|
|
Ik draag
haar privé een warm hart toe
De laatste woorden uit de eerste termijn van de Tweede Kamer
kwamen uit de mond van SP-er Jan De Wit: “Er verkeren op dit moment in
Nederland duizenden mensen in een vergelijkbare situatie. Ze zijn al vele
jaren in Nederland. Ze zijn ingeburgerd, maar ze hebben geen juridische
mogelijkheden om hier te blijven. Wie graag wil dat Ayaan Hirsi Ali voor
Nederland behouden blijft, omdat zij bij ons hoort, moet zich rekenschap
geven van het bestaan van al deze mensen die, net als zij, al zo lang in ons
midden leven. “
In de bijna twee uur durende pauze moest ik daar vaak aan
denken. Dat is waar het om gaat en dan kan ook recht worden gedaan aan het
beginsel gelijke monniken, gelijke kappen. Dit zijn momenten waarop
ik vliegensvlug met een paar Kamerleden contact zou willen hebben om ze op
een paar belangrijke zaken uit het debat te wijzen. Niet dat ik met iets
nieuws aankom, maar ik wil wijzen op de consequenties van ingenomen
standpunten en stellingnames. Op hoe VVD-er Verbeek zich in een dilemma
manoeuvreerde, op het door Verdonk gehouden onderzoek, etc.
Ik ben een betrokken kiezer en kan op een dergelijk moment
nergens mijn ei kwijt. En ik denk dat dat voor bijna iedereen geldt die naar
het politieke toneelstuk zit te
kijken. In toenemende mate zit ik op het
puntje van mijn stoel en wacht met de rest van wakker Nederland
op de bevrijdende antwoorden van deze minister. Als de Tweede Kamerleden
weer plaats hebben genomen krijgt minister Verdonk van de voorzitter het
woord.
Minister Verdonk: “Voorzitter.
Laat ik beginnen met te zeggen dat de problematiek rond de naturalisatie van
Ayaan ook mij bijzonder aangrijpt. Ik ben niet alleen een partijgenote van
haar, maar ik draag haar ook privé een warm hart toe. Wij hebben elkaar vlak
na de moord op Theo van Gogh leren kennen en daar is een warme band uit
ontstaan. Dus voor mij geldt hier naast het zakelijke aspect heel duidelijk
een menselijk aspect. Dat betekent dat ik het vreselijk vind dat ik zo'n
brief aan haar heb moeten schrijven. Ik heb haar ook gebeld. Dat was een
emotioneel gesprek. Ik heb ook heel veel respect voor wat zij hier in
Nederland gedaan heeft om een aantal onderwerpen blijvend op de agenda te
krijgen. Ik denk hierbij aan huiselijk geweld, vrouwenbesnijdenis en
eerwraak. Zo kan ik nog een aantal onderwerpen noemen. Een daarvan is de
vrijheid van meningsuiting. Ook dat is voor mij een heel groot goed.
Ik zei net dat ik een brief heb moeten schrijven. Ik heb heel
bewust ‘moeten’ schrijven gezegd. Immers, de wet en jurisprudentie
van de Hoge Raad van november vorig jaar laten in deze zaak, waarin er
sprake is van valse personalia, geen ruimte om tot een andere conclusie te
komen. Als gebruik is gemaakt van onjuiste persoonsgegevens, laat de wet
-dat is bevestigd in het arrest van de Hoge Raad- geen andere conclusie toe
dan dat de betrokken persoon nooit Nederlander is geworden. Mijn enige
bevoegdheid is om dat te constateren. Ik heb ook geen besluit genomen, ik
heb alleen geconstateerd dat dit het geval is. Dat is sinds 2003 ook in
tientallen andere gevallen aan de orde geweest.
Wat is er de laatste week gebeurd? Donderdagavond heeft Ayaan in
het programma Zembla in een reconstructie het volgende gezegd: "Ik heb het
hele verhaal verzonnen. Ik heb niet verteld dat ik Ayaan Hirsi Magan heet,
maar gezegd dat ik Ayaan Hirsi Ali heet. Ik heb niet verteld dat ik in 1969
ben geboren, maar gezegd dat ik in 1967 ben geboren, waardoor ik ouder dan
mijn broer was." Dat was, in tegenstelling tot in de jaren daarvoor, een
regelrechte uitspraak dat zij inderdaad gelogen had over haar naam.
