







a>

|
De tweede
termijn
De voorzitter: “De vergadering is, naar ik vrees kort, heropend.
De fractie van D66 heeft mij verzocht de vergadering tot 4.30 uur te
schorsen. Ik wil aan dat verzoek voldoen. Maar als er om 4.30 uur een nader
verzoek komt van wie dan ook om nog verder te schorsen, vind ik het in mijn
verantwoordelijkheid voor het welzijn van een ieder die zich in dit gebouw
bevindt niet verantwoord om dan nog langer rond te hangen en te wachten. Dan
zal mijn voorstel zijn -- dit is een vooraankondiging; u kunt erover
nadenken -- om morgen om 12.00 uur, 13.00 uur door te gaan. Laten wij tot
4.30 uur wachten. Als er nog een verzoek tot schorsing komt, vind ik dat
niet verantwoord. Dat is mijn mededeling tevens aankondiging voor een
voorstel.”
Mevrouw Halsema: “Voorzitter. Dan wil ik alvast aankondigen dat
ik daar bezwaar tegen heb. Het klinkt bijna als een vrijbrief voor iedereen
die in dubio is om er nog eens rustig de ochtend over na te denken. Ik denk
dat dit debat afgemaakt moet worden, ook al vind ik het verschrikkelijk voor
de medewerkers. Laat ik dat erbij zeggen.”
De heer Bos: “Voorzitter. Ik steun mevrouw Halsema.”
De heer Van de Camp (CDA): “Voorzitter. Ik sluit mij daarbij
aan.”
De heer Van der Ham (D66): “Voorzitter. Ook ik sluit mij daarbij
aan.”
De heer De Wit: “Voorzitter. Dat geldt ook voor de SP-fractie.”
De voorzitter: “Soms lopen primaire gedachten over het welzijn
van mensen niet parallel met primaire gedachten over de gang van zaken in de
politiek. Beide gedachten zijn zeer begrijpelijk.”
De vergadering wordt van 3.55 uur tot 4.30 uur geschorst.
Het begint licht te worden. De zon wil niet langer wachten. Dan
maar debatteren bij daglicht. Ik weet niet hoe ik de laatste uren ben
doorgekomen. Normaliter pak ik dan een borrel als het zo laat is en ik de
tijd moet verdrijven. Maat ik moet wakker blijven. Mij mag niets ontgaan en
dus heb ik veel water tot mij genomen. Het eindspel komt nu werkelijk in
zicht, tenminste…
De voorzitter: “Voordat wij beginnen aan de tweede termijn, geef
ik het woord aan de minister-president in een verlengde eerste termijn.”
Minister Balkenende: “Voorzitter. Het is al laat en blijkbaar
hebben mijn formuleringen aan het slot van de eerste termijn er toch wat
onder geleden. Ik heb gemerkt dat in mijn uitspraak ‘de minister moest er
ook mee kunnen leven’ veel meer is gelegd dan ik ermee heb bedoeld. Kern
van de redenering van het kabinet is het volgende: de verklaring was nodig
om het verhaal juridisch sluitend te krijgen ten aanzien van de
bewijsvoering. Mijn uitspraak sloeg op de overtuiging die de minister
daarvoor nodig had. Een zaak die was begonnen met een misverstand over de
naam moest eindigen met duidelijkheid over de naam. Het slot van de
verklaring voegt daaraan iets toe. De heer Van Beek en anderen die daar een
opmerking over hebben gemaakt, hebben gelijk dat die passage achterwege had
kunnen blijven. De heer Bos heeft aan die uitspraak een scherp oordeel
verbonden. Geen misverstand, ik hecht aan mijn integriteit en ik sta pal
voor de rechtsstaat. Daarom heb ik er behoefte aan, dit punt recht te zetten
en de verklaring in de juiste context te plaatsen.”
Door een vergissing erkende premier Balkenende in de nacht van
woensdag op donderdag dat Hirsi Ali onder druk was gezet een
schuldbekentenis te tekenen. Toen was er vooral voor D66 geen houden meer
aan. En van Verdonk heeft hij ongetwijfeld een paar woorden te horen
gekregen. Zij heeft dat in ieder geval niet collegiaal en solidair van
Balkenende gevonden. Hij probeert de schade te beperken. En terug te
krabbelen. Maar niemand die dat nog gelooft.
De voorzitter: “Ik heb de neiging om te zeggen dat de
spreektijden er in dit uur van de nacht eigenlijk niet meer toe doen, maar
ik bepaal ze toch maar op de helft van die in eerste termijn, dus
tweeënhalve minuut.”
Mevrouw Halsema: “Voorzitter. Ik begon mijn eerste termijn met
vijf constateringen over de handelwijze van de minister. Ik heb de minister
verzocht om die constateringen te weerleggen. Ik heb gezegd dat de minister
onvolledig en onzorgvuldig geweest. Zij heeft ontijdig gehandeld. Zij is
onjuist en onbehoorlijk geweest.
Laat ik beginnen met het heel schaarse goede nieuws uit dit
debat. Ergens in de marge van een nogal warrig betoog hoorde ik de minister
erkennen dat het ontijdig was geweest om het voorlopige besluit over Ayaan
Hirsi Ali publiek te maken in de vorm van openbaarmaking van de Kamervragen.
Tot zover het goede nieuws.
Alle andere aantijgingen, constateringen, die voor mijn fractie
leidend waren bij het voeren van dit debat zijn niet ontkracht, maar
versterkt en gekwadrateerd. De Kamer is onvolledig geïnformeerd. Dat blijkt
uit het IND-feitenrelaas. De minister heeft onzorgvuldig geopereerd in het
eerste onderzoek naar de omstandigheden rond mevrouw Hirsi Ali. Er is in het
vorige debat wat bluf geweest over Somalisch naamrecht. Er is een zinnetje
aangehaald uit The Guardian en er was de opgewarmde prak van Zembla. Al met
al stelt de minister nu vast dat het niet meer was dan een klein
onderzoekje, terwijl in het eerste debat werd gezegd dat alles onderzocht en
daarmee gezegd was. Het onderzoek was ontijdig met dramatische gevolgen voor
Ayaan Hirsi Ali aan haar kenbaar gemaakt. Daarbij heeft de minister ook nog
eens de onjuiste conclusie getrokken op het onderzoek. Zoveel is wel
duidelijk geworden nu de argumenten van de advocaten naadloos door de
minister zijn overgenomen. Zonder een kanttekening, zonder een aanmerking
heeft de minister het betoog van de advocaten tot de hare gemaakt.
