verzoek aan de Kamer. Het hangt samen met het feit
dat de Voorzitter zijn opmerkingen van achter het spreekgestoelte mocht
maken. Ik verzoek de Kamer of ik daar ook mag staan. De vraag was in welke
hoedanigheid ik bij het gesprek aanwezig was. Was dat als minister van
Financiën -dat heeft niemand gedacht, denk ik- als vice-premier of uit
andere overwegingen? Mijn overwegingen om mij bij die bijeenkomst aan te
melden, waren dat ik lijsttrekker van de VVD ben geweest en dat ik Ayaan heb
gevraagd om op de lijst te gaan staan. Ik was daar dus vooral vanuit een
politieke functie binnen de VVD en niet zozeer als lid van de regering. Ik
ben overigens blij dat minister Verdonk mij bij dat overleg heeft
toegelaten. Is het mogelijk dat ik, net als de Voorzitter die normaal in de
voorzittersstoel zit en nu achter het spreekgestoelte ging staan, achter het
spreekgestoelte ga staan?”
De voorzitter: “Het is aan de Kamer om dat te besluiten. Stemmen
de leden daarmee in?”
De heer Bos: “In onze verhouding tot de heer Zalm, is hij 24 uur
per dag minister van Financiën en vice-premier in dit kabinet. Zijn plek is
dus waar hij nu staat.”
De voorzitter: “Ik begrijp uit de opmerking van de heer Bos en
de mimiek van andere Kamerleden dat het voorstel is dat u blijft staan waar
u nu staat. Ik stel door dat u daar uw betoog vervolgt.”
Minister Zalm: “Voorzitter, ik blijf hier rustig staan.
Blijkbaar is de Voorzitter niet 24 uur per dag voorzitter van de Kamer en
mag hij daar wel af en toe gaan staan, maar dat gun ik hem graag.”
Dit zijn van die spaarzame momenten dat ik Koot en Bie mis. Ik
troost mij echter met de gedachten er nu live, zo optimaal mogelijk, van te
genieten.
De voorzitter: “Minister, dit is conform het Reglement van
orde. Ik heb net mevrouw Verdonk, minister van Vreemdelingenzaken en
Integratie, toegestaan om zich met de orde van de Kamer te bemoeien. Ik wil
daar echter geen gewoonte van maken, ook al is het laat op de avond.”
Minister Zalm: “Voorzitter, ik onderwerp mij geheel aan uw orde
en blijf hier staan.”
De voorzitter: “Dan is het woord aan u.”
Minister Zalm: “Ik ben klaar.”
De heer Bos: “Voorzitter. Mijn eerste vraag aan de minister van
Financiën was in welke hoedanigheid hij bij het bewuste overleg aanwezig
was. Daar heeft hij net antwoord op gegeven. Mijn tweede vraag is wat hij
daar van minister Verdonk heeft gehoord over de status van het onderzoek
naar de nationaliteit van mevrouw Ayaan Hirsi Ali en de conclusies die
daaraan konden worden verbonden.”
Minister Zalm: “Ik heb daar gehoord van minister Verdonk dat zij
naar haar eigen oordeel voldoende reden had en zich voldoende gegrond voelde
om een brief te sturen aan mevrouw Ayaan Hirsi Ali waarin stond zij dat
vooralsnog tot de conclusie was gekomen dat mevrouw Hirsi Ali het
Nederlanderschap niet had en dat zij zes weken de tijd had om daarop te
reageren. Dat heb ik gehoord.”
De heer Bos: “Hebt u er op enig moment tijdens dat gesprek bij
de minister op aangedrongen om meer tijd te nemen voor het onderzoek zodat
zij misschien tot andere conclusies, andere voorgenomen conclusies of andere
vooralsnog-conclusies kon komen?”
Minister Zalm: “Wij hebben een vrij intensieve discussie gevoerd
over de vraag ten principale. Ik spreek nu vrijuit, in de rol die ik eerder
heb beschreven. Ik heb toen mijn verwondering uitgesproken over het feit dat
zaken die naar mijn oordeel allang bekend waren nu plotseling tot het
oordeel zouden leiden dat het Nederlanderschap haar zou kunnen ontvallen,
dit gelet op de vele publicaties die er eerder waren geweest. Mevrouw
Halsema heeft daar ook opmerkingen over gemaakt.
Dat wil niet zeggen dat iedereen al die publicaties heeft
gelezen. Er ontstaat een bijzondere situatie wanneer betrokkene zeer
expliciet op televisie verschijnt. Dat heeft iedereen kunnen zien en het
heeft vervolgens heel veel publiciteit getrokken. Dat was niet het geval
geweest met alle eerdere publicaties. De minister heeft ook mij uitgelegd
dat daarop actie moest worden ondernomen. In de ogen van de minister en de
ambtenaren die bij de zaak waren betrokken, was dit een nieuw feit.”
De heer Bos: “Mijn vraag luidde of u er bij haar op heeft
aangedrongen om meer tijd te nemen teneinde mogelijk tot andere conclusies
te komen.”
Minister Zalm: “Ik heb er in ieder geval op gewezen dat de
termijn voor de beantwoording van Kamervragen drie weken bedraagt en dat je
bovendien verlenging kunt vragen tot zes weken. Er is verschil tussen het
schrijven van een brief en het in de openbaarheid gaan door middel van het
beantwoorden van Kamervragen.”
De heer Bos: "Ik herinner me nog dat de heer Zalm een paar
minuten geleden bij het begin van zijn verklaring zei dat de enige reden
voor zijn aanwezigheid bij minister Verdonk was, dat hij lijsttrekker van de
VVD is geweest en dat hij mevrouw Ayaan Hirsi Ali gevraagd heeft om op de
lijst te gaan staan. Hieruit moge blijken dat hij voor zichzelf en ook voor
mevrouw Ayaan Hirsi Ali een bevoorrechte positie opeiste om bij het gesprek
aanwezig te zijn en zelfs meer dan dat door zich als ex-lijsttrekker te
bemoeien met de afhandeling van gestelde Kamervragen."
De heer Bos: “Dat is allemaal prima, maar u werd in dat gesprek
geconfronteerd met een minister die feitelijk stelde dat zij conclusies had
getrokken.”
Minister Zalm: “Ja.”
De heer Bos: “Mijn vraag is nu, of u er bij haar op hebt
aangedrongen om meer tijd te nemen teneinde nog eens goed te bezien of deze
conclusies wel houdbaar zouden blijken bij een zorgvuldiger onderzoek.”
Minister Zalm: “Ik heb mijn argumenten naar voren gebracht.
Overigens was ik op dat moment niet bekend met de eerste naam van de
grootvader van Ayaan. Dat moet ik eerlijk bekennen. Ik heb ook pas daarna
vernomen dat hij Ali heeft geheten. Ik bespeur nu enig rumoer in de zaal,
maar ik probeer het maar even met de waarheid, dat gaat meestal het
gemakkelijkst.
Ik meen dat je elkaars verantwoordelijkheden moet respecteren.
Mij is uiteengezet hoe in het verleden in vergelijkbare gevallen is
gehandeld. Ook dat is natuurlijk een argument. De procedure van hoor en
wederhoor is ingebouwd. Daarin zouden nog tegenargumenten naar voren kunnen
worden gebracht. De beantwoording van de Kamervragen is weer een geheel
andere kwestie.”
De heer Bos: “Maar daarover heb ik het niet.”
Minister Zalm: “Maar deze heeft wel geleid tot de commotie en
het openbare debat.”
De heer Bos: “Ik constateer dat u de inhoudelijke conclusies van
de minister die avond, in ieder geval na afloop van het gesprek, hebt
geaccepteerd en dat u niet hebt aangedrongen op welk proces dan ook om te
bezien of deze conclusies wellicht nog zouden kunnen veranderen."
Minister Zalm: “Het is geen zaak van accepteren maar een kwestie
van respecteren.”
De heer Bos: “Heeft u, nadat u had gerespecteerd dat uw collega
deze conclusies had getrokken, reden gezien om de minister-president erover
in te lichten?”
Minister Zalm: “Mede gelet op de reden waarom ik daar zat, ging
ik ervan uit dat dit zou zijn geregeld.”
De heer Bos: “Wat bedoelt u met ‘mede gelet op de reden
waarom ik daar zat’?”
Minister Zalm: “Ik zat daar niet zozeer als lid van het kabinet.
Vandaar dat ik nog steeds poog om achter het andere katheder te gaan staan.
Ik zat daar als -ja, hoe heet dat tegenwoordig- VVD-halfaanvoerder? In ieder
geval als iemand die zich verantwoordelijk voelt voor het VVD-smaldeel en
voor Kamerleden aan wie ik heb gevraagd om op de lijst te willen gaan
staan.”
De heer Bos: “Als u daar alleen zat als VVD-ers, wat deed de
Kamervoorzitter er dan bij?”
Minister Zalm: ”Die zat er als Kamervoorzitter omdat het ging om
een Kamerlid. Dat kan ik heel goed begrijpen.”
De heer Bos: “Waarom wordt de Kamervoorzitter uitgenodigd op een
onderonsje van VVD-ers?”
Minister Zalm: “Dat is een misverstand. Als ik al kritiek zou
willen uitoefenen, dan alleen dat de minister mij heeft toegestaan om er ook
bij te zijn. De redenering was dat je, omdat het om een Kamerlid ging, te
maken had met de Kamervoorzitter en de fractievoorzitter van het betreffende
Kamerlid. Ik heb opgebeld of ik er, gelet op de rol die ik in het verleden
heb gespeeld, misschien ook bij mocht zijn. De minister heeft dat welwillend
toegestaan. Ik ben haar daarvoor nog steeds dankbaar. Ik hoop niet dat u op
dit punt de minister bekritiseerd.”
Oh hemel, mag ik een teiltje?
De heer Bos: “Ik heb nog twee laatste vragen. De eerste daarvan
luidt als volgt. De Kamervoorzitter heeft zojuist in dit debat gesuggereerd
dat iemand op het gesprek zou hebben gesuggereerd dat de brief of het
antwoord op de Kamervragen maar in de la zouden moeten. Dat is de
Kamervoorzitter zelf niet geweest. Het is minister Verdonk niet geweest. En
het is ook de heer Van Beek niet geweest. Dan tel ik eenvoudig af. U moet
het dus zijn geweest .”
Minister Zalm: “Ik veronderstel dat dit een vrije interpretatie
van de Kamervoorzitter is geweest van mijn kennis van het Reglement van Orde
met betrekking tot Kamervragen, dat er drie weken de tijd is om Kamervragen
te beantwoorden en dat dit zes weken wordt wanneer je uitstel vraagt. En op
zichzelf was dat ook denkbaar geweest. Ik geloof dat in het debat van 16 mei
jl. de Kamer eigenlijk liever die antwoorden niet had gezien.”
De heer Bos: “Wat hebt u aan de minister gevraagd en welke
afspraken hebt u eventueel gemaakt over het tijdstip waarop zij naar buiten
zou komen met haar conclusies over de nationaliteit van Ayaan Hirsi Ali?”
Minister Zalm: “Voor mij was belangrijk dat Ayaan zou worden
gegund dat zij haar persconferentie zou kunnen houden over haar aftreden
-dat overigens op een iets later tijdstip was gepland- en haar mededeling
zou kunnen doen dat zij zou vertrekken vanuit Nederland en ontslag zou nemen
uit het parlement, zonder dat deze druk erop lag.”