Ik heb toen een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek was vrij snel
afgerond. Een aantal leden heeft daarnaar gevraagd. De conclusie volgt
echter uit de wet. Er bestaat geen andere weg. Ik heb in eerste instantie
een aantal uitlatingen gedaan die hier zijn aangehaald. Ik heb toen ook een
antwoord gegeven op de vraag of de hele zaak verblijfsrechtelijke
consequenties zou hebben. Vrijdagmorgen is dat onderzoek gestart en daarna
was al heel snel bekend dat dit niet het geval zou zijn. De IND hanteert
namelijk een beleidsregel die zegt dat het opgeven van een valse naam bij
het aanvragen van een verblijfsvergunning na twaalf jaar verjaard is.
Dit
was dus de reden dat ik heb gezegd dat dit verblijfsrechtelijk geen
consequenties heeft. Dat heeft het ook niet. Zij houdt haar A-status, zijnde
een status voor onbepaalde duur, en haar verblijfsvergunning. Ik hoop
hiermee de twijfel daarover bij een aantal leden van de Kamer te hebben
weggenomen.”
Ik krijg nu al de kriebels om er mijn oordeel over te geven en
om met terugwerkende kracht alsnog mee te doen met vragen die ik heb naar
aanleiding van dit eerste antwoordgedeelte. Maar er zijn Kamerleden genoeg.
Ik zal ze niet in de weg lopen en u geruime tijd de gelegenheid geven zonder
onderbreking het debat te volgen.
De heer Wilders: “U heeft volgens de berichten in de media
gezegd dat mevrouw Hirsi Ali niets te vrezen heeft. U zegt nu dat dit sloeg
op de status. Was het echter niet veel verstandiger en ook zorgvuldiger
geweest als u dit niet had gezegd, wetende dat er nog een ander onderzoek
kwam dat verder ging dan alleen de asielstatus? Was het niet beter geweest
als u de resultaten van het zorgvuldige onderzoek dat u hebt gedaan, had
afgewacht? Nu hebt u immers, door uit te spreken dat zij niets te vrezen
heeft, toch de indruk gewekt, al ging het dan om de asielstatus, dat de kous
daarmee af was. Dat was niet het geval, want een paar dagen erna trok u,
toen het ging over haar Nederlanderschap, een volstrekt andere conclusie.”
Minister Verdonk: “De vraag die mij gesteld werd, was of dit
geheel consequenties heeft voor de verblijfsstatus van mevrouw . Daarop heb
ik gezegd: nee, dit heeft geen consequenties. Er is toen niets anders
gevraagd en ik heb dus ook alleen maar op deze vraag antwoord gegeven. Meer
is er niet gebeurd. Het onderzoek, ook naar de naturalisatie, liep toen nog.
Het enige waar ik op heb geantwoord is de vraag of dit verblijfsrechtelijke
consequenties zou hebben.”
Mevrouw Halsema: “U zegt dat er met de uitzending van Zembla
nieuwe gegevens boven water kwamen. Kunt u mij dat nog eens uitleggen, al
was het maar omdat u een telefoongesprek hebt gevoerd met Ayaan over Taïda
Pasic waarin zij het zelf tegen u gezegd heeft?”
Minister Verdonk: “Nee, Ayaan heeft in dat telefoongesprek aan
mij gevraagd of er geen mogelijkheid was om Taïda hier te laten blijven. Ik
heb toen gezegd: nee, want Taïda heeft leugens gebruikt en als jij dat had
gedaan, had ik jou ook uitgezet. Dat was de teneur van het gesprek. Het is
helemaal niet gegaan over mevrouw .”
De
minister weet weer handig de beschuldiging van zich weg te houden. Maar zij
moet beter weten. Schrijver Leon de Winter was op de avond van het debat in
Nova en verklaarde daar: “Het toeval wil dat Ayaan dat telefoongesprek bij
mij thuis voerde. Ik stond toen naast haar. Op een gegeven moment hoor ik
Ayaan tegen Rita Verdonk zeggen: ‘Maar Rita, ik heb zelf ook gelogen!’
Las Verdonk de open brief van columniste Ebru Umar aan Hirsi
Ali van december 2004 , waarin zij schreef: ‘Magan heet je toch
eigenlijk, Ayaan?’ Umar zegt Verdonk die brief te hebben toegestuurd.
Een paar maanden later brengt Umar een bezoek aan Verdonk, op verzoek van de
minister, schrijft zij in een column in Propria Cures: ‘Blijft dit
gesprek onder ons?’ vraagt Rita. Dan pakt ze een mapje tevoorschijn. In
het mapje mijn open brief aan Ayaan. (...) Ik (Verdonk) vroeg mij af waarom
iemand mij een dergelijk artikel stuurt. Ik dacht laat ik dat die mevrouw
dat zelf eens vragen.”