In mijn eerste termijn noemde ik de schuldverklaring
onbehoorlijk. Ik moet zeggen dat ik dat een understatement vind. Ik vind het
ronduit machtsmisbruik. Aan het eind van zijn eerste termijn zei de
minister-president dat de minister alleen kon leven met een schuldverklaring
van mevrouw Hirsi Ali.
Hij
heeft daarmee wat mij betreft helderheid verschaft, ondanks de toevoeging
zojuist in zijn verklaring, waarmee alle andere gelegenheidsredeneringen
zijn vervallen, bijvoorbeeld die over de noodzaak om bewijslast te
verkrijgen. Laat ik wel zeggen dat ik mij erover verbaas dat de
minister-president de minister niet heeft kunnen bewegen om af te zien van
de schuldverklaring. Het gevolg van de schuldverklaring van Ayaan Hirsi Ali
en het feit dat de minister er alleen mee kon leven als die er kwam, is dat
wij niet meer kunnen leven met deze minister. Daarom dien ik de volgende
motie in.”
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
van mening dat de minister voor
Vreemdelingenzaken en Integratie in haar onderzoek naar de nationaliteit van
mevrouw A. Hirsi Ali en bij het bewerkstelligen van een ondertekening door
betrokkene van een "eigenschuldverklaring" onzorgvuldig te werk is gegaan;
spreekt hierover haar afkeuring uit,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: "Deze motie is voorgesteld door de leden Halsema, Bos, De Wit
en Rouvoet."
Mevrouw Halsema: “Voorzitter. Ik reken mijzelf niet tot de
politici die de politiek graag in een kwaad daglicht stellen; eerlijk gezegd
verweer ik mij daartegen altijd en vind ik het altijd pijnlijk als het wel
gebeurt. Het moet mij echter van het hart dat ik mij nu echt schaam. Ik
schaam mij dat wij gedwongen zijn geweest om een van de onzen zo te moeten
beschermen en ons zo over haar te moeten ontfermen door de willekeur en de
politieke egomanie van één minister. Ik schaam mij tegenover Ayaan Hirsi
Ali, die al zes weken lijdend voorwerp is. Ik schaam mij ook en vooral
tegenover alle mensen in vergelijkbare situaties die hun hoop op ons hebben
gevestigd. En ik schaam mij uiteindelijk ook tegenover de Nederlandse
burgers, omdat het voorkomen van gezichtsverlies van een minister zwaarder
weegt dan recht en rechtvaardigheid.”
De heer Wilders: “Voorzitter. Het was vanavond en vannacht ook
wat mij betreft een beschamende vertoning. Wat hebben wij nu eigenlijk
gezien? Wij hebben uit alle hoeken en gaten politici gezien die
verantwoordelijkheden proberen te ontlopen, die elkaar de schuld van zaken
willen geven en die eigenlijk daarmee hun eigen straatje schoon proberen te
vegen. Dat is politiek waar wij niet alleen niet trots op mogen zijn, maar
waar wij ons ook ten diepste voor moeten schamen.
De minister-president heeft wat mij betreft gefaald op dit
dossier. Hij heeft zich -ik heb mij daaraan gestoord- op alle mogelijke
manieren verschuild achter ambtelijke overleggen waar hij niet bij zat. Hij
heeft verwezen naar mevrouw Verdonk die zelf heeft gezegd dat het allemaal
wat zorgvuldiger had gekund. Geen enkele millimeter van zelfkritiek bij deze
minister-president. Geen enkel begin van een regie bij deze
minister-president. Een zwakke minister-president.
Dan over de inhoud. Ik blijf erbij dat het kabinet niet had
moeten besluiten om vervolgens mevrouw Hirsi Ali toch de Nederlandse
nationaliteit te laten behouden. Het Somalische recht is toegepast.
Verklaringen van familieleden die in die zin nooit eerder zijn gebruikt en
geaccepteerd, zijn gebruikt. Ook de leugens over de leeftijd zijn nog steeds
genegeerd. En daar is geen goed antwoord op gekregen.
En dan wat er aan het einde van de eerste termijn van de
minister-president uit de hoge hoed kwam. Was er nu wel of niet een deal. Ik
begrijp dat hij of iemand anders uit zijn kabinet het een ‘slip of the
tongue’ noemde, maar hij heeft het gezegd ondanks dat hij het nu
probeert recht te praten. Hij heeft gezegd dat minister Verdonk ermee zou
moeten kunnen leven. Dat is niet alleen politiek zeer onhandig, al was hij
hier misschien eerlijk over. Het is bovendien de rechtsstaat onwaardig. Het
kan niet dat er politieke deals worden gesloten terwijl de inhoud volgens
mij tot een andere conclusie leidt. Die conclusie is niet: wij maken een
deal, jij stelt de minister tevreden en dan krijg jij morgen de zekerheid
over je paspoort. De feitelijke conclusie moet zijn dat het moet gaan om de
inhoud. De inhoud heeft bij deze bewindslieden helaas niet gedomineerd. Het
politieke spel heeft gedomineerd. Dat is iets waarvoor je je moet schamen.
Mijn conclusie is: een verkeerd besluit, een verkeerde procedure
en bewindslieden die van alle kanten hebben gefaald. Zal ik dan een motie
van een andere politieke partij steunen, namelijk die van de fractie van
GroenLinks? Die fractie vindt, los van de handelswijze van het kabinet en
alle kritiek, dat het kabinetsbesluit gedragen kan worden. De manier waarop
het is gegaan, is niet goed. De GroenLinks-fractie is echter tevreden over
het feit dat mevrouw Hirsi Ali de Nederlandse nationaliteit behoudt. Met die
wolven in het bos huil ik niet mee. Om die reden zal ik deze motie, ondanks
mijn kritiek op het kabinet, niet steunen.”