De heer Bos: “Welk antwoord kreeg u daarop?”
Minister Zalm: “De minister zou daarover nadenken. Er is geen
afspraak over gemaakt.”
De heer Bos: “U vond het genoeg dat de minister erover zou
nadenken.”
Minister Zalm: “Ja. Kijk, ieder heeft zijn eigen
verantwoordelijkheid. Wij hebben niet een systeem, of men nu partijleider is
of vice-premier, waarbij men instructies kan geven aan een minister die een
eigen portefeuille en een eigen verantwoordelijkheid heeft. Het is een
verzoek dat ik heb gedaan. De minister heeft besloten dat diezelfde avond de
brief uitging en de mededeling aan de Kamer uitging.”
De heer Bos: “Ik maak mij sterk dat als u die avond tegen
minister Verdonk had gezegd: ik wil als betrokkene, als vice-premier en als
VVD-aanvoerder in het kabinet niet dat dit besluit naar buiten gaat voordat
Ayaan haar persconferentie heeft gegeven, zij naar u zou hebben geluisterd.
Dat lijkt me niet aan het systeem te liggen. U hebt zelf de keuze gemaakt om
geen druk op de zaak te zetten.”
Minister Zalm: Nee. “Dan hebt u een heel verkeerd idee over hoe
ministers met elkaar omgaan en hoe collega's met elkaar omgaan. Ik heb dat
verzoek een aantal keren gedaan en de minister heeft gemeend om
onmiddellijk, zo snel mogelijk, openheid van zaken te geven, ook richting de
Kamer. Dat is een overweging die ik ook nog wel kan begrijpen, zeker gelet
op het feit dat de Kamervoorzitter zei: als mij dit nu bekend is, moet het
ook de Kamer zo spoedig mogelijk bekend zijn. Ik had niet gedacht dat
Justitie zo snel zo werken dat het diezelfde avond nog zou komen; ik was
eigenlijk bang voor de ochtend. Dat is een afweging die de minister heeft
gemaakt en dat is een andere afweging dan ik haar had gesuggereerd. Maar het
is een afweging die ik nog wel kan begrijpen, onder het motto: de Kamer moet
onmiddellijk worden geďnformeerd. Mijn redenering was: de Kamer moet niet
onmiddellijk worden geďnformeerd; er zijn vragen gesteld, daar staan
termijnen voor, en er zit een zekere discretie in die termijnen die zijn
gesteld om de Kamer het antwoord te geven op een opportuun moment.”
Mevrouw Van der Laan: “Het is buitengewoon belangrijk om te
weten op welke wijze het vooralsnog-besluit van de minister is
gepresenteerd op dat VVD-topberaad. De heer Weisglas heeft net gezegd dat
het besluit definitief was en dat er geen verandering aan mogelijk was. Dat
is waarschijnlijk ook de reden geweest dat mevrouw Hirsi Ali heeft gezegd:
dan kan ik niets anders doen dan mijn Kamerlidmaatschap opzeggen. Mevrouw
Verdonk heeft gezegd: het was ‘vooralsnog’, zes weken later konden er
allerlei zaken nog blijken. Wat is er nu echt besproken? Hoe definitief is
dat besluit gepresenteerd?”
Minister Zalm: “Het was glashelder dat dit een standaardbrief
was. Het was voor mij duidelijk dat de minister echt voornemens was die
brief uit te sturen, maar in die standaardbrief zit wel de vooralsnog-formule
die iedereen krijgt.”
Mevrouw Van der Laan: “Het was dus volstrekt duidelijk in die
vergadering dat Ayaan Hirsi Ali haar Kamerlidmaatschap niet hoefde op te
zeggen?”
Minister Zalm: “Nou, daar hebben wij eigenlijk niet over
gediscussieerd in mijn beleving.”
Mevrouw Van der Laan: “Het lijkt mij toch vrij relevant of dat
ook rechtsgevolgen heeft voor haar Kamerlidmaatschap.”
Minister Zalm: “Nee, de enige die het Kamerlidmaatschap kan
opzeggen is de betrokkene zelf. Dus dat was niet het punt. Het was mij wel
van tevoren bekend dat Ayaan van plan was om eerder het Kamerlidmaatschap op
te zeggen dan aan het einde van de normale termijn. De persconferentie was
al gepland. Zij had mij van tevoren gevraagd om daarbij aanwezig te zijn,
dus voordat dit speelde. Dat verklaart ook mijn aanwezigheid bij de
persconferentie. Ik meen mij te herinneren dat wij een concept van de brief
hebben gezien. De minister was er wel gedecideerd over om die brief uit te
sturen, maar in de brief stond de standaardformule die ‘vooralsnog’
behelst met de zeswekentermijn.”
Mevrouw Van der Laan: “Is het bij niemand opgekomen dat,
aangezien het Nederlanderschap een voorwaarde is voor het Kamerlidmaatschap,
mevrouw Hirsi Ali er misschien de conclusie aan zou kunnen verbinden dat zij
ook geen recht meer had op het Kamerlidmaatschap, als zij het Nederlandschap
niet meer had?”
Minister Zalm: “Ik heb, eerlijk gezegd, mevrouw Ayaan Hirsi Ali
wel aanbevolen om in tegenstelling tot wat zij van plan was, namelijk het
Kamerlidmaatschap op 1 september op te zeggen, dat direct te doen, omdat ik
vreesde dat anders het hele debat ten laste van haar zou gaan. Zo van: ben
je nu nog wel een echt Kamerlid of niet? Die aanbeveling heb ik haar gedaan,
opdat zij verder vrij was in de discussie.”
Mevrouw Van der Laan: “Is daarbij gezegd dat het niet hoefde,
dat het geen definitief besluit was en dat het dus haar keus was om het
lidmaatschap op te zeggen?”
Minister Zalm: “Zij had toen nog de keus. Dat is ook eerder in
het debat vastgesteld en het is eerder door de minister gezegd. Zolang de
termijn van zes weken niet is verstreken en er niet een definitief besluit
ligt, heeft zij het Nederlanderschap nog en dus ook het Kamerlidmaatschap.”
Mevrouw Van der Laan: “Dan ben ik erg benieuwd naar de
interpretatie van voorzitter Weisglas hiervan, want ik heb toch echt de
indruk dat het werd gepresenteerd als een definitief besluit.”
Minister Zalm: “Het was in mijn ogen een definitief voornemen om
die brief te sturen, maar dat was wel de brief met de vooralsnog-formule
en de termijn van zes weken, want niemand krijgt een dergelijke brief zonder
die termijn. Dat staat volgens mij niet ter discussie.”
De heer Weisglas: “Ik hecht eraan om kort een punt van orde te
maken. Ik kan mij voorstellen dat mevrouw Van der Laan deze verspreking
maakte, maar zij had het over een VVD-topberaad. Dit luistert buitengewoon
nauw. Het was geen VVD-topberaad, het was een beraad waar ik zat als
voorzitter van de Tweede Kamer. Het lijkt een beetje muggenziften om dat nu
te zeggen, maar ik zeg het niet in verwijtende zin. Ik hecht eraan om deze
correctie te maken voor de Handelingen.”
Mevrouw Van der Laan: “Dan hecht ik eraan dat de heer Weisglas
mijn vraag beantwoordt wat precies de strekking was van het besluit tijdens
het beraad tussen de Kamervoorzitter en verschillende mensen in
verschillende hoedanigheden, die ook lid waren van de VVD. Ik heb helaas
niet een schriftelijk exemplaar van de verklaring kunnen zien, maar zoals ik
het mij herinner van het voorlezen ervan werd het gepresenteerd als een
definitief besluit, waaraan niets meer te veranderen was, dat dus ook
betekende dat mevrouw Hirsi Ali haar Nederlanderschap kwijt wat.”
De heer Weisglas: “Ik heb datgene wat werd gepresenteerd door de
minister, waarover wij werden geďnformeerd -ik als Kamervoorzitter-
uiteraard gewoon geciteerd uit de antwoorden van de minister op de vragen
van de heer Nawijn. Dat is wat de heer Zalm in zijn eigen woorden ook doet.
Wij weten allemaal wat erin stond: de standpuntbepaling van de minister dat
het besluit voorlopig was -of wat voor woord dan ook, ik doe dit uit mijn
hoofd- en dat mevrouw Hirsi Ali daarna die zes weken kreeg. Wat er werd
gepresenteerd is datgene wat aan de Kamer is gezonden.”
De heer Nawijn: “De heer Zalm zegt dat hij bij dat gesprek
aanwezig is geweest, dat daar mededelingen zijn gedaan en dat hij het
standpunt van minister Verdonk respecteert, maar volgens mij is hij ook heel
erg kwaad geweest. Hij kwam in Nieuwspoort en zei daar dat de IND opeens wel
heel snel kon werken. Hoe verklaart hij dat?”
Minister Zalm: “Ik had natuurlijk de hoop dat de timing die ik
had gesuggereerd zou worden overwogen. Ik had absoluut niet verwacht dat het
op Justitie zo zou gaan. Zo gaat het tenminste bij de meeste departementen
niet. Als je ’s avonds een bijeenkomst hebt en het allemaal vlot gaat bij de
postkamer, heb je geluk en ligt het de volgende ochtend ergens. Waar ik
buitengewoon verrast over was, is dat het er dezelfde avond al was. Dat is
volgens mij het enige punt van kritiek wat ik afgezien van mijn
body-language heb geuit. Ik heb mijn verrassing uitgesproken over de
snelheid. Zoals ik al eerder zei, zou het ten opzichte van Ayaan in de
eerste plaats plezierig zijn geweest als zij eerst haar eigen verhaal had
kunnen doen en vertellen waarom zij afscheid nam van het Nederlandse
parlement.
In de tweede plaats twijfel ik aan de noodzaak om Kamervragen
stante pede te beantwoorden. Die drie- en zeswekentermijn heb ik wat dat
betreft goed in gedachte.”
Mevrouw Halsema: “Ik heb wat moeite met de gedaantewisselingen
die u vrij lenig ondergaat. U zegt dat u daar was als tijdelijk
partijleider. U kunt echter niet ontkennen dat u tegelijkertijd vice-premier
was en aanvoerder van de VVD-ploeg in het kabinet. Voor mij blijft er nog
iets onduidelijk. De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dreigde
het besluit te nemen dat u eigenlijk niet steunde. U vond dat besluit
ontijdig. Waarom hebt u op dat moment niet gezegd: wij gaan naar het
kabinet?”
Minister Zalm: “In mijn ogen diende mijn opstelling de
rechtsgelijkheid, de gelijke rechtsbedeling en de gelijke behandeling.
Daarover zijn hier opmerkingen gemaakt. De minister komt niet met alles naar
het kabinet. De minister moet zelf een afweging maken en een beslissing
nemen. Ik heb vriendelijk gevraagd of ik, gelet op de verantwoordelijkheid
die ik in een vorige functie droeg, erbij mocht zijn. De minister heeft mij
tot het overleg toegelaten. Ik vond op zichzelf de keus om de
Kamervoorzitter en de fractievoorzitter van de VVD uit te nodigen terecht.