Mevrouw Halsema pakt de draad weer op: “Even serieus: wilde u nu
werkelijk zeggen dat u tot de uitzending van Zembla niet op de hoogte was
van haar naam en de gegevens rond haar geboortejaar? U heeft ‘De
maagdenkooi’ niet gelezen, waaruit minister Zalm vanmiddag nog zo mooi
citeerde? Al die gegevens die zij in zo'n 50 interviews keer op keer naar
voren heeft gebracht, die waren u onbekend?”
Minister Verdonk: “Het enige wat ik wist, was dat er twijfels
waren bij haar vluchtverhaal. Dat blijkt ook. Zij heeft er in 2002 ook wat
over gezegd. Dat deed echter niet meer ter zake want het ging niet meer over
dat vluchtverhaal en de verblijfsstatus. Dat was namelijk al verjaard.”
Mevrouw Halsema: “Het is moeilijk om je verbazing onder stoelen
of banken te steken. Laat ik het anders formuleren. Als u nadenkt over
voortzetting of intrekking van naturalisatie, dan gaat daaraan toch vooraf
een onderzoeksplicht van de overheid? In al die jaren dat Ayaan prominent
Tweede-Kamerlid was en lid van uw partijpolitieke bondgenoot, in al die
jaren waarin haar naturalisatie ter discussie had kunnen staan, heeft u
niets gedaan ondanks al die interviews die zij heeft afgegeven. En dan is nu
één televisie-uitzending voldoende?”
Minister Verdonk: “Ik heb zo-even geciteerd uit de
televisie-uitzending. Daarin heeft zij duidelijk gezegd: ik heb het hele
verhaal verzonnen, ik heb ook niet verteld dat ik Ayaan Hirsi Magan heet. Op
dat moment heeft zij heel duidelijk gezegd: ik heb gelogen over mijn naam.
Bij andere gelegenheden is gepraat over haar vluchtverhaal, over het feit
dat zij niet uit Somalië kwam maar uit Kenia, maar niet op de manier zoals
in de Zembla-uitzending is gebeurd.”
De heer Verhagen: “De minister heeft vrijdag gezegd dat zij geen
aanleiding zag tot een onderzoek. Nu zegt zij dat vrijdag het onderzoek is
gestart. Ik zou graag opheldering willen hebben over hoe dat zich tot elkaar
verhoudt. Zaterdag heeft de minister gezegd dat zij tot een onderzoek zou
komen. Zij zegt nu dat het onderzoek vrijdag is gestart. Tegelijkertijd
heeft zij vrijdag in de media gezegd dat zij geen aanleiding zag tot een
onderzoek.
Dan heb ik nog een tweede vraag. De minister heeft vandaag tegen
RTL gezegd dat de IND al was gestart met een onderzoek onder
verantwoordelijkheid van minister Nawijn. Wat heeft zij daarmee gedaan?
Zoals mevrouw Halsema zegt, heeft Ayaan in het boek de naam van haar vader
bekendgemaakt. Met andere woorden, ook toen was bovenop de verschillen die
al eerder in interviews naar voren kwamen, het verschil van de naam ook
duidelijk.
Er is een onderzoek gestart door de IND in 2002, heeft de
minister vanmiddag gezegd. Zij stelt vrijdag dat er geen aanleiding is tot
een onderzoek. Er is toch vrijdag een onderzoek gestart. Het feit dat de
naam niet gelijk was aan die van Ali, was ook duidelijk.”
Minister Verdonk: “De vraag die mij gesteld werd, ging over een
verblijfsvergunning. Daar hoefde ik geen onderzoek naar te starten, want het
was meteen al duidelijk dat er een verjaringstermijn zat. Het andere
onderzoek liep wel degelijk, maar daarover werd mij niets gevraagd. Daar heb
ik dus ook niet aan gerefereerd. Ik kwam uit de ministerraad lopen. Men weet
hoe dat gaat. Er wordt een vraag gesteld en je geeft daarop een antwoord.
Wat betreft het IND-onderzoek in 2002 zijn er inderdaad wat
memo's dat er is gekeken naar wat er is gezegd bij Barend en Van Dorp. Ik
heb van de ambtenaren begrepen dat dit nooit bij de minister is geweest. Het
is niet de lijn ingegaan, omdat de IND concludeerde dat er niet voldoende
concrete aanwijzingen waren.
Ik heb hier het boek De zoontjesfabriek van augustus 2002. Dat
begint met de zin: Ayaan wordt in 1969 in Somalië geboren als de dochter van
Hirsi Magan. Moet dat dan reden zijn om onderzoek te doen?”