De heer De Wit: “Voorzitter. Wij hebben gisteren en vandaag
toch weer uren gepraat over een individuele zaak, namelijk die van Ayaan
Hirsi Ali. Honderden, duizenden vreemdelingen in min of meer vergelijkbare
situaties valt dat geluk niet ten deel. Mijn fractie heeft deze affaire
altijd willen aangrijpen als breekijzer voor die mensen. Om die reden heb ik
bij het vorige debat in mei over Hirsi Ali gesproken als ‘26.000 plus 1’.
Wij benadrukken nogmaals te hopen dat de creativiteit die door de minister
voor Vreemdelingenzaken aan de dag is gelegd om het Nederlanderschap van
Ayaan Hirsi Ali te redden, ondanks haar onware verklaringen, ook gebruikt
zal worden in al die andere gevallen. Dat soort menselijkheid en begrip
missen wij al jaren in het Nederlandse vreemdelingenbeleid. Er zijn mensen
om minder vergissingen of leugens dan die van Hirsi Ali uitgezet.
Wij zijn blij met de toezegging dat wij nog een uitgebreid debat
gaan voeren over de vraag welke gevolgen deze zaak heeft voor die mensen.
Dat is voor ons het belangrijkste onderwerp. Wij hopen op een rustiger
moment uitvoerig hierop terug te kunnen komen.
Eén vraag blijft ook na dit lange debat overeind. Waarom zegt
minister Verdonk eerst dat Ayaan Hirsi Ali niets hoeft te vrezen, om dan een
kort onderzoek te doen en vervolgens tot grote verrassing van de
minister-president en minister Zalm, die er met hun neus bovenop stonden,
met een volgens Kamervoorzitter Weisglas definitieve vooralsnogbrief
te komen over een toch zo gevoelig en bijzonder onderwerp?
Het is in dit debat niet genoemd, maar bij mijn fractie
overheerst nog steeds het gevoel dat wij de timing van de minister niet los
kunnen zien van haar race om het VVD-lijsttrekkerschap. Deze minister doet
normaal gerust een maand of drie over het beantwoorden van Kamervragen. Deze
antwoorden kwamen binnen 48 uur. Wij vinden dit onzorgvuldig, onbesuisd en
de oorzaak van een hoop ellende. Vervolgens gaat de minister, ook bij de
zorgvuldig bij elkaar onderhandelde oplossing, in de fout. Zij dwingt een
excuusverklaring af bij Ayaan Hirsi Ali in ruil voor het behouden van haar
paspoort. Wat er ook zij van de juridische relevantie van die verklaring,
het is door de opmerking van de minister-president nu glashelder dat het mea
culpa er alleen in moest omdat de minister met de tekst moest kunnen leven.
Dat is schandelijk in onze ogen. Wij houden de minister hiervoor
verantwoordelijk. Een ding moet hieraan toegevoegd worden. Ook de
minister-president wist blijkbaar af van de eis van de minister van
Vreemdelingenzaken en Integratie dat zij een schuldbekentenis wilde en heeft
dit niet verhinderd. Dat is een trieste constatering.
Tot welke conclusie leidt dit alles de SP-fractie? Wij bespeuren
bij de minister voor de zoveelste keer een totaal gebrek aan zelfreflectie
en een compleet onvermogen om kritisch naar haar eigen optreden te kijken.
Wij constateren opnieuw dat wij geen vertrouwen hebben in deze minister. Wij
vinden de door de minister begane fouten, zowel bij het begin als aan het
einde van deze affaire, dusdanig dat wij de motie van wantrouwen zoals
voorgedragen door mevrouw Halsema zullen steunen.”
De heer Van As: “Voorzitter. Vanavond hebben we een
ontgoocheling meegemaakt. Minister Verdonk kon niets goed doen. Of ze nu
vooruit of achteruit was gegaan in haar beantwoording, ze kon niks goed
doen. Dat komt doordat zij in het debat van 16 mei te vlug schijnt te hebben
gehandeld; zij heeft een zaak afgedaan op basis van toenmalige feiten en
verklaringen van de betrokkene zelf. Die zaak deed zij, met een verwijzing
naar een arrest van de Hoge Raad, net zo af als soortgelijke gevallen. Daar
is niets mis mee, zij heeft dat naar eer en geweten en te goeder trouw
gedaan. Daarvan zijn wij overtuigd.
Middels een motie, kamerbreed gesteund, is de minister voor het
blok gezet en moest ze met een oplossing komen. De Kamer is eigenlijk op de
stoel van de rechter gaan zitten en wilde dat een paspoort werd geregeld.
Wat er na die tijd allemaal is gebeurd en waartoe dat heeft geleid, hebben
we vanavond meegemaakt. Wij vinden het een grote wanvertoning, omdat
eigenlijk sprake is van gekunsteldheid, gelegenheidpolitiek en
gelegenheidswetgeving. Het is niet uit te leggen aan onze burgers. Ik kan me
indenken dat eenieder die dit debat heeft gevolgd, zich diep en diep zal
schamen voor de manier waarop wij als parlement hiermee bezig zijn geweest.
Ook wij schamen ons er diep voor.
Wij zijn ook niet blij met de wijze waarop het kabinet met een
oplossing is gekomen. Wij zetten grote vraagtekens bij de wijze waarop dit
juridisch is dichtgespijkerd en vragen ons af of het dat kan blijven. Wij
zien de Britta Böhlers en alle andere asieladvocaten al in rijen klaarstaan
om met alle andere gevallen te komen. Verder moet ons dit nog van het hart.