Het ging namelijk om een Kamerlid en om een lid van de fractie van de VVD,
maar ik heb mij er als het ware ingedrongen. Misschien kan de minister
worden verweten dat dit is gebeurd, maar ik verwacht niet dat dat het
grootste verwijt zal zijn. Ik ben er dus bij geweest, maar ik respecteer de
verantwoordelijkheid van de minister op dit dossier. Ik heb natuurlijk wel
de gelegenheid gebruikt om een aantal punten naar voren te brengen. Het kan
echter niet dat je zegt: ik ben de minister van Financiën en de vice-premier
en nu kom ik even …. et cetera. Ik vind dat je elkaars verantwoordelijkheden
moet accepteren. Je kunt wel een verzoek doen, een intelligente vraag
stellen of een opmerking maken. Op die manier kun je een rol vervullen.
Verder was ik blij dat ik wist wat er allemaal speelde.”
Mevrouw Halsema: “Dit lijkt mij nu typisch een voorbeeld van een
gelegenheidsrede-nering. U zult waarschijnlijk niet bij ieder individueel
geval suggereren dat de minister zes weken kan doen over de beantwoording
van de Kamervragen. U nam dus de vrijheid om suggesties te doen voor de
termijn van beantwoording. U had dan ook wel degelijk kunnen vragen: is de
premier ingelicht, wat vindt de premier ervan, moeten wij de premier er niet
bij betrekken? Ik snap niet waarom dat niet is gebeurd.”
Minister Zalm: “U hebt helemaal gelijk. Die vraag had ik kunnen
stellen. Ik ging ervan uit dat dat geregeld was. Dat dat vanzelfsprekend
was.”
Mevrouw Halsema: “Daarmee wordt alles nog raadselachtiger. Hoe
kan het dat u de indruk had dat dat met de premier was geregeld als
tegelijkertijd de premier beweert dat er die dag helemaal geen afspraken
zijn gemaakt?”
Minister Zalm: “Er zijn met mij ook geen afspraken gemaakt. Ik
denk aan wat je doet in het normale verkeer en wat de bedoeling was. Ik zeg
wat ik mij meen te herinneren. Er is iets misgegaan. Mijn reconstructie van
de gebeurtenissen is dat minister Verdonk dacht dat Algemene Zaken de
gestelde vragen voldoende had beantwoord, terwijl Algemene Zaken die niet
had. Zoiets gebeurt wel eens in het ambtelijke verkeer, maar de betrokkenen
kunnen beter zeggen hoe alles is gegaan. De minister was dus volgens mij de
overtuiging toegedaan dat alles netjes via de ambtelijke lijnen was
kortgesloten. Vervolgens bleek dat niet zo te zijn. Zoiets gebeurt wel eens,
maar daar sta ik verder buiten. Wat u zei is niet bij mij opgekomen. Ik had
ook niet het idee dat ik daar zat als vervanger van Balkenende. Ik zat daar
als iemand die namens de VVD verantwoordelijkheden had gedragen, die die nog
steeds droeg en die ook verantwoordelijk was voor het feit dat Ayaan voor de
VVD op de kieslijst was geplaatst. In die functie heb ik mij in dat overleg
ingedrongen.”
Mevrouw Halsema: “Ik vind dit een lastige definitie van
verantwoordelijkheid. Niet duidelijk is waar die ophoudt en waar die begint.
Ik vind het moeilijk om uit te leggen dat u op een bepaald moment uzelf
verantwoordelijkheden geeft, maar die weer niet hebt als u kunt ingrijpen.
Als ik het goed begrepen heb, bent u na afloopt van het beraad samen met de
heer Van Beek naar Ayaan Hirsi Ali gegaan.”
Minister Zalm: “Daar dacht ik meer aan dan aan de vraag: moet ik
zeker stellen dat de premier op de hoogte is gesteld. Ik ging er namelijk
van uit dat hij op de hoogte was.”
Mevrouw Halsema: “Wat heeft u haar meegedeeld? Ik neem aan dat u
met een boodschap uit het beraad kwam. Welke boodschap was dat?”
Minister Zalm: “Dat was natuurlijk geen prettige boodschap: er
komt binnenkort een brief van de minister waarop je in zes weken moet
reageren over je Nederlanderschap."
Mevrouw Halsema: “Kan Ayaan Hirsi Ali in de veronderstelling
zijn geweest dat die brief na de persconferentie zou komen?”
Minister Zalm: “Ik hoopte dat dat het geval zou zijn, maar ik
had zeker niet het idee dat de motorordonnans 's avonds nog zou langskomen
en zij ook niet, denk ik.”
Mevrouw Halsema: “Om het drama af te maken: vijf minuten stond
de DKDB voor de deur met de brief.”
Minister Zalm: “En ik zat thuis en hoorde het op de radio.”
De heer Rouvoet: “Ik heb toch een paar vragen over
hoedanigheden. Was afgesproken dat u naar Ayaan Hirsi Ali zou gaan, mede
namens de minister of op eigen initiatief? Had u dat meegedeeld?”
Minister Zalm: “Nee nee, ach kijk...”
De heer Rouvoet: “Ik vind het wel relevant.”
Minister Zalm: “Dat deed ik natuurlijk niet mede namens de
minister; dat deed ik als mens. Ik wil de heer Nawijn niet imiteren, maar op
een gegeven moment doe je gewoon dingen en denk je ook niet meer hoe je dat
doet. Ik voelde mij verplicht, net als Van Beek, om even naar Ayaan te gaan.
Ik denk dat dat mag.”
De heer
Rouvoet (ChristenUnie): "Wist minister Verdonk daarvan?"
Minister Zalm: “Ja, zij wist daarvan. Dat meen ik te hebben
verteld. Dan denk je niet: hoe ga ik daar nou naartoe; ga ik er naartoe als
oud-lijsttrekker, als vice-premier of als minister van Financiën? Daar ga je
gewoon naartoe.”
De heer Rouvoet: “Ik vraag dat om een volstrekt serieuze reden.
U zegt nu: dan vraag je je niet af hoe je ernaartoe gaat. Dat deed u wel
toen u hier naartoe kwam. U wilde daar staan en niet daar staan. U bent zich
heel bewust van de positie waarin u bij dat overleg aanwezig was. Ik vind
dat relevant, onder andere omdat de Kamervoorzitter zojuist in de camera aan
de bevolking heeft meegedeeld: de politieke kleur van de vier aanwezigen was
volstrekt toevallig; wij waren daar in functie, het was geen VVD-overlegje.
U heeft duidelijk gemaakt dat het voor u niet toevallig was. U heeft u als
VVD'er aangemeld bij die bijeenkomst.”
Minister Zalm: “Voor mij was het niet toevallig, voor de
Kamervoorzitter wel.”
De heer Rouvoet: “U bent een ervaren politicus. Ik neem aan dat
u in de afgelopen jaren heel veel overleggen in verschillende hoedanigheden
heeft bijgewoond. U bent gewend daar naartoe te gaan, uzelf in te dringen.
Dat u dat doet zonder te beseffen dat het verschil uitmaakt of je daar op
partijpolitieke bijeenkomsten bent of op een functionele bijeenkomst als
vice-premier, kan ik mij bij u nauwelijks voorstellen. U zegt hier heel
zorgvuldig: in welke hoedanigheid sta ik hier? Heeft u zichzelf die vraag
die avond niet gesteld? Heeft u, toen u de Kamervoorzitter aantrof, niet
gevraagd: mag ik even weten wat de status van dit overleg is?”
Minister Zalm: “De Kamervoorzitter heeft mij die vraag toen niet
gesteld. Ik heb begrepen dat hij het bijzonder vond dat ik er was en dat hij
zich bij nader inzien afvroeg waarom ik daar was. Voor mij was dat vrij
natuurlijk. Ik was daar als een relevante VVD'er met relevante connecties
met Ayaan. Ik zit ook in de regering; dat was natuurlijk een beetje
gecompliceerd.”
De heer Rouvoet: “Niet toevallig, maar als VVD'er aanwezig. Dat
heeft u helemaal duidelijk gemaakt.”
Minister Zalm: “Niet partijpolitiek, maar wel uit
verantwoordelijkheidsgevoel, ook ten opzichte van Ayaan.”
De heer Rouvoet: “Het wordt moeilijk dat er ook uit te halen: ik
was er wel als VVD'er, maar niet partijpolitiek. Daar kan ik nog minder mee,
maar ik begrijp wat u bedoelt. Althans, tot voor kort begreep ik wat u
bedoelde, dus laten wij er nu even een punt achter zetten.
Ik heb de minister-president vragen gesteld over de ambtelijke
afspraak over het moment waarop de brief al dan niet zou uitgaan. Is op enig
moment door minister Verdonk gezegd: wacht even, ik heb met AZ de volgende
afspraak? Is de relatie met de ambtenaren van minister Verdonk op enig
moment aan de orde geweest? Is dat, gelet ook op de veronderstelling waarin
de minister-president verkeerde toen hij naar Wassenaar ging, op enig moment
aan de orde gesteld door minister Verdonk?”
Minister Zalm: “Niet in dat overleg.”
De heer De Wit: “Als ik de afgelopen tijd goed heb geluisterd,
was er bij dat gesprek buiten minister Verdonk eigenlijk niemand voorstander
ervan om de brief respectievelijk de antwoorden meteen naar buiten te
brengen. Heeft de minister voor Vreemdelingenzaken aan het gezelschap
duidelijk gemaakt waarom zij vond dat het wel moest gebeuren?”
Minister Zalm: “Ja, dat heeft zij duidelijk gemaakt. In normale
omstandigheden stuur je de brief aan betrokkene, wacht je zes weken en komt
er een definitief besluit. In dit geval was de overweging van de minister,
die ik op zichzelf valide vind, die ik mij althans kan voorstellen, de
volgende: dit gaat om een Kamerlid. Als blijkt dat het Kamerlid de
Nederlandse nationaliteit niet heeft, dan kan ik niet lang wachten met het
informeren van de Kamer daarover. Er waren ook Kamervragen gesteld. De
Voorzitter van de Tweede Kamer bevestigde dit: als jij van plan bent die
brief te sturen, dan moet je ook onmiddellijk die Kamervragen beantwoorden.
Inmiddels zegt de Kamer dat zij nog wel wat had kunnen wachten. Dat vind ik
op zichzelf een aardig verschijnsel, want het is niet de normale reactie van
de Tweede Kamer. De taxatie was dat de Kamer het op prijs zou stellen om
over zo'n gevoelige zaak, ook terwijl de hoor-en-wederhoorprocedure nog
liep, zo spoedig mogelijk op de hoogte te worden gesteld. Dat is een
redenering die ik kan volgen. Je had ook naar de termijnen kunnen kijken en
drie of zes weken kunnen wachten. Die afweging heeft de minister gemaakt.
Zij dacht: als ik het niet doe, krijg ik gedonder met de Kamer. Zij deed het
wel en kreeg ook gedonder met de Kamer.”
De heer De Wit: “De minister geeft aan dat hij het beter vond om
te wachten. Heeft dat pleidooi geen indruk gemaakt op minister Verdonk?
Heeft zij overwogen om naar minister Zalm te luisteren?”
Minister Zalm: “Het snel informeren van de Kamer heeft de
doorslag gegeven. Over het algemeen wordt dat door de Kamer zeer
gewaardeerd.”