De heer Verhagen: “Maar wel als u zegt dat u op basis van de
uitzending van Zembla op donderdagavond, waarin wordt gesteld dat zij niet
Ayaan Hirsi Ali heet, de onderste steen boven wilt hebben en nader onderzoek
gaat doen. U doet dat niet wanneer uit haar eigen boek blijkt dat zij
eigenlijk een andere naam heeft. Dat vereist op zijn minst enige uitleg.”
Minister Verdonk: “Wat er gebeurde, was dat er in die uitzending
een aantal zaken werden gepresenteerd en dat aan haar werd gevraagd om er
wat over te vertellen, of hoe werd dat gezegd, de hele zaak werd
gereconstrueerd. Toen heeft zij gezegd, heel duidelijk, dat zij ook niet
heeft verteld dat zij Ayaan Hirsi Magan heet en niet Ayaan . Dan is dat
voldoende om te zeggen: ja, maar dat kan toch niet. Er is iemand met de
Nederlandse nationaliteit en die zegt dit. Dan lijkt het mij niet meer dan
normaal dat ik als minister mijn verantwoordelijkheid neem en dat ook laat
uitzoeken. Dat is gebeurd en dat heeft geleid tot de brief.”
De heer Verhagen: “Dat ontken ik ook niet. Als iemand hier in de
Tweede Kamer zit die Ayaan Hirsi Ali heet en die zelf zegt dat zij eigenlijk
Magan heet, vraag ik mij af waarom u toen niet dezelfde aanleiding tot dat
onderzoek zag als u klaarblijkelijk op vrijdag wel zag.”
Minister Verdonk: “Omdat zij toen zelf die link legde dat zij
gelogen had. Ja, dat was het punt. Dat is wat er is gezegd in die
Zembla-uitzending: ik heb het hele verhaal verzonnen en ik heb ook niet
verteld en dan noemt zij die twee namen. Dat is heel wat anders dan dat in
een boek staat dat Ayaan Hirsi Ali wordt geboren als de dochter van Hirsi
Magan. Ik zou bijna zeggen: dat is zo, daar begint het boek mee. Dat is heel
wat anders dan dat iemand recht in de camera, tijdens een
televisie-uitzending, verklaart dat zij gewoon het verhaal verzonnen heeft.”
De heer Verhagen: “Dat zij het verhaal verzonnen had, was ook al
eerder duidelijk. Dat was de aanleiding in 2002 om het onderzoek van de IND
te doen.”
Minister Verdonk:
“Op dat moment waren er niet genoeg concrete aanwijzingen om dat onderzoek
te voltooien. Dat is ook niet, zoals dat heet, de lijn naar de minister in
gegaan. Het was niet voldoende concreet. Nu zitten wij in 2006, nu is er een Zembla-uitzending en daarin zegt iemand: ik heb het hele verhaal verzonnen;
dit is niet mijn naam, maar dat is mijn naam. Dat kan toch niet? Dan kan ik
als minister toch niet zeggen -en dat kan de IND dus zeker niet zeggen- dat
wij net doen alsof wij dat niet gehoord hebben. Dat is wel gehoord en daar
is een onderzoek naar verricht.”
De heer Bos: “Begrijp ik het nou goed dat u eigenlijk zegt dat
er pas wanneer iemand zelf zegt dat hij gelogen heeft en dat hij zaken heeft
verzonnen, voor u reden is om een onderzoek te doen en dat u of uw dienst
geen enkele eigenstandige verantwoordelijkheid heeft om, als gegevens aan u
kenbaar worden gemaakt waaruit duidelijk blijkt dat iets niet klopt, naar
aanleiding daarvan een onderzoek te doen? Als iemand zegt dat hij Piet de
Boer heet en de zoon is van Piet Jansen, moet hij er dus zelf bij zeggen dat
hij zijn naam heeft verzonnen, want anders is er volgens u niets aan de
hand.”
Minister Verdonk: “Nee, dat is niet waar. Natuurlijk vindt dit
soort onderzoeken plaats. Er zijn mensen die een aantal jaren nadat zij de
Nederlandse nationaliteit hebben verkregen, naar de gemeentelijke
basisadministratie stappen en ineens hun naam willen veranderen. Als dat
echt een fikse verandering is, gaat er een signaal naar de IND en wordt
bekeken waarom zij dat willen. Daaruit blijkt dan vaak dat er een valse naam
is opgegeven. Er zijn ook anderen die dit soort zaken aangeven. Er zijn al
enkele zaken over tafel gegaan, bijvoorbeeld haar vluchtroute en de vraag of
zij wel of niet in Kenia gewoond heeft, maar dit was de eerste keer dat zij
dit zo heel duidelijk zei. Dat was de reden om het onderzoek te doen.”