Het beleid van deze minister, vanuit het kabinet -en we gaan er nog steeds
van uit dat het kabinet met één mond spreekt- komt niet altijd goed aan,
zeker niet bij een aantal linkse partijen. Dat is ons bekend. Desondanks
zullen wij deze minister blijven steunen. Wij zien geen enkele reden om deze
motie van afkeuring van GroenLinks te ondersteunen. Wij wensen deze minister
veel wijsheid en sterkte toe; dat heeft ze zeker nodig. Wij vinden het
alleen een gemiste kans dat zij geen gebruik heeft gemaakt van artikel 10,
lid 2 van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Onzes inziens had zij,
gebruikmakend van dit wetsartikel, op een adequatere manier het
Nederlanderschap aan mevrouw Hirsi Ali kunnen geven. De wijze waarop dit nu
heeft plaatsgevonden, vinden we een gemiste kans. Daarnaast betreuren we in
hoge mate dat de minister met haar ambtelijke dienst niet in staat is
gebleken om middels de Nederlandse ambassade, hetzij in Canada, hetzij in
Nairobi, meer documenten van betrokkene boven water te halen. Onzes inziens
zou de zaak daardoor zonneklaar zijn geweest. Wij zijn en blijven van mening
dat er op alle mogelijke manieren, met list en bedrog -verkeerde datum,
verkeerde naam, een ander land Somalië terwijl betrokkene uit Kenia kwam- de
hand is gelicht. Dat is niet te verkopen, aan wie dan ook. In soortgelijke
gevallen zal de minister daar grote problemen mee hebben. Wij hopen dat de
minister met adequate maatregelen komt om deze zaak juridisch goed dicht te
spijkeren; anders is volgens ons het hek van de dam.”
De heer Nawijn: “Voorzitter. Het hele debat en de handelwijze
van het kabinet overziende, blijf ik erbij dat minister Verdonk ook in
eerste instantie goed en juridisch juist heeft gehandeld. Vanwege de motie
en de meerderheid van deze Kamer heeft zij een oplossing moeten vinden om
vast te stellen dat mevrouw Hirsi Ali haar Nederlanderschap heeft
behouden. Vervolgens komt de minister met een oplossing op basis van een
uitspraak van de meerderheid van deze Kamer, maar toch krijgt zij weer van
alles over zich heen. Naar mijn mening is dat niet juist. Ik betreur het dat
de minister heeft toegegeven aan de politieke druk, want er zal zeker
precedentwerking zijn. In de strijd tegen identiteitsfraude zal de minister
daar last van krijgen. Aan identiteitsfraude mag niet worden toegegeven, wie
het ook betreft. Gelijke monniken, gelijke kappen. Ik kom bij mijn
eindconclusie. Minister Verdonk heeft goede resultaten bereikt in het
vreemdelingenbeleid. Ook al ben ik het niet eens met hoe dit debat loopt en
met wat zij heeft besloten, de motie van afkeuring van de GroenLinks-fractie
zal ik niet steunen.”
De heer Verhagen: “Voorzitter. Ik bedank de bewindslieden voor
de beantwoording in eerste termijn. In het debat op 16 mei had ik
vastgesteld dat de minister te snel, te vroeg en dus onzorgvuldig handelde
met betrekking tot de brief aan de Kamer van 15 mei. De minister heeft in
dit debat betreurd dat zij haar besluit zo snel publiek heeft gemaakt; met
de wetenschap van nu had zij anders moeten handelen. Ik ben ook blij dat de
minister-president duidelijk heeft gemaakt dat de zinnen in de verklaring
van mevrouw Hirsi Ali waarin zij betreurt dat zij de minister op het
verkeerde been heeft gezet, niet nodig waren in het kader van het onderzoek
en de juridische gevolgen. Ik ga ervan uit dat de minister van
Vreemdelingenzaken en Integratie dezelfde ruimhartigheid die zij hanteerde
bij het publiek maken van de brief met het besluit dat zij had genomen, ook
zal hanteren ten aanzien van de juridisch niet strikt noodzakelijke passages
uit de verklaring van mevrouw Hirsi Ali. Ik hoop dat zij ook zonder deze
elementen met de verklaring kan leven.
Tijdens het vorige debat hebben wij uitvoerig gesproken over
zorgvuldigheid. Dat was ook de reden om een motie in te dienen die aandrong
op zorgvuldigheid. De minister heeft dit ter harte genomen, heeft alsnog een
zorgvuldig onderzoek laten verrichten en is tot een afgewogen conclusie
gekomen. Daarmee heeft zij niet alleen de door de Kamer aangenomen motie
uitgevoerd, maar is zij op basis van het nader onderzoek en een zorgvuldige
belangenafweging tot een weloverwogen besluit gekomen. Het zou dan ook
vreemd zijn indien wij als Kamer het een minister kwalijk nemen dat zij een
wens van de Kamer uitvoert.”
De heer Bos: “Voorzitter. Ik begon aan dit debat met de nodige
scepsis over de opstelling van dit kabinet. Die scepsis is nu omgeslagen in
verontwaardiging en afkeuring. Dat is de reden dat wij de motie die mevrouw
Halsema net heeft voorgelezen, hebben ondertekend. De PvdA-fractie trekt
kortheidshalve de volgende conclusies.
Ten eerste: minister Verdonk heeft op geen enkele wijze
duidelijk kunnen maken waarom zij het onderzoek dat de afgelopen weken is
verricht, niet al in mei had kunnen verrichten. Gezien de gevolgen en het
feit dat die gevolgen voorzienbaar waren, is er sprake van een grote
onzorgvuldigheid.
Ten tweede: zij heeft naar niemand willen luisteren en kan zich
achter niemand verschuilen; niet achter de Kamervoorzitter, niet achter
Ayaan en niet achter haar ambtenaren. Dat het zo is gelopen, is haar
verantwoordelijkheid en van haar alleen.
Ten derde: het was juridisch irrelevant, moreel laakbaar en
rechtsstatelijk ongepast dat zij Ayaan vroeg een excuusverklaring te tekenen
als onderdeel van een procedure om Ayaan wel of niet haar Nederlanderschap
te laten behouden. Juridisch irrelevant omdat feiten relevant zijn voor een
identiteit en niet uitlatingen. Moreel laakbaar omdat zij nooit misbruik had
mogen maken van het feit dat Ayaan in een afhankelijke positie verkeerde.