Mevrouw Van der Laan: “Minister Zalm heeft daarnet gezegd dat
hij naar Ayaan is gegaan en heeft gezegd: ik heb een onprettige mededeling,
maar je hebt wel zes weken om ertegen in beroep te gaan. Ik vraag mij af hoe
dat zich verhoudt tot zijn verklaring tijdens de persconferentie waarin hij
zegt: ‘Het moet mij nog van het hart dat ik verbaasd ben over de snelheid
waarmee het besluit is genomen. Ruim drie jaar vindt niemand, maar dan ook
niemand een aanleiding om haar nationaliteit ter discussie te stellen. En
nu, binnen 48 uur, krijgt Ayaan de vaststelling uitgereikt dat zij niet
genaturaliseerd is’. De minister eindigt met de conclusie: ‘Ik hoop
dat een eventuele hernieuwde aanvraag tot naturalisatie net zo snel
behandeld wordt’. Daar blijkt niet uit dat het een voorlopig besluit
was.”
Minister Zalm: “Ik weet niet of u de exacte tekst hebt…”
Mevrouw Van der Laan: “Ik heb de tekst van de website van het
ministerie van Financiën gehaald.”
Minister Zalm: “Dan zal het kloppen en heb ik mij ook
onzorgvuldig uitgelaten. Ik herinner mij de tekst niet helemaal zo exact.
Wat ik mij als kern van mijn verhaal meen te herinneren is het volgende. Ten
eerste was het ruim en breed bekend. Ten tweede respecteer ik de
verantwoordelijkheden van de minister voor V en I en neem ik aan dat het een
juridisch houdbaar besluit is. Ik sprak vervolgens mijn verwondering uit
over de snelheid. Dat spoorde met mijn inbreng in het gesprek van de avond
ervoor. Ik pieste daarbij net niet helemaal buiten de pot van de eenheid van
het kabinetsbeleid.”
De voorzitter: “Ik constateer dat hiermee alle vragen aan de minister van
Financiën en de Voorzitter van de Tweede Kamer zijn gesteld en dat wij
kunnen doorgaan met de beantwoording door minister Verdonk. Het lijkt mij
goed dat de Voorzitter de Kamer verder voorzit.”
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst zodat mijnheer
van functie kan verwisselen. Voorzitter Weisglas: “Ook vanaf deze plaats
heel veel dank aan de eerste ondervoorzitter.”
Minister Verdonk: “Voorzitter. Ik wil graag twee zaken
onderscheiden die speelden rond 15 mei; ik heb dat eerder ook al gedaan,
maar ben daarin waarschijnlijk niet duidelijk genoeg geweest. Aan de ene
kant is er de brief aan Ayaan Hirsi Ali. Voor de duidelijkheid benadruk ik
nog eens dat ik toen het besluit heb genomen om de "vooralsnog"-brief te
schrijven. Dat is één. Gelijke gevallen horen gelijk te worden behandeld;
dat is ook wat de Kamer mij vraagt te doen en dat heb ik gedaan. Ik hoefde
niet meer te doen dan te constateren. Aan de andere kant is er de brief aan
de Kamer. Er waren Kamervragen gesteld. Ik heb op dat moment helemaal te
goeder trouw gehandeld door snel de vragen te willen beantwoorden; wij
hebben het zojuist even over het gesprek daarover gehad. Achteraf bezien,
met de kennis van nu, de reactie van de Kamer kennend, had ik de Kamervragen
beter later kunnen beantwoorden.
Voorzitter, vindt u het goed dat ik, dit gezegd hebbende, overga
naar de precedentwerking?”
De voorzitter: “Mevrouw Van der Laan heeft nog een vraag.”
Mevrouw Van der Laan: “Voordat er allerlei zaken tussendoor
kwamen, waren wij bij de vraag gebleven of de minister niet anders had
kunnen handelen. Zij heeft tijdens het debat van 16 mei urenlang beweerd dat
zij dat niet kon. Mag ik uit het feit dat zij nu zegt dat zij de vragen
beter niet zo snel had kunnen beantwoorden, opmaken dat zij het eens is met
de fractie van D66, die beweerde dat zij beter eerst een uitgebreid
onderzoek had kunnen doen om pas daarna het besluit te nemen?”
Minister Verdonk: “Het gaat steeds om twee dingen. Aan de ene
kant is er het besluit om aan mevrouw Hirsi Ali de ‘vooralsnog’-brief
te schrijven. Dat is de normale procedure en dat is in overeenstemming met
de wens van de Kamer om het principe van gelijke monniken, gelijke kappen te
laten gelden; gelijke gevallen moeten gelijk behandeld worden. Dat loopt; op
grond van de uitlatingen die mevrouw Hirsi Ail deed in Zembla had ik niet
anders kunnen reageren. Aan de andere kant is er de openbaarmaking van het
besluit door middel van de beantwoording van de Kamervragen. Daarover zeg
ik, de Kamer gehoord hebbende, ‘lessons learned’, dat ik dat, als ik
het in de toekomst weer zou moeten doen, op een later moment zou doen."
Mevrouw Van der Laan: “Mijn vraag gaat over het eerste punt,
namelijk over de opvatting van de minister dat zij op grond van de
uitlatingen in Zembla niet anders had kunnen oordelen. De conclusie is nu
echter dat dit wel degelijk had gekund. Sterker nog, dat had gemoeten, omdat
deugdelijk onderzoek -overigens een onderzoek dat is uitgevoerd door de
advocaten van mevrouw Hirsi Ali- heeft aangetoond dat zij het
Nederlanderschap altijd heeft gehad en dat er helemaal geen reden was om het
weg te nemen. Ik vraag dus nu aan de minister om gewoon toe te geven dat het
volstrekt overbodig is wat wij hier al die tijd hebben staan doen.”
Minister Verdonk: “Dat laatste ben ik wel met mevrouw Van der
Laan eens, maar waarschijnlijk om een andere reden. Er worden uitlatingen
gedaan door een Tweede-Kamerlid dat zij een verzonnen naam en een verzonnen
geboortedatum heeft gebruikt. Er worden documenten bij getoond. Er zijn
getuigenverklaringen bij. Op dat moment kan ik als minister niets anders
doen dan te constateren dat het Nederlanderschap nooit verkregen is. Dat is
ook wat de rijkswet zegt. Ik kom straks nog graag terug op de motie van de
heer Van der Vlies die betrekking heeft op toekomstige situaties.
Zoals gezegd, kon ik dus alleen maar die constatering doen. In
dat weekend is er een klein onderzoekje geweest. Er staan in de brief ook
wat uitlatingen die gedaan zijn door Ayaan Hirsi Ali. Dat was voldoende.
Vervolgens was het de bedoeling dat de termijn van zes weken inging waarin
betrokkene reageert. Er wordt dan ook onderzoek gedaan door mij.
Ik heb gezegd dat ik actief onderzoek heb gedaan, ook vanwege de
motie die de Kamer heeft ingediend. Dat is echter de normale gang van zaken.
Er volgt een periode om onderzoek te doen en om de gegevens te vergelijken.
Daarna komt de definitieve constatering. Dat is de gewone procedure."
Mevrouw Van der Laan: “Dit verhaal heb ik al heel vaak gehoord.
Gezien het feit dat nu duidelijk is dat Ayaan de Nederlandse nationaliteit
nooit is kwijtgeraakt en gewoon Nederlandse is gebleven, kan de minister
toch toegeven dat dit allemaal voorkomen had kunnen worden als zij gewoon
goed onderzoek had verricht? Is het zo moeilijk om toe te geven dat het
misschien beter had gekund?”
Minister Verdonk: “Ik heb de normale procedure gevolgd.”
Mevrouw Van der Laan: “Dat heb ik al een paar keer gehoord.” Die
discussie hebben wij gehad. Ik vraag van de minister de erkenning dat wij de
internationale reputatieschade voor Nederland en al die eindeloze
Kamerdebatten hadden kunnen voorkomen. Het is nu toch duidelijk dat er
ruimte was om een ander besluit te nemen? Het is nu toch duidelijk dat Ayaan
het Nederlanderschap nooit kwijt is geraakt? Waarom kan de minister dat niet
toegeven?”
Minister Verdonk: “Omdat ik helemaal geen besluit hoefde te
nemen. Daar gaat het steeds om.”
De heer Nawijn: “Ik heb een vraag over een ander onderwerp. Ik
heb dat in het vorige debat ook al gevraagd. Wat voor stukken zaten er in
het dossier van Ayaan Hirsi Ali toen zij het Nederlanderschap aanvroeg?
Volgens mij moet er een geboorteakte in zitten. Zij is ook getrouwd geweest.
Al die akten horen in het dossier te zitten. Er zal ook een naam of
geboortedatum op gestaan hebben.”
Minister Verdonk: “Dat is niet altijd zo als mensen een
verblijfsvergunning aanvragen. Dat weet de heer Nawijn ook. Zeker als mensen
uit landen zoals Somalië komen, wordt uitgegaan van de eigen informatie en
van het totale asielrelaas. Dat wordt beoordeeld op geloofwaardigheid. Daar
zitten geen documenten bij. Later heeft het onderzoek uitgewezen dat in
Kenia, bijvoorbeeld in de UNHCR-registers en andere registers, overal de
naam Magan voorkomt. Getuigenverklaringen zeggen dat de grootvader van Ayaan
in rechte de naam Ali heeft gevoerd.”
De heer Nawijn: “Als er geen akten zijn, moet er van de
rechtbank een verklaring zijn over de geboortedatum. Die zat ook niet in het
dossier?”
Minister Verdonk: “Nee.”
De heer Rouvoet: “Ik ben nog in verwarring over wat er wel en
niet is gedaan tussen de aankondiging van de minister op die vrijdag dat er
een onderzoekje gedaan zou worden en de uiteindelijke constatering op
maandagavond. De minister heeft in het debat voortdurend gezegd uiteindelijk
alleen maar de constatering te hoeven te doen. De brief waarover wij vandaag
spreken, noemt het onderzoekje niet eens, maar zegt met zoveel woorden dat
louter op basis van de mededelingen van Ayaan Hirsi Ali in Zembla de
constatering is gedaan. Mijn vraag aan de minister is hoe zich dit verhoudt
tot haar betoog in het voorgaande debat, waarin zij tegen de Kamer het
volgende zegt. Er is volgens de minister op tv iets gezegd. Dat is voor de
minister voldoende om te zeggen dat het niet kan. Er is iemand met de
Nederlandse nationaliteit die zoiets zegt. Dan is het voor de minister niet
meer dan normaal dat zij haar verantwoordelijkheid neemt en het laat
uitzoeken. Dat is gebeurd. Dat heeft geleid tot de brief. Mijn simpele vraag
is of het is uitgezocht in de twee of drie keer 24 uur en waarom het niet
wordt vermeld in de brief die wij vandaag bespreken. Zegt de minister dat
louter de mededeling voldoende is om de constatering te doen? De minister
moet kiezen.”
Minister Verdonk: “In de uitzending van Zembla kwam de eigen
verklaring van Ayaan naar voren. Als een Kamerlid voor de camera verklaart
een valse naam en geboortedatum te hebben gebruikt, is dat reden voor
onderzoek. In Zembla kwamen ook documenten aan de orde en
getuigenverklaringen van betrokkenen. Dat alles was voldoende. De IND heeft
gekeken of er nog meer uitlatingen zijn gedaan. Er is nog een zinsnede uit
The Guardian meegenomen in de brief. Dat is de voorgenomen constatering
geweest.”
De heer Rouvoet: “De minister zegt dat het normaal is dat zij
haar verantwoordelijkheid neemt en het laat uitzoeken. Dat uitzoeken bestond
dus uit het volgende: de IND heeft gekeken of er nog meer uitspraken zijn
gedaan en er is nagegaan wat er in The Guardian stond. Dat was het uitzoeken
door het departement, waardoor de minister vooralsnog haar constatering kon
maken; dat is het onderzoek waarover we spreken.”
Minister Verdonk: “Ja, dat is het onderzoekje waarover het
gaat.”
De heer Rouvoet: “Een citaat uit The Guardian. De IND heeft
gekeken of er misschien nog meer uitspraken waren.”
Minister Verdonk: “Nee, de eerste aanzet waren natuurlijk de
uitlatingen van de betrokkene. Ik heb dat steeds gezegd: het ging over de
uitspraken van de betrokkene in het programma Zembla; die zijn de eerste
aanleiding geweest.”
De heer Rouvoet: “Hier wreekt zich dat de minister in het
voorgaande debat twee verschillende verdedigingslinies na elkaar heeft
geprobeerd. Ze spreekt zich hier tegen: of ze heeft het laten uitzoeken -en
dan moeten wij nu constateren dat dit niet grondig genoeg is gebeurd, want
zij heeft nu een andere conclusie getrokken- of ze vond het enkele feit dat
Ayaan dit op tv heeft gezegd, voldoende; dan had ze zelfs die drie keer
vierentwintig uur niet nodig gehad; dan had ze gewoon die constatering
kunnen doen. De vorige keer zei ze dat ze het had laten uitzoeken; dat was
haar verantwoordelijkheid. Nu zegt ze dat dit niet nodig was, dat ze een
constatering kon doen en dat er ook iets in The Guardian stond. Dat kan zo
niet.”
Minister Verdonk: “Ik heb het steeds duidelijk gezegd. Ik wil er
overigens aan herinneren dat we dit debat al eens hebben gevoerd, dat we nu
toch wel heel erg in herhalingen vallen. Ik zou ook een aantal andere
onderwerpen met de Kamer bespreken. Nogmaals, het gaat erom dat er
uitlatingen zijn gedaan in Zembla door de betrokkene, dat ik op grond
daarvan heb geconstateerd dat het Nederlanderschap niet is verleend en dat
de IND in dat weekend ook nog even heeft gekeken naar uitlatingen. Die
constatering kon ik alleen al doen op grond van het feit dat betrokkene
heeft gezegd dat ze een valse naam en geboortedatum heeft gebruikt. Daarna
gaat de zeswekenprocedure lopen, waarin gemachtigde normaal gegevens kan
verstrekken, hoor en wederhoor plaatsvindt. Naar aanleiding van de moties
heb ik ook actief onderzoek gedaan.”
De heer Rouvoet: “Voorzitter. Ik stoor mij er een beetje aan dat
de minister zegt dat we het hier al eerder over hebben gehad en dat ze ook
nog een paar andere onderwerpen met de Kamer zou willen bespreken. Dat
willen wij ook, want er liggen nog meer vragen. De minister heeft daar
volstrekt gelijk in. Maar juist als uw uitspraken niet op één lijn zitten,
moet de minister het niet gek vinden dat een Kamer die zijn
verantwoordelijkheid om de regering te controleren serieus neemt, haar
confronteert met haar uitspraken in het vorige debat. Ik krijg dit niet bij
elkaar. De minister mag hier niet voor weglopen door te zeggen dat we het
daar al over hebben gehad; dat weten we allemaal hier, toen waren het ook
tien uur.”
De voorzitter: “Voordat we hierover weer een ordedebat krijgen,
bepaal ik wanneer sprake is van ogenschijnlijke herhalingen die door de
leden worden geplaatst in de context van de brief van nu. Als het echte
herhalingen zijn, is het mijn taak om die te voorkomen.”
De heer Verhagen: “Voorzitter. De minister begon haar
constatering met ‘achteraf’, ‘met de kennis van nu’. Laten we
uitgaan van de veronderstelling dat zij dat nader onderzoek naar het
familienamenrecht pas deed naar aanleiding van het weerwoord van mevrouw
Hirsi Ali. Betreurt de minister nu, met de kennis achteraf, dat die brief
aan mevrouw Hirsi Ali via de Kamerstukken openbaar is geworden, waardoor het
hele debat publiek plaatsvindt in plaats van met hoor en wederhoor?”
Minister Verdonk: “Die brief is naar mevrouw Hirsi Ali zelf
gestuurd en ik heb de Kamervragen van de heer Nawijn beantwoord.”
De heer Verhagen: “Mijn vraag was of u met deze kennis achteraf
betreurt dat dit in de openbaarheid heeft plaatsgevonden.”
Minister Verdonk: “Dat ik het openbaar heb gemaakt, is wat ik
achteraf betreur en wat ik in de toekomst naar aanleiding van de uitlatingen
van de Kamer anders zal doen.”
De heer De Wit: “De tweede vraag blijft overeind: geeft u nu bij
nader inzien toe dat de brief waarin u de constateringen deed, volkomen
onjuist, onzorgvuldig en onvolledig was?”
Minister Verdonk: “Nee, dat was die niet.”
De heer De Wit: “Wat is uw brief van 27 juni dan waard? Het gaat
over de brief die u aan de Kamer heeft gestuurd, op 15 mei, waarvan we nu
vaststellen dat die niet klopt.”
De voorzitter: “Voor de zuiverheid: dat waren de antwoorden op
de vragen van de heer Nawijn.”
De heer De Wit: “De minister bepleit steeds dat we twee dingen
uit elkaar moeten houden: de Kamervragen en de brief, de
‘constateringbrief’.
De voorzitter: “Er is geen brief aan de Kamer gestuurd; de
vragen van de heer Nawijn zijn beantwoord. Dat was alles.”
De heer De Wit: “Nee, daarna is een brief aan de Kamer gestuurd.
Maar laat ik het zo zeggen: er is ook een brief naar mevrouw Hirsi Ali en
die behelst een constatering, zo zegt de minister steeds. Geeft u nu toe dat
die brief toen gewoon onjuist was?”
Minister Verdonk: “Nee, dat geef ik niet toe. Ik heb steeds het
onderscheid aangegeven met de brief aan Ayaan Hirsi Ali. Die is volgens de
normale procedure verstuurd en ik ben daar heel zorgvuldig in geweest. Ik
herhaal nu voor de vierde keer dat ik te goeder trouw heb gehandeld, maar
dat ik het met de kennis van nu, geluisterd naar de Kamer in de toekomst
anders zal doen. Wat moet ik nog meer zeggen?”
De heer De Wit: “U moet verklaren dat u geen volledig, grondig
onderzoek hebt uitgevoerd. Dat onderzoek was niet zorgvuldig en niet
uitputtend, want anders waren die nieuwe brief en de heisa van dit moment
niet nodig geweest. Dat vraagt de Kamer nu al urenlang van u.”
Minister Verdonk: “U gebruikt het woordje ‘moet’, maar ik
‘moet’ dat helemaal niet en ik zal dat ook niet doen. Ik heb namelijk
heel zorgvuldig gehandeld in dit traject. Er is gewoon volgens de normale
procedure gehandeld. Ik herinner u aan uw uitspraak: gelijke gevallen gelijk
behandelen. Ik heb dat gedaan en wat de openbaarmaking betreft, heb ik een
duidelijk standpunt ingenomen.”
De heer De Wit: “Dat hebt u niet gedaan en de Kamer stelt dat
ook vast. In alle bijdragen van de leden komt het woord ‘onzorgvuldig’
voor in relatie tot mei. Die conclusie is gebaseerd op de gegevens waarover
wij nu beschikken. Dat onderzoek had u toen moeten uitvoeren, maar dat wilt
u niet toegeven. Uit uw beantwoording wordt dat heel duidelijk.”
Minister Verdonk: “U haalt nog steeds twee zaken door elkaar.
‘Onzorgvuldig’ slaat op de openbaarmaking. Ik heb gezegd dat ik dat in
de toekomst anders doe in het licht van wat ik nu weet en de geluiden uit de
Kamer. Het andere traject staat daar los van.
Ik kom op de precedentwerking: hoeveel gevallen zijn
vergelijkbaar met deze zaak en in hoeveel gevallen zal ik een andere
beslissing nemen? Uiteraard zal ik gelijke gevallen gelijk beoordelen. In de
afgelopen week heb ik 74 gevallen bestudeerd die door de IND al waren
behandeld. Deze lijken niet op de zaak van Ayaan, waarin enkel en alleen de
geboortedatum ter discussie staat en inmiddels volledige duidelijkheid is
verkregen over de naam. Ik heb aangegeven in mijn brief van 27 juni
jongstleden dat zaken waarin alleen sprake is van een voorlopig oordeel
omtrent de nationaliteit worden aangehouden totdat ik mijn toezegging aan de
heer Van der Vlies ben nagekomen. Zolang ik die zaken aanhoud, beschouw ik
de betrokken personen als Nederlander.
De heer Van der Vlies heeft mij gevraagd, onderzoek te doen naar
de mogelijkheid van een wetswijziging zodat een expliciete
intrekkingsbeschikking nodig is bij identiteitsfraude. Ik heb dat onderzoek
toegezegd. Een eventuele wetswijziging ziet natuurlijk in de eerste plaats
toe op toekomstige gevallen waarin het vraagstuk van identiteitsfraude aan
de orde is. Bij dit onderzoek betrek ik de gevolgen van een dergelijke
wetswijziging voor zaken waarin de IND nog niet is gekomen tot een
definitief oordeel omtrent de nationaliteit. Bij een eventuele wetswijziging
zal immers sprake moeten zijn van overgangsrecht, ofwel een regeling voor
openstaande zaken. Om die reden houd ik de openstaande zaken aan tot het
onderzoek is afgerond.
In zaken waarin de IND al tot een definitieve beoordeling is
gekomen, kan betrokkene uiteraard aan de rechter vragen om vast te stellen
dat hij Nederlander is. Het gaat dan om de civiele procedure op grond van
artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap. De rechter beoordeelt de
verkrijging van het Nederlanderschap onafhankelijk. Omdat er geen sprake is
van een bestuursrechtelijke beslissing kan de betrokkene zich ook geruime
tijd na mijn definitieve oordeel wenden tot de rechter. Er is geen
beroepstermijn van kracht. Als de rechtbank al heeft uitgesproken dat de
betrokkene geen Nederlander is, dan staat die uitspraak vast. Ik heb dan
niet de bevoegdheid om betrokkenen tegen het oordeel van de rechtbank in als
Nederlander aan te merken.
Er is mij ook gevraagd of er zaken zijn die vergelijkbaar zijn
met deze zaak en of ik in die gevallen een beslissing neem die verschilt van
de beslissing die ik voor deze zaak zou hebben genomen. Betekent deze
conclusie dus dat het uitvoeringsbeleid gewijzigd is? Mijn antwoord daarop
is dat als zaken definitief zijn afgehandeld door een uitspraak van de
rechter of een bestuurlijke vaststelling, deze niet worden heropend.
Inhoudelijk is daar ook geen reden toe, omdat ze niet op de
onderhavige zaak lijken. Openstaande zaken houd ik aan totdat ik het
wettelijk systeem heb geëvalueerd, mede aan de hand van een uitspraak van de
Hoge Raad die wij nog hebben te verwachten.
De heer Van der Vlies: “De minister heeft mij al toegezegd in de
geest van mijn motie te handelen, waarvoor ik mijn dank uitspreek. In haar
brief van gisteren komt zij daarop terug en stelt in het vooruitzicht dat
zij daar eerst in het najaar inhoudelijk op kan reageren; dat is rekbaar. Ik
bepleit snelheid en zorgvuldigheid. Kan alles niet worden versneld, onder
het vereiste van zorgvuldigheid? Juist omdat bepaalde dossiers blijven
liggen, is het belangrijk om er vaart in te krijgen. Als wetswijziging nodig
is, komt er nog heel veel achteraan. Eigenlijk zou dat alles in deze
kabinetsperiode rond moeten worden gemaakt.”