Rechtsstatelijk ongepast omdat juist bij een minister die huist op het
departement van Justitie, nooit enige twijfel mag bestaan over hoe het recht
wordt toegepast.
Ten vierde: aan regie heeft het totaal ontbroken. Noch de
minister-president noch vice-premier Zalm heeft gedaan wat hij moest doen
namelijk op kritieke momenten de teugels aantrekken. Het is een
minister-president bovendien onwaardig om verantwoordelijkheid te nemen voor
juridische kletskoek, louter en alleen om het gezicht van de minister van
Vreemdelingenzaken en Integratie te redden, zoals hij feitelijk in de
laatste minuut van zijn eerste termijn toegaf. Hij zegt nu dat hij het zo
niet bedoeld heeft, maar dat maakt het verhaal er niet bepaald
geloofwaardiger op.
Ten vijfde: dit debat ging over veel meer dan alleen Ayaan. Ik
herhaal wat ik in het debat in mei heb gezegd. Het debat ging over hoe
absurd de uitvoering van ons vreemdelingenrecht inmiddels in elkaar steekt,
over hoe het gevoel voor proportie en de menselijke maat ontbreekt en over
hoe wij dan schrikken als één van ons dreigt te worden vermorzeld. Ongeacht
de vraag of het Ayaan betreft of een persoon die wij niet kennen en die
minder goed zijn woordje kan doen, mogen wij niet vergeten dat
vluchtelingen, zowel degenen die hier wel binnen mogen komen als degenen die
dat om goede redenen niet mogen, bijna altijd desperate mensen zijn. Het
zijn mensen met een leven en levensverhalen waarin leugens, dwalingen, hele
en halve waarheden elkaar regelmatig afwisselen. Dat maakt hun situatie ook
zo complex. Alleen daarom mag er nooit sprake zijn van het louter toepassen
van regels. Er moet altijd ruimte zijn voor het wijze, menselijke oordeel.
Vluchtelingen, ongeacht hun verblijfstatus en geschiedenis, zijn
afhankelijke mensen omdat zij moeten afwachten of zij krijgen wat zij van
ons vragen. Als ik de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie vanavond
hoor zeggen dat Ayaan tot niets gedwongen werd en volkomen vrij was, dan
geef ik haar en alle andere liberalen hier verenigd nog één gedachte mee uit
de periode die sociaal-democraten en liberalen met elkaar delen: de
Verlichting. In die tijd ontstonden onze partijen als politieke
emancipatiebewegingen, waarbij één gedachte ons verenigde, namelijk dat
afhankelijke mensen nooit vrij zijn.”
Dan nu weer de man die zich amper durft te verroeren, de heer
Van Beek met zijn bedeesde stemmetje: “Voorzitter. Ik maak slechts een
enkele opmerking. Ik ben mijn bijdrage in eerste termijn begonnen door te
zeggen dat het debat van vanavond begon bij de afsluiting van het debat van
16 mei. Ik heb echter gemerkt dat een groot deel van de debatten en de
beantwoording herhalingen waren van hetgeen reeds op 16 mei was besproken.
Ik betreur dat, want dat is de duidelijkheid niet ten goede gekomen. Op één
punt is wel een nieuwe verklaring gekomen, namelijk van de kant van minister
Verdonk over de vroegtijdige openbaarheid. Ik ben haar daar erkentelijk
voor. Zij heeft een belangrijke constatering gedaan.
De moties die de Kamer op 16 mei aannam, zijn uitgevoerd of
worden nog uitgevoerd. Dat was ook de inzet van mijn fractie. De moties
hebben uiteindelijk geleid tot de situatie dat met de informatie die nu
beschikbaar is het besluit kon worden genomen dat Ayaan Nederlandse blijft.
Ook daar is de VVD-fractie blij mee. Een bepaalde passage in de verklaring
van Ayaan was onnodig voor de juridische beoordeling. Ik ben de
minister-president ervoor erkentelijk dat hij dat in een aanvullende
verklaring namens het kabinet heeft aangegeven.
Voor ons is belangrijk dat de wet slechts één regeling kent voor
elke burger. Iedereen behoort op dezelfde manier te worden behandeld door de
overheid. Gelijke monniken, gelijke kappen betekent dezelfde procedures,
dezelfde verweermogelijkheden en dezelfde afwegingen.”
De heer Rouvoet: “Voorzitter. Ik zal mij in mijn tweede termijn
tot het hoogst noodzakelijke beperken, niet alleen vanwege het tijdstip,
maar ook vanwege het verloop van het debat. Ik zal dus niet alle aspecten
langslopen van de vertoning -want dat vind ik het- waarop dit debat is
uitgedraaid. Ik zeg erbij dat de eerste termijn van de minister voor V&I
duidelijk heeft gemaakt dat dit niet bijster zinvol is.
De centrale vraag voor de fractie van de ChristenUnie was of de
minister ons alsnog zou kunnen overtuigen dat er zorgvuldig is gehandeld.
Haar uitgangspositie na het debat van 16 mei was al niet best. De brief en
zeker de verklaring maakten het bepaald niet beter. Wat voor onze fractie in
belangrijke mate de deur dicht heeft gedaan, was het feit dat de minister
zelfs op het punt van die verklaring probeerde weg te lopen voor haar
verantwoordelijkheid door te verwijzen naar de inbreng van de
minister-president. Dit terwijl haar door alle fracties, ook door mijn
fractie, indringende vragen waren gesteld over die verklaring. Er zijn
stevige woorden over gesproken. Wij vonden het onbestaanbaar dat de
verantwoordelijke minister zei: voor het vervolg van de procedure sluit ik
mij aan bij de opmerkingen die de minister-president heeft gemaakt. Je neemt
dan je verantwoordelijkheid en je legt uit hoe het is gegaan. Dat laat je
niet afhangen van de vraag of de Kamer daarover vervolgens een aantal vragen
stelt. Je duikt niet weg achter een collega.