Minister Verdonk: “Ik begrijp het gevoel van urgentie van de
heer Van der Vlies, maar ik wil het wel zorgvuldig doen, onder andere door
een aantal deskundigen te raadplegen. Daarbij zijn in ieder geval de
volgende vragen aan de orde. Bevat de huidige procedure voor ontzegging van
het Nederlanderschap bij onjuiste identiteitsgegevens voldoende waarborgen
om de juiste feiten op te sporen? Voldoet deze procedure aan de beginselen
van de rechtszekerheid? Hoe wordt opgetreden bij onjuiste
identiteitsgegevens in andere delen van het Nederlands recht? Hoe kan zo
goed mogelijk aansluiting worden gevonden tussen de procedures die volgens
de Vreemdelingenwet 2000 worden gevolgd en de procedures van de rijkswet?
Moet de procedure van artikel 14.1 van de rijkswet ook worden toegepast op
onjuiste identiteitsgegevens? Welke rol speelt de jurisprudentie van de Hoge
Raad, met name het arrest dat binnenkort valt te verwachten? Dat zijn nogal
wat vragen. Ik zeg de heer Van der Vlies in ieder geval toe dat ik voor de
begrotingsbehandeling van Justitie hierover zal berichten.”
Mevrouw Halsema: “Mede gezien het tijdstip -waaraan de minister
overigens weinig kan doen- is het onbevredigend dat dit punt dreigt weg te
glijden. De minister maakt allerlei opmerkingen die naar mijn idee
aanleiding zouden kunnen zijn voor verder debat, bijvoorbeeld de opmerking
dat veranderingen in namen geen reden kunnen zijn voor heroverweging
aangezien mevrouw Hirsi Ali dezelfde naam is blijven voeren. Zelf heb ik
voorbeelden gegeven die sterk gelijken op de situatie van Ayaan Hirsi Ali.
Is de minister bereid om de passages die zij nu uitspreekt, en de
beantwoording van de vragen van de Kamer op papier te zetten en op zeer
korte termijn naar de Kamer te zenden? Dan kan de Kamer besluiten of zij
hierover een apart debat wil houden. De minister zou mij daarmee zeer
tegemoetkomen.”
Minister Verdonk: “Ik heb net gezegd dat ik bezig ben om
uitvoering te geven aan de motie van de heer Van der Vlies; dat behelst een
onderzoek. Het lijkt mij goed als ik dit daarin betrek zodat wij alles in
één keer behandelen.”
Mevrouw Halsema: “Er zijn een aantal redenen dat ik op korte
termijn een separate brief van de minister over dit onderwerp wil krijgen.
Zo heeft zij al gezegd de elf gevallen waarover nog geen definitieve
beslissing is genomen, wel te willen heroverwegen op het punt van de
geboortedatum, maar niet de 54 gevallen waarin al een definitieve beslissing
is genomen. Mij komt dat niet rechtvaardig voor. Ik heb de behoefte om
daarover uitgebreider met de minister te debatteren. Overigens heb ik van de
heer Verhagen gelijkluidende opmerkingen gehoord. Daarom verzoek ik de
minister om wat zij nu zegt, alsnog op papier te zetten en dit de Kamer te
doen toekomen. Dan kunnen wij besluiten om hierover een debat te voeren.”
Mevrouw Van der Laan: “Ik sluit mij aan bij dat verzoek.”
De heer Verhagen: “De minister heeft op een aantal punten zeer
adequaat geantwoord. Daarnaast zal zij in het kader van de uitwerking van de
motie van de heer Van der Vlies nog met aanvullende informatie komen. Het
lijkt mij wel nuttig om alle informatie te combineren, zodat wij geen
deelinformatie krijgen.”
Minister Verdonk: “Aan die suggestie zal ik graag voldoen. Er is
gevraagd wat de huidige situatie is van degenen die het Nederlanderschap is
ontzegd. Als eenmaal definitief is vastgesteld dat de persoon geen
Nederlander is, dan beoordeelt de IND of die persoon nog steeds in bezit is
van een verblijfsvergunning. Dat doet de IND langs de lijnen die ik in de
brief van gisteren aan de Kamer uiteen heb gezet. Als de IND concludeert dat
betrokkene geen verblijfsvergunning meer heeft, dan staat het die persoon
vrij om alsnog een verblijfsvergunning aan te vragen. Deze aanvragen van een
verblijfsvergunning worden beoordeeld op grond van de Vreemdelingenwet en
het vreemdelingenbeleid. De beslissing omtrent het verblijfsrecht kan ter
toetsing worden voorgelegd aan de rechter. De situatie van die personen aan
wie het Nederlanderschap is ontzegd, is heel divers. Aan de ene kant is een
aantal mensen inmiddels weer Nederlander geworden door het indienen van een
naturalisatieverzoek of een optieverzoek. Aan de andere kant komt het voor
dat personen hun verblijfsrecht kwijtraken. Volgens mij ben ik aan het einde
van mijn antwoord.”
De voorzitter: “Ik zie dat het druk is bij de
interruptiemicrofoon. Als ik de afweging maak tussen korte interrupties nu
of de vragen verwijzen naar de tweede termijn, dan kies ik voor het eerste
omdat het sneller gaat. Ter voorbereiding op de tweede termijn is het
bovendien goed dat de leden aangeven als er vragen nog niet beantwoord
zouden zijn. De leden liepen allemaal tegelijk naar voren, dus ga ik maar
even vanuit mijn positie van links naar rechts de rij af.”
Mevrouw Halsema: “Het is altijd aardig als u links begint. Ik
heb het gevoel dat wij een vrij prominent deel van het debat missen en dat
is de zogenaamde schuldigverklaring van mevrouw Hirsi Ali. Ik had verwacht
dat de minister daarover wel het een en ander zou zeggen.”
Minister Verdonk: “Volgens mij is de minister-president daar
uitputtend op ingegaan.”
Mevrouw Halsema: “Zo kun je het ook benaderen. Ik wil mij best
baseren op de dingen die de minister-president heeft gezegd. Daarover wil ik
de minister een paar vragen stellen. Laat ik als eerste gezegd hebben dat ik
de hele gang van zaken rond die schuldigverklaring tot dusverre stuitend
vind. Dit is een understatement. Wat schetst mijn verbazing? De
minister-president heeft in beantwoording in eerste termijn gezegd dat het
een noodzakelijk onderdeel is geweest van de bewijsvoering. Dat komt mij
eerlijk gezegd heel vreemd voor. Dat noodzakelijke deel van de bewijsvoering
is namelijk al op 1 juni geleverd in de brief van de advocaten in reactie op
de brief van 15 mei van de minister. Daarin staat uitgebreid erkend dat de
naam Hirsi Ali gevoerd mag worden.”
Minister Verdonk: “Nee, dat is niet zo. Mevrouw Hirsi Ali heeft
in Zembla een publieke verklaring afgegeven dat zij eigenlijk Ayaan Hirsi
Magan heeft. Om de zaak helemaal rond te maken, hadden wij een publieke
verklaring nodig waarin werd gezegd dat betrokkene Ayaan Hirsi Ali heette en
die naam ook wilde blijven voeren.”
Mevrouw Halsema: “Dat is precies wat er in de brief staat die de
advocaten op 1 juni aan u hebben gericht. Die informatie bezat u al, dus dat
is onzin. Er is ook iets heel grappigs aan de hand. Ik zou wel eens van
andere asielzoekers, vluchtelingen en naturalisanten willen horen hoe zij
het vinden dat zij als getuige in eigen zaak mogen optreden. Dat zij zelf
het bewijs moeten aanleveren plus de schuldigverklaring, waarna zij als
gevolg van een politiek compromis met de minister mogen blijven. Dat is een
novum in ons recht. U kunt dat -en dat zeg ik ook in de richting van de
minister-president- niet serieus menen.”
Minister Verdonk:” Op 1 juni heeft de advocaat dat inderdaad
geschreven. Toen was er natuurlijk onderzoek nodig om die verklaringen te
verifiëren. Dat onderzoek heeft plaatsgevonden. Een aantal getuigen heeft
verklaringen afgelegd. Aan het einde is het noodzakelijk dat betrokkene zelf
een verklaring aflegt. Dat is ook de reden dat wij deze verklaring nodig
hadden.”
De voorzitter: “Mevrouw Halsema heeft het over een brief van 1
juni van advocaten. Ik kan mij vergissen, maar volgens mij is die brief niet
naar de Kamer gegaan. Als die brief opeens naar voren wordt gebracht, moeten
alle leden die brief ook hebben.”
Mevrouw Halsema: “Voorzitter, als er u behoefte aan hebt om nog
iets aan de Handelingen toe te voegen, ben ik daartoe bereid. De brief kan
worden gekopieerd. Hij is openbaar en hij staat volgens mij ook op de site.
Volgens mij is hij gisteren aan de pers verstrekt door de advocate. Het is
een openbaar stuk.”
De voorzitter: “Dat wist ik niet. De Kamer heeft hem niet
formeel ontvangen. Als u of de minister -dat zou nog beter zijn- zo
vriendelijk wilt zijn om hem te geven, wordt hij in elk geval rondgedeeld.
Hij hoeft niet te worden toegevoegd aan de Handelingen.”
Mevrouw Halsema: “Hier is niet eenvoudig het laatste woord over
gezegd. Ik vind het vind het hinderlijk dat u vrij consequent geen antwoord
geeft op vragen, minister. De vraag is nu hoe u kunt verantwoorden dat u nu
plotseling ter rechtvaardiging van een rare politieke manoeuvre zegt dat
mevrouw Hirsi Ali moest optreden als getuige in eigen zaak. Dat bestaat niet
in ons recht, dat bestaat niet in het asielrecht. Er melden zich denk ik
duizenden asielzoekers als u hier praktijk van wilt gaan maken. Zij willen
allemaal wel een politieke deal met u sluiten en iets van schuld bekennen
als dat hun toegangskaartje tot Nederland kan zijn. U kunt dit niet menen.
Ik wil van u weten of u serieus meent dat mevrouw Hirsi Ali moest optreden
als getuige in eigen zaak om haar nationaliteit te kunnen behouden.”
Minister Verdonk: “Ik neem afstand van uw opmerking dat er een
politieke deal is gesloten.”
Mevrouw Halsema: “Dat waren de woorden van mevrouw Hirsi Ali. De
minister en de premier kunnen het niet menen dat zij een nieuwe vorm van
recht in Nederland willen introduceren waarin een betrokkene getuige in
eigen zaak kan zijn. Daar wil ik een reactie op.”
Minister Verdonk: “In deze individuele casus vond ik die
verklaring nodig om de conclusie over het Nederlanderschap van Ayaan te
motiveren. Ik heb geconcludeerd dat ik zou kunnen afgaan op de verklaringen
van de familieleden omtrent de naam van de grootvader en dus van de
identiteit van Ayaan. Ik bleef echter zitten met haar publieke uitlatingen
waarin zij zei dat zij een andere identiteit had. Omdat deze uitlatingen
publiek waren gedaan, moesten zij ook publiek worden rechtgezet. De hele
zaak is begonnen met uitlatingen van Ayaan zelf inhoudende dat zij een ander
naam zou hebben. Toen ik daar van hoorde, heb ik de procedure toegepast die
ik in alle gevallen toepas: betrokkene wordt aangeschreven met de mededeling
dat het naturalisatiebesluit hem of haar wellicht niet identificeert en
wordt in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.”
De voorzitter: “Ik onderbreek u even. Ik vraag mevrouw Halsema
of dit een antwoord is op de vraag die zij heeft gesteld.”
Mevrouw Halsema: “Nee.”
De voorzitter: “Stelt u uw vraag dan nog een keer kort en dan
moet er echt een antwoord op worden gegeven, want dit leidt tot niets.”
Mevrouw Halsema: “Ik ben blij dat u het zegt. Ik wil mijn vraag
nog wel een heer herhalen, maar volgens mij lag het niet aan de
duidelijkheid van mijn vraag. Er zit wel een probleem in de duidelijkheid
van het antwoord.”
De voorzitter: “Ik vraag u nu om uw vraag nog een keer te
stellen en dan vraag ik de minister vriendelijk om op die vraag in te gaan.”
Mevrouw Halsema: “De minister kan het niet serieus menen dat zij
een betrokkene op wil laten treden als getuige in eigen zaak. Dat is een
nieuwe vorm van recht die echt alles behalve rechtsstatelijk is.”
Minister Verdonk: “Daarover verschillen wij dus van mening. Ik
heb net het eerste deel van het antwoord gegeven en ik zal nu de conclusie
melden. Om al die verklaringen voor waar aan te nemen, moest ik Ayaan wel
vragen of zij haar eerdere publieke uitlatingen ook publiek wilde terug
nemen, althans of zij wilde uitleggen dat deze niet de gehele juridische
werkelijkheid weergaven. Zonder deze verklaring zouden de verklaringen van
familieleden niet als voldoende geloofwaardig kunnen worden beschouwd. Nu
zij deze verklaring heeft gegeven, ben ik bereid om het totaal als waarheid
te aanvaarden.”
De heer Bos: “Ik wil graag drie vragen stellen. Waarom zegt de
minister dat de verklaring van Ayaan Hirsi Ali uit juridisch perspectief
nodig was, terwijl in de brief waarin zij Ayaan redenen geeft waarom zij
Nederlandse mag blijven deze verklaring helemaal niet voorkomt en nergens
wordt opgevoerd als reden om Nederlandse te mogen blijven?”
Minister Verdonk: “Volgens mij geeft Ayaan in haar verklaring
heel duidelijk aan wie zij is, wie zij wil zijn en welke naam zij wil
voeren."
De heer Bos
(PvdA): Dat is mijn vraag niet. Ik zal mijn vraag nog een keer stellen.
Gisteren heeft de minister een brief gestuurd aan de advocaat van Ayaan. Die
brief is ook openbaar en kan desgewenst aan de Handelingen worden
toegevoegd. Hij staat ook op de site. In deze brief voert de minister de
juridisch relevante redenen aan op grond waarvan Ayaan Nederlandse mag
blijven. De eerste is dat zij heeft geconstateerd dat Ayaan op grond van het
Somalisch namenrecht de naam Ali mag voeren. De tweede is dat de
geboortedatum niet zo relevant is. De derde is dat de geboorteplaats correct
was. Nergens staat de verklaring van Ayaan opgevoerd als relevant materiaal
voor de uiteindelijke beslissing van de minister dat zij Nederlandse mag
blijven.”
Minister Verdonk: “Dit is een brief aan de advocaat waarin het
resultaat staat van de overwegingen. Hij bevat alleen het besluit dat is
genomen. Ik heb aan de Kamer net de overwegingen geschetst die daaraan ten
grondslag hebben gelegen.”
De heer Bos: “Of de minister kent haar eigen brief niet, of zij
wil hem niet kennen. In haar brief geeft zij niet alleen het resultaat van
de afweging weer. Zij omschrijft ook wat zij in haar afwegingen heeft
betrokken, te weten de bevoegdheden, wat aan de orde is in officiële
registraties, zorgwekkende veiligheidssituaties, Somalische cultuur… De
minister noemt alles wat zij in de afweging heeft betrokken. Nergens voert
zij echter de verklaring van Ayaan aan.”
Minister Verdonk: “Ik heb zojuist heel duidelijk gezegd dat ik
een afweging heb gemaakt. Het besluit dat is genomen, is kenbaar gemaakt aan
de advocaat. Daarin staat dat wij normaliter schriftelijke informatie zouden
laten prevaleren. Wij hebben uit verschillende bronnen schriftelijke
informatie dat de naam Magan is. Er zijn getuigenverklaringen dat de naam
Ali mag worden gevoerd. Daarbij had ik de verklaring van Ayaan zelf nodig
waarin zij publiekelijk duidelijk maakt dat zij de naam Ayaan Hirsi Ali wil
gaan voeren.”
De heer Bos: “Voor het vaststellen van feiten, zeker ten aanzien
van fraude, laat staan identiteitsfraude, is het nog nooit relevant geweest
wat de betrokkene er zelf of zegt. Dat is vast en zeker ook nu het geval.
Mijn tweede vraag aan de minister is de volgende. Zelfs als zij
gelijk heeft en er dus behoefte zou bestaan aan een verklaring van Ayaan
over hoe zij zich noemt, wat is er dan de juridische relevantie van dat zij
ook nog eens een keer haar excuses aanbiedt voor wat zij heeft gezegd, de
minister vrijpleit en zegt dat het allemaal aan haarzelf heeft gelegen?
Waarom was ook dat deel van de brief, waaraan de heer Van beek zich terecht
zo stoorde, nodig?”
Minister Verdonk: “De gemachtigde van Ayaan heeft gesteld dat
zij gedwaald had. Door haar dwaling heeft zij de minister op het verkeerde
been gezet. De minister nam aan dat zij inderdaad Ayaan Hirsi Magan heette,
zoals zijzelf verklaarde, en niet Ayaan Hirsi Ali en dat zij dus
identiteitsfraude had gepleegd. Dat hebben wij in de verklaring opgenomen.
Ik wijs erop dat de verklaring naar de gemachtigde is gefaxt. De gemachtigde
heeft ernaar gekeken en er wijzigingen in aangebracht. Er bestond alle
vrijheid om deze verklaring te wijzigen. Er zijn twee woordjes uit gehaald
en twee woordjes voor terug gekomen. Daarna is de verklaring getekend.”
De heer Bos: “Ik wil eerst nog even een reactie geven op wat de
minister nu heeft gezegd. Een gemachtigde is door iemand anders gemachtigd
om namens hem of haar iets te zeggen. De minister heeft zojuist gezegd dat
de gemachtigde in de procedure al had verklaard dat betrokkene had gedwaald
ten aanzien van de naam Hirsi Ali. Dan heeft zij dus al uit de mond van
betrokkene, via gemachtigde, gehoord hoe het zit. Dan hoef je er niet nog
een keer publiekelijk overheen. Dat diende dus kennelijk een heel ander
doel.
Mijn laatste vraag aan de minister is de volgende. Wanneer zij
zegt dat betrokkene alle vrijheid had om te wijzigen, zegt zij daarmee dan
ook dat het niet relevant was geweest voor het tijdstip waarop zij
uiteindelijk een brief zou hebben gekregen waarin stond dat zij Nederlandse
kon blijven?”
Minister Verdonk: “Neen, dat laatste zeg ik niet. Ik wilde haar
verklaring wel eerst hebben. Inderdaad heeft de advocaat aan het begin van
het traject duidelijk gemaakt dat sprake was van een dwaling. Daarna was
natuurlijk nog wel onderzoek nodig.”
De heer Bos: “Wij kunnen dus het volgende vaststellen: iemand
die in een positie zit waarin zij de macht heeft en de bevoegdheid heeft om
wel of niet een naturalisatiebesluit af te geven, kan zeggen: betrokkene
heeft niet alle vrijheid om zomaar van alles te ondertekenen, ik heb
bepaalde eisen en als zij niet doet wat ik wil, kan dat betekenen dat het
besluit niet af komt. In dit geval gaat het ook nog om een brief waarin
betrokkene excuses moet maken en moet zeggen dat het allemaal aan haar lag
en niet aan de minister. En in dit geval is diegene onder druk komen te
staan, want er was tijdsdruk; ze had haar paspoort nodig. Haar is gevraagd
om iets te doen, terwijl dat juridisch niet nodig was.”
Minister Verdonk: “Er is geen sprake van: als zij niet doet wat
ik wil. Op de vraag aan mevrouw Hirsi Ali of zij gedwongen was, heeft zij
duidelijk gezegd dat ze niet ertoe is gedwongen die verklaring te tekenen.”
Mevrouw Van der Laan: “Het is duidelijk dat zij daartoe niet is
gedwongen. De vraag van velen hier in de Kamer is dan ook niet of zij
daartoe is gedwongen. De vraag is of er op enig moment is aangegeven dat als
zij die verklaring zou ondertekenen, zij dan de volgende dag de zekerheid
zou hebben over haar paspoort.”
Minister Verdonk: “Ik heb begrepen dat haar gemachtigde haar dat
heeft verteld. Van onze kant is gezegd dat wij die verklaring nodig hebben
om de uiteindelijke constatering te kunnen doen.”
Mevrouw Van der Laan: “Mijn vraag was of aan Ayaan, of aan haar
gemachtigde, is meegedeeld dat als zij die verklaring zou ondertekenen, er
de volgende dag duidelijkheid over haar paspoort zou zijn.”
Minister Verdonk: “Bij mijn weten niet.”
Mevrouw Van der Laan: “Misschien kunt u dat even checken bij
degene die de communicatie heeft gedaan. Ik denk dat dat namelijk wel van
belang is. U zegt: zonder die verklaring had zij dat paspoort ook gekregen."
Minister Verdonk: “Nee, dat zeg ik niet. Ik zeg dat ik die
verklaring nodig had om de uiteindelijke constatering te doen. Volgens mij
is er nooit sprake geweest van: als je dit nu doet dan zal morgen dát. Wel
van: deze verklaring is nodig voor het uiteindelijke oordeel.”
Mevrouw Van der Laan: “Kunt u dan uitleggen welk onderdeel van
die verklaring echt nodig was voor dat uiteindelijke oordeel? Want de
dwaling stond al op pagina 13 van de brief van 1 juni van de advocaat. Het
feit dat zij de naam Ayaan Hirsi Ali zou voeren, en niet de naam Magan, was
al in een eerdere verklaring duidelijk geworden. Wat is dan juridisch gezien
de toegevoegde waarde van die verklaring?”
Minister Verdonk: “Dat de advocaat dat aan het begin van het
traject meedeelde, was niet voldoende, daar moesten wij onderzoek naar doen.
Wij hebben geprobeerd om met deze verklaring het verloop van het traject
samen te vatten, met daarbij de laatste zin dat zij de naam Ayaan Hirsi Ali
wil blijven gebruiken.”
Mevrouw Van der Laan: “Het is duidelijk geworden dat Ayaan Hirsi
Ali die korte verklaring die wij al hebben gezien, al had getekend. Die was
al in het bezit van de regering. Dat was meer dan genoeg. Het laatste
juridische obstakel was hiermee weggewerkt. Wat was de meerwaarde van die
uitgebreide verklaring?”