Het antwoord van de minister-president op de laatste vraag van
collega Van Beek kon ik eerlijk gezegd wel plaatsen. Was het een slip of the
tongue? De minister-president heeft gezegd dat hij die opmerking in zijn
context wil plaatsen. De mededeling dat de minister voor V&I ermee moest
kunnen leven, vormde die context en sloot naadloos aan bij het beeld en het
hele proces. Het paste ook bij de kwalificaties die die andere betrokkene,
Ayaan Hirsi Ali, eraan had gegeven. Het was een deal, het was een politiek
compromis, het was een pragmatische oplossing waar zij mee kon leven, omdat
het alle vragen oploste en zij verder kon met haar leven. Ik kon die
opmerking dus wel plaatsen. De vraag die de heer Van Beek overigens aan de
minister-president stelde over die verklaring, had natuurlijk aan de
minister voor V&I moeten worden gesteld, want zij was daarvoor
verantwoordelijk. Toen dat gebeurde vroeg ik mij wel af of zij het politiek
misschien niet handige, maar wel eerlijke antwoord op dezelfde wijze gegeven
zou hebben.
De nadere toelichting van de minister-president aan het begin
van deze termijn op zijn antwoord, veranderde er voor mijn fractie niets aan
dat daarmee werd onderstreept dat het accent gaandeweg is verschoven van de
vraag hoe Ayaan Hirsi Ali haar paspoort kan behouden naar de vraag hoe
minister Verdonk haar ministerschap kan behouden. Die twee belangen zijn in
onze waarneming met elkaar verknoopt geraakt in de schuldverklaring van
Ayaan Hirsi Ali. Daarmee is het voor ons een politieke deal.
Ik vind het altijd mooi als mensen bereid zijn om elkaar te
helpen. Wat is er mooier dan wederzijds dienstbetoon? Maar niet als de een
een wederdienst als voorwaarde stelt aan de ander die van haar afhankelijk
is. Zoals Ayaan het zelf zei: laat dan die trots maar even zitten, dan kies
ik voor mijn belang, dan kan ik tenminste verder met mijn leven.
De cruciale vraag is: hebben wij er vertrouwen in dat de deze
minister de zaken die onder haar verantwoordelijkheid vallen, zorgvuldig
behartigt? Heeft zij ons nu wél overtuigd? Kunnen wij -het slagveld
overziende- met droge ogen en naar eer en geweten zeggen dat het optreden en
de handelwijze van de minister onze goedkeuring kunnen wegdragen? Wie het
debat gevolgd heeft, zal het met mij eens zijn. De vraag stellen, is haar
beantwoorden. De ChristenUnie-fractie zegt niet lichtvaardig het vertrouwen
in ministers op, maar hier geldt ook de eigen geloofwaardigheid. En als je
dan in het optreden van de minister in dit debat geen enkel aanknopingspunt
vindt om je oordeel bij te stellen en de minister in essentie blijft
volhouden dat zij niets fout heeft gedaan, dan mag je -ook tegenover de
minister- niet volstaan met dooddoeners als ‘nou ja, het verdient niet de
schoonheidsprijs, maar vooruit dan maar’. Dan moet je dat durven
uitspreken. Dat is de reden dat mijn naam onder de motie van mevrouw Halsema
staat.”
De heer Van der Vlies: “Voorzitter. Ik dank de bewindslieden
voor hun beantwoording. Dit is het debat dat bekend zal gaan staan in de
parlementaire geschiedenis als het debat van de unieke taferelen. De
voorzitter moest zijn stoel verlaten, wat overigens zeer correct gebeurde,
om een verklaring af te leggen en zich daarover te laten bevragen door de
Kamer. Ik denk niet dat dit eerder zo is voorgekomen. Het was een uniek
tafereel. Er werd een minister naar de Kamer geroepen om een verklaring af
te leggen over een situatie die zichzelf afvroeg in welke hoedanigheid hij
daar precies was. Er zijn VVD'ers in onderscheiden verantwoordelijkheden met
elkaar toch in een spanningsvolle relatie terechtgekomen over een zekere
gebeurtenis.
Het was het debat van de unieke taferelen. Dat moeten wij niet
te vaak hebben. Ik heb moeten denken aan een zekere freule, een Kamerlid van
weleer, mevrouw Wttewaal van Stoetwegen. Zij zei in een vergelijkbare
situatie qua tijdsbeslag: dit is gekkenwerk. Zo was dat en zo is het ook
vanavond. Maar goed, de dingen lopen zo als zij lopen en ik erken dat het
onontkoombaar was om dit debat te voeren. Ik stelde aan het einde van mijn
inbreng in eerste termijn vast dat dit debat echt van het type is dat alleen
maar verliezers oplevert, niet alleen in Vak-K. Wat moeten de mensen hier nu
van denken? Hebben anderen ook zoveel sms'jes gekregen tot net voor aanvang
van dit deel van het debat met de vraag waar wij nu mee bezig zijn? Ik vond
het inderdaad een beschamende vertoning, maar om een andere reden dan een
van de sprekers voor mij.
Het is begonnen met de bekentenissen of onthullingen van mevrouw
Hirsi Ali in het programma Zembla. Daar moest natuurlijk actie op volgen.
Dat heeft zij over zichzelf afgeroepen. Er kwamen Kamervragen, een
onderzoek, snelle antwoorden, melding van een voornemen aan mevrouw Hirsi
Ali en daarna bericht aan de Kamer. Dat had niet per se zo gehoeven. Ik heb
de minister 16 mei ook gezegd dat het wat ons betreft anders had gemoeten.