Minister Verdonk: “Ten eerste staat er in die verklaring dat de
minister van Justitie een beslissing moet nemen. Maar de minister van
Justitie gaat niet over het besluit dat daarin wordt genoemd, dus wat dat
betreft was die verklaring al niet juist. Ten tweede stond er in dat zij
altijd de naam Hirsi Ali wil voeren. Dat is een toezegging die ik helemaal
niet wil, want misschien gaat zij nog eens trouwen met iemand, of wil zij om
een andere reden haar naam veranderen. Die verklaring was dus niet juist.”
Mevrouw Van der Laan: “Maar dan blijft nog steeds de vraag wat
de meerwaarde is van het diepe mea culpa dat Ayaan moest uitspreken in die
verklaring.”
Minister Verdonk: “Wij hebben een conceptverklaring gemaakt, die
naar Ayaan en naar haar gemachtigde is gefaxt. Er was de mogelijkheid om
daarop te reageren. Er zijn dan ook enige woorden aan veranderd. Ayaan heeft
gisteren duidelijk verklaard dat zij zich niet gedwongen voelde. Zij heeft
uit vrije wil haar handtekening onder die verklaring gezet, dus volgens mij
is er geen sprake van dwang. Er lag een conceptverklaring, er zijn woorden
veranderd en er staat nu een handtekening onder.”
Mevrouw Van der Laan: “Ayaan heeft gezegd dat zij opereerde
onder tijdsdruk. Zij wil een visum aanvragen, zij wil met haar nieuwe baan
beginnen en zij wil een nieuw leven beginnen. Zij stond wel degelijk onder
druk, niet onder de druk van een minister, maar onder tijdsdruk. Ik vraag
dus nog een keer of haar duidelijk is gemaakt dat als zij die verklaring zou
tekenen, zij de volgende dag die duidelijkheid over haar paspoort zou
hebben.”
Minister Verdonk: “Ik weet niet wat de gemachtigde heeft gezegd,
maar volgens mij is door onze kant alleen gemeld dat deze verklaring nodig
was voor het uiteindelijke oordeel. De tijdsdruk was een eigen beleving van
betrokkene. Zij heeft ook heel duidelijk gezegd dat zij niet onder druk is
gezet of is gedwongen.”
Mevrouw Halsema: “Ik vraag me af of de minister nu zelf merkt
dat zij zichzelf tegenspreekt. Wat ik naar vind, is dat zij de
minister-president daaraan inmiddels medeplichtig heeft gemaakt, overigens
in volle, vrije verantwoordelijkheid. Zij zegt dat de verklaring nodig was
om de zaak rond te krijgen en dat mevrouw Hirsi Ali dat wist. Tegelijkertijd
zegt zij dat er geen druk was. Dat kan niet allebei waar zijn. Als de
verklaring nodig was voor de bewijslast om de zaak rond te krijgen, is er
dus gewoon druk op mevrouw Ayaan Hirsi Ali uitgeoefend, want dan wist zij
namelijk ook dat de zaak niet rond zou komen als zij niet tekende. Met het
benadrukken dat de brief noodzakelijk was voor de bewijslast erkend de
minister dat er druk is uitgeoefend.”
Minister Verdonk: “Als de overheid aan iemand vraagt om een
verklaring te tekenen, hoort dat tot het normale verkeer tussen overheid en
burgers en dat is ook in dit geval zo. Er is geen druk uitgeoefend.”
De heer Rouvoet: “Ik vind het tamelijk onthutsend dat wij al
deze antwoorden van de minister alleen maar krijgen, omdat de Kamer hier
vragen over stelt. Zij is deze ronde begonnen met de opmerking dat zij zich
aansloot bij wat de minister-president hierover heeft gezegd. Ik heb juist
over de verklaring en de brief die zij heeft geschreven aan Ayaan Hirsi Ali
vrij stevige woorden gesproken. Ik vind het onbegrijpelijk dat de minister
in haar verantwoordelijkheid zegt dat zij verder niets hoeft te zeggen over
de verklaring, omdat de minister-president er al iets over heeft gezegd. Dit
moest ik even kwijt.
Als het allemaal zo klaar als een klontje is, zoals de minister
beweert, als het juridisch volstrekt gebruikelijk is en heel normaal met de
onderhandelingen en de advocaten, moet zij wel heel verbaasd zijn geweest
over de kwalificatie die Ayaan gisteren gebruikte over de brief en met name
over de verklaring. Zij heeft het politieke satire genoemd. Zij heeft het
woord tijdsdruk in de mond genomen. Daarover heeft mevrouw Halsema
gesproken. Ayaan heeft gezegd dat het een deal was, een compromis, een
pragmatische oplossing en dat zij het in zoverre serieus nam dat het alle
praktische vragen oploste en zij weer verder kon met haar leven. Zij zei dat
ze haar trots maar even had laten liggen. Was het echt allemaal zo
gebruikelijk en juridisch zo glashelder dat de verklaring nodig was om dit
af te handelen?”
Minister Verdonk: “De woorden van Ayaan zijn voor de
verantwoordelijkheid van Ayaan Hirsi Ali. Daarbij wil ik het laten.”
De heer Rouvoet: “Dat is iets te gemakkelijk. De minister zegt
dat zij gewoon hebben onderhandeld over de verklaring en dat er nog wat
wijzigingen zijn voorgesteld. Als je zo met elkaar bezig bent over een
verklaring die de minister juridisch nodig heeft en er dan een
televisie-uitzending komt waarin de betrokkene voluit gaat en zegt dat het
een politieke deal was, dat zij een paspoort wilde hebben, een visum nodig
had en verder wilde met haar leven, dan past dat niet bij elkaar. De
minister geeft het beeld van een volstrekt steriele juridische afdoening op
een volstrekt normale manier. Zij kan dat toch niet menen?”
Minister Verdonk: “Ik vind dat dus ook geen passende uitlatingen
van mevrouw Ayaan Hirsi Ali.”
De voorzitter: “De minister is aan het einde van haar termijn
gekomen. Mevrouw Van der Laan heeft mij gevraagd of zij ter voorbereiding op
haar tweede termijn nog een vraag aan de minister-president mag stellen. Ik
wil dat toestaan.”
Mevrouw Van der Laan: “Dank u wel, voorzitter. Het is dezelfde
vraag die ik aan mevrouw Verdonk heb gesteld. Zij antwoordde op mijn vraag
in hoeverre aan Ayaan of haar gemachtigde duidelijk is gemaakt dat er heel
snel duidelijkheid zou komen over haar paspoort, als zij de verklaring zou
ondertekenen: ‘Bij mijn weten is dat verband niet gelegd.’ Ik wil
weten of de minister-president ook kan zeggen dat dat verband bij zijn weten
niet is gelegd.”
Minister Balkenende: “Over de vraag of je een verklaring wel of
niet wilt hebben, wordt verschillend gedacht. Daar gaat het niet om. Het
kabinet heeft het standpunt dat de verklaring er moest komen als onderdeel
van de totale bewijsvoering om het verhaal rond te krijgen. Daar staan we
voor.
Ik heb uitgelegd wat de inhoud was. Die betrof zowel de
correctie van het beeld dat met de Zembla-uitzending was ontstaan als de
vraag: wil zij werkelijk de naam Hirsi Ali? Daarover gaat de laatste regel
in de brief.
Wat het contact met de advocaat betreft, merk ik het volgende
op. Met de advocaat van mevrouw Hirsi Ali is een concept besproken. Dat
heeft geleid tot een wijzing van de passage “ik betreur dat”. Dat waren de
woorden van mevrouw Hirsi Ali. De advocaat heeft gevraagd of met
ondertekening van de verklaring de zaak rond zou zijn. Daarop is te verstaan
gegeven: ja, dan is de zaak rond, want wij willen dat verhaal. Dat is geen
druk geweest. Ik wijs er in dit verband op dat mevrouw Hirsi Ali uit eigen
beweging een verklaring heeft afgegeven. Die bleek echter niet deugdelijk te
zijn. Daarin werd namelijk over de minister van Justitie gesproken en er
stond iets in wat er niet in had hoeven staan. Wij wilden vaststellen dat er
een verklaring zou komen waarin stond dat de inhoud van de uitzending moest
worden teruggenomen. Dat was nodig om het verhaal geloofwaardig te laten
zijn en om de betrokkene duidelijk te laten zeggen: ik kies voor de naam Ali
op basis van het Somalische naamrecht en op basis van de feitelijke
omstandigheden. Dat hebben wij duidelijk willen markeren. Dat is ook de
reden geweest waarom die verklaring is opgesteld. Het is absoluut niet een
kwestie van druk geweest. Wij hadden die verklaring nodig voor onze
motivering. Zo is het gegaan.”
Mevrouw Van der Laan: “Ik stel nog één keer precies dezelfde
vraag. Ik heb niet gezegd dat er sprake was van druk. Ik heb gevraagd of aan
mevrouw Hirsi Ali dan wel aan haar zaakgemachtigde is doorgegeven dat als de
verklaring zou worden ondertekend, er de volgende dag duidelijkheid zou
komen over het paspoort.”
Minister Balkenende: “Ik zeg wat ik mij heb laten vertellen,
want ik was er op dat moment niet bij. Op de vraag van de advocaat of met
ondertekening van de verklaring de zaak geregeld zou zijn, in de zin van dat
dan het verhaal rond zou zijn, is gezegd: ja dan is de zaak rond, want dan
is het verhaal sluitend. Dat is geen kwestie van druk, maar het is wel het
bieden van de helderheid die je van iedereen verwacht. Dit moest gebeuren.”
De heer Van Beek: “Ik begrijp heel goed waarom u die verklaring
nodig had, maar ik heb nog een vraag. De op een na laatste zin van de
verklaring luidt: Het gaat hier echter om feiten die de minister niet bekend
konden zijn en ik heb er volledig begrip voor dat zij heeft gehandeld zoals
zij heeft gedaan. Die zin lijkt mij niet nodig voor de volledige
besluitvorming. Ware het denkbaar geweest om die verklaring tot stand te
brengen zonder dat er deze zin in stond?”
Minister Balkenende: “Dat zou denkbaar zijn geweest. Dit was
echter een verklaring waarmee ook de minister voor V en I moest kunnen
leven. Daarover is in het overleg met de bewindslieden gesproken. Die
verklaring is voorgelegd aan de advocaat en dat heeft geleid tot een
verandering. Ook daarover is normaal gesproken. Essentieel is de correctie
van het beeld van de Zembla-uitzending en het verhaal van het willen
gebruiken van de naam Hirsi Ali.”
De heer Van Beek: “Hadden de correcties betrekking op deze
passage of op andere?”
Minister Balkenende: “Op deze passage.”
De voorzitter: “Het zou normaal zijn om deze ronde nu te
beëindigen, maar ik begrijp dat de heer Bos nog een vraag wil stellen.”
De heer Bos: “Ik wil slechts mijn dank uitspreken voor het feit
dat de minister-president deze helderheid heeft geboden. Nu weten wij dat
die brief niet alleen vanwege juridische relevantie geboden was, maar ook
vanwege het feit dat de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie ermee
moest kunnen leven. Met dat argument werd iemand die van diezelfde minister
afhankelijk was gevraagd om te tekenen, terwijl zij wist dat dat nodig was
om haar paspoort te krijgen. Dat weten wij dan nu.”
Minister Balkenende: “Ik zeg van mijn kant dat over deze
verklaring normaal overleg heeft plaatsgevonden. Dat zijn de feiten.”
De
vergadering wordt van 02.31 uur tot 03.30 uur geschorst.
(Naar boven) |