Die openbaarmaking speelt tot de dag van vandaag een cruciale
rol in het geheel. De minister heeft ook gezegd dat zij dat achteraf gezien
anders moeten doen en dat zij dat voortaan ook zal doen. Daar is zij wel
verantwoordelijk voor en zij is verantwoordelijk voor veel meer in dat
proces. De vraag die moet worden beantwoord, is of zij daarvoor nu als de
enige zondebok de woestijn in moet worden gestuurd. Dat gaat mijn fractie,
het totale complex overziend, net te ver. Daarom geeft mijn fractie geen
steun aan de motie. Er is bij de SGP-fractie nog wel enige ruis blijven
bestaan over de verklaring en de totstandkoming daarvan. Wij verbinden daar
echter niet dezelfde consequenties aan als andere fracties. Ik hoop dat wij
snel orde op zaken zullen weten te stellen en dat de uitvoering van de
toezegging die is gedaan op mijn motie snel ter hand zal worden genomen. Ik
stel nog een keer vast dat de minister heeft toegezegd om daarover in de
komende maanden, voor de begrotingsbehandeling van Justitie, een inhoudsvol
bericht aan de Kamer te zullen zenden.”
Mevrouw Van der Laan: “Voorzitter. Het debat van vanavond ging
niet over Ayaan Hirsi Ali. Het ging over de manier waarop de minister van
Vreemdelingenzaken en Integratie omgaat met een zeer gevoelig dossier. Wij
hebben al eerder tot diep in de nacht gedebatteerd over deze kwestie. Toen
hield de minister bij hoog en bij laag vol dat zij niet anders kon handelen
dan zij gehandeld heeft. Het gevolg was desastreus, zowel voor de betrokkene
als voor de reputatie van Nederland en voor het aanzien van de politiek. Wat
dat laatste betreft heeft het debat van vanavond dit beeld helaas niet
kunnen herstellen.
Was dit alles te voorkomen geweest? Ja, natuurlijk. Naar nu
blijkt, was er helemaal geen juridisch probleem. De minister heeft alleen,
om haar moverende redenen, niet de tijd genomen om het goed uit te zoeken,
terwijl zij wel de ruimte had om daarvoor de tijd te nemen.
In onze analyse is in de kwestie-Ayaan Hirsi Ali onzorgvuldig
gehandeld. De minister neemt daarvoor niet de verantwoordelijkheid, zoals
het een minister die staat voor haar handelen, betaamt. In plaats daarvan is
een politieke deal gesloten met als doel haar politieke straatje schoon te
vegen. De Tweede Kamer controleert de regering. Ons wordt gevraagd of wij
nog vertrouwen hebben in deze minister. Het moge bekend zijn dat wij daarmee
vaker moeite hebben gehad. Toch hebben wij deze minister met begrip voor
haar moeilijke en gevoelige portefeuille vaak het voordeel van de twijfel
gegeven. Maar na deze vertoning is het vertrouwen van de D66-fractie in deze
minister toch echt teveel gevraagd. De fractie van D66 zal daarom voor de
motie van wantrouwen stemmen. De fractie van D66 is niet uit op een
kabinetscrisis. Wel zeggen wij het vertrouwen op in minister Verdonk. Wat
ons betreft zal dat leiden tot het vertrek van de minister, zoals dat
gebruikelijk is wanneer een minister niet het vertrouwen heeft van een van
de coalitiepartners. Wij wachten nu af of de regering, onze coalitiepartners
en de minister-president kiezen voor deze minister of voor het voortbestaan
van het kabinet als geheel.”
Minister Balkenende: “Voorzitter. De heer Van der Vlies heeft gezegd dat het
een debat is geweest met unieke taferelen. Ik meen dat deze waarneming
helemaal juist is. Ik veronderstel dat iedereen dit debat op een heel
verschillende manier beleeft. Het debat was onvermijdelijk. De directe
aanleiding was de uitzending van Zembla, die hier vanavond ook is besproken.
Deze uitzending kon niet zonder reactie blijven, omdat iedereen gelijk wordt
behandeld. De uitzending heeft geleid tot een brief. De minister zowel als
ikzelf hebben daarover gesproken. Ik heb aangegeven dat het nodig was dat
werd gereageerd. Dezelfde dag is direct de Kamer geïnformeerd. Daarop is
kritiek gekomen. Wij hebben gezegd dat het, met de kennis waarover wij nu
beschikken, op een andere manier had gemoeten. De minister heeft dat gezegd
en ik heb er zelf ook het nodige over aangegeven. Wij moeten er lessen uit
trekken.
Vanavond is terecht gezegd dat het debat voor een deel een
duplicaat was van het debat op 16 mei jongstleden. Dat debat mondde uit in
een aantal moties. Deze zijn overgenomen. Ik heb ook zelf te kennen gegeven
dat deze moties dienen te worden uitgevoerd. Naar mijn mening is dit ook
gebeurd. Na overwegingen, na het commentaar van de advocaat van mevrouw
Hirsi Ali, na het onderzoek, na tal van feiten en omstandigheden. Dan houdt
men de politieke weging over, en die wordt hier verschillend gemaakt. Er
worden verschillende accenten gelegd en iedereen zal dus dit debat van
unieke taferelen op een eigen manier beleven. Wij kunnen constateren dat het
Nederlanderschap van mevrouw Hirsi Ali is behouden, maar er is wel veel aan
voorafgegaan.
Aan het eind van mijn eerste termijn heb ik een opmerking
gemaakt. Ik ben daarop ingegaan en heb een verduidelijking proberen te geven
over de precieze context van die opmerking. Het was niet alleen mevrouw
Verdonk die in beeld was, dat had ik ook moeten zeggen. Want deze verklaring
is opgesteld door meerdere bewindslieden die allemaal daarvoor
verantwoordelijk zijn.
Dit debat heeft als uitkomst een motie van mevrouw Halsema en
anderen. Een motie waarin de Kamer de afkeuring uitspreekt over de minister
voor Vreemdelingenzaken en Integratie, mevrouw Verdonk. Het is niet zo
moeilijk om het commentaar hierover uit te spreken namens het kabinet: de
motie staat haaks op datgene wat mevrouw Verdonk en ik vandaag naar voren
hebben gebracht. Ik doe dan ook een klemmend beroep op de leden van de Kamer
om deze motie niet te steunen. Ik wacht de stemming eerst af.”
Minister Verdonk: “Voorzitter, heel kort. Ik wil hier in elk
geval twee dingen weerspreken. Ten eerste is er geen sprake van een
politieke deal. Er is een gedegen onderzoek uitgevoerd. Buitenlandse Zaken
heeft daar volop aan meegewerkt. Wij hebben alles onderzocht wat kon worden
onderzocht, zeker na aanleiding van de moties die hier in de Kamer zijn
aangenomen. Met díé moties ben ik op pad gestuurd, díé moties heb ik
uitgevoerd, en dat heeft helemaal niets te maken met een politieke deal. Als
het dat zou zijn geweest, had ik daar mijn eigen conclusies uitgetrokken.
Dan nog even over de verklaring. Ik waardeer de woorden van de
minister-president en ik wil hier gezegd hebben dat er geen sprake is
geweest van machtsmisbruik. Deze verklaring is voorgelegd geweest, er was
alle gelegenheid om daarop te reageren en ook als er zinnen uit waren
gegaan, zeker uit het tweede deel, had dat niet geleid tot het niet
aanvaardbaar zijn van deze verklaring. Het ging erom dat het bewijs rond kon
komen.”
In stemming komt de motie-Halsema c.s. Vóór stemmen de leden: Arib, Azough,
Bakker, Blom, Boelhouwer, Van Bommel, Bos, Bussemaker, Crone, Van Dam,
Depla, Van Dijken, Dijksma, Dijsselbloem, Dittrich, Douma, Dubbelboer,
Duyvendak, Eijsink, Fierens, Van Gent, Gerkens, Halsema, Van der Ham, Hamer,
Heemskerk, Van Heteren, Huizinga-Heringa, Irrgang, Jungbluth, Kalsbeek,
Koenders, Koşer Kaya, Krähe, Kruijsen, Van der Laan, Lambrechts, Lazrak,
Leerdam, Marijnissen, Meijer, Noorman-Den Uyl, Özütok, Roefs, Rouvoet,
Samsom, Slob, Smeets, Smits, Straub, Stuurman, Tichelaar, Timmer,
Tjon-A-Ten, Van Velzen, Vendrik, Verbeet, Verdaas, Vergeer, Klaas de Vries,
Waalkens, Wagner, De Wit en Wolfsen.
Tegen stemmen de leden: Van Aartsen, Aasted Madsen-van Stiphout,
Algra, Aptroot, Van As, Atsma, Van Baalen, Balemans, Van Beek, Blok,
Bochove, Van den Brink, Buijs, Van de Camp, Çörüz, Dezentjé Hamming, Van
Dijk, Eerdmans, Van Egerschot, Eski, Ferrier, Van Fessem, Griffith, Van
Haersma Buma, Haverkamp, Herben, Hermans, Hessels, Van Hijum, Hofstra, Ten
Hoopen, Jager, Joldersma, Jonker, Knops, Koopmans, Kortenhorst, Kraneveldt,
De Krom, Lenards, Van Lith, Mastwijk, Van Miltenburg, Mosterd, Nawijn, Nerée
tot Babberich, Nijs, Oerle-van der Horst, Omtzigt, Oplaat, Örgü, Ormel,
Pater-van der Meer, Rutte, Rambocus, Van der Sande, Van Schijndel,
Schippers, Schreijer-Pierik, Smilde, Snijder-Hazelhoff, Spies, Van der
Staaij, Sterk, Szabó, Varela, Veenendaal, Verburg, Verhagen, Vietsch,
Visser, Van der Vlies, Bibi de Vries, Jan de Vries, Vroonhoven-Kok, Weekers,
Weisglas, Wilders en Willemse-van der Ploeg.
De voorzitter: “Ik constateer dat deze motie met 79 tegen 64
stemmen is verworpen."
De heer Bos: “Voorzitter. Het is betrekkelijk uniek dat, ondanks
de uitslag van de stemming over deze motie, een van de coalitiepartijen niet
langer vertrouwen heeft in een minister van het kabinet. Ik vraag het
kabinet om ons vandaag zo spoedig mogelijk te laten weten wat dit betekent
voor het functioneren en/of aanblijven van deze minister.”
Minister Balkenende: “Voorzitter. Gelet op de uitslag van de
stemming en het gehouden debat, heb ik er behoefte aan om dit alles eerst
met het kabinet te bespreken.”
De heer Bos: “Daar heb ik uiteraard begrip voor, maar mijn vraag
is of wij hierover vandaag nog uitsluitsel kunnen krijgen, zodat er nog
gelegenheid bestaat om daarover een gezellig debat te hebben.”
De voorzitter: “Ik stel voor het kabinet te verzoeken dat het
ons vandaag om twee uur laat weten wat de reactie is op de vraag van de
Kamer, zoals geformuleerd door de heer Bos.”
De heer Van As: “Voorzitter. De overgrote meerderheid van de
Kamer heeft de motie van mevrouw Halsema en anderen afgewezen. In dat licht
vraag ik wat de consequenties zijn voor de bewindslieden van D66. Wellicht
kan de premier die vraag betrekken bij zijn overwegingen en ons daarover om
twee uur mededelingen doen.”
De voorzitter: “Ik meen dat wij in dit nachtelijke uur het
kabinet de vrijheid moeten geven om eerst beraad te voeren en dat wij daarna
weer bij elkaar kunnen komen. Daarom stel ik voor dat wij vandaag de
plenaire vergadering niet om kwart over tien beginnen, maar in beginsel om
twee uur, in de veronderstelling dat wij dan schriftelijk of op andere wijze
van de minister-president uitsluitsel hebben gekregen. Uiteraard is het aan
het kabinet te bepalen welke vorm daarbij wordt gekozen. Verder stel ik voor
om ook met de commissievergaderingen tot twee uur te wachten, zodat wij met
zowel de commissievergaderingen als de plenaire vergadering niet eerder dan
om twee uur beginnen.”
Overeenkomstig het voorstel van de voorzitter wordt besloten.
Sluiting om 05.38 uur.
(Naar boven) |