De heer Bos: “Het blijft bizar dat ontzaglijk veel mensen die
conclusie kennelijk allang hadden getrokken en dat dit alleen bij u niet was
doorgedrongen. Ik heb nog twee andere vragen. De eerste vraag betreft het
debat dat zojuist werd gevoerd tussen mevrouw Halsema en u. Daarin hoorde ik
u zeggen dat u in het gesprek met Ayaan over Taïda Pasic zei: "Als jouw
verhaal niet waar zou zijn, zou ik jou ook uitgezet hebben". Dat is niet het
verhaal waarvan wij de afgelopen weken kennis hebben mogen nemen uit de mond
van Ayaan . Haar verhaal, dat in alle kranten is opgetekend, was dat zij
naar u toe ging, pleitte voor een verblijfsvergunning voor Taïda Pasic en
zei dat zij zelf ook had gelogen; uw antwoord daarop was: "Dan zou ik je,
als ik op dat moment minister was geweest, ook uitgezet hebben". Het is van
tweeën één: het verhaal van Ayaan Hirsi Ali klopt -dan hebt u zich zojuist
wat onzorgvuldig uitgedrukt tegenover mevrouw Halsema, maar dan wordt het
wel heel interessant om te weten waarom u op dat moment niet met een
onderzoek begon- of u zegt hier dat het verhaal van Ayaan Hirsi Ali over het
gesprek dat zij met u heeft gevoerd, niet klopt.”
Minister Verdonk: “In mijn herinnering heeft dat gesprek anders
plaatsgevonden. Ten eerste kwam zij helemaal niet naar mij toe, want wij
hebben daarover een telefonisch gesprek gehad. Zij vroeg mij toen iets over
Taïda en toen heb ik gewoon in het algemeen gezegd: "Als jij gelogen had
over jouw asielverhaal, had ik jou ook uitgezet". Dat is wat er in dat
gesprek is gebeurd.”
De heer Bos: “Er is maar één persoon die daar verder bij was en
die kan zeggen hoe het werkelijk gegaan is. Ik constateer dat wij tot nu toe
allemaal kennis hebben genomen van een heel andere versie van het verhaal.
Ik kom bij mijn andere vraag. U zei dat het arrest van de Hoge
Raad u eigenlijk geen andere keuze liet dan te constateren wat de status was
van het besluit dat destijds genomen werd over de naturalisatie van Ayaan
Hirsi Ali: gelet op de feiten, bestond dat besluit als zodanig feitelijk
niet. Dat is feitelijk wat u zegt: u had geen andere keuze dan die status
quo, die feitelijke situatie, in een brief te beschrijven aan Ayaan . In het
arrest van de Hoge Raad staat inderdaad dat er, als er sprake is van valse
gegevens, geen sprake kan zijn van een naturalisatiebesluit met
rechtsgevolg. Er staat echter ook nog iets anders: "behoudens bijzondere
omstandigheden waaromtrent door de rechtbank in dezen niets is vastgesteld".
In het arrest van de Hoge Raad wordt dus ruimte gemaakt voor omstandigheden
die een besluit op basis van valse gegevens toch nog wel degelijk
rechtsgeldig zouden kunnen maken. De rechtbank zegt niets over welke
omstandigheden dat wel zouden zijn of niet. Dat betekent dus dat u de
mogelijkheid had om op z'n minst te proberen om omstandigheden aan te dragen
die voor de rechtbank overtuigend zouden kunnen zijn. Mijn vraag aan u is
waarom u dat niet hebt gedaan.”
Minister Verdonk: “Dat heb ik niet gedaan. Het is geen
beslissingsbevoegdheid die discretionair kan worden toegepast.
Met die bijzondere
omstandigheden doelt de Hoge Raad bijvoorbeeld op verschrijvingen. Dat
blijkt uit de jurisprudentie en er is geen sprake van een discretionaire
bevoegdheid. Als iemand een valse naam heeft opgegeven, komt het
rechtsgevolg niet tot stand. Ik kan dan dus niet een besluit intrekken of
nemen.”
De heer Bos: “Datgene wat de minister zegt is leuk en aardig,
maar haar woorden komen niet overeen met het arrest van de Hoge Raad.
Misschien is dat de interpretatie van de minister. In het arrest van de
Hoge Raad staat dat er bijzondere omstandigheden kunnen zijn waaromtrent
door die rechtbank niets is vastgesteld. Dat arrest heeft de minister tot
ankerstuk van haar handelen gemaakt. De Hoge Raad heeft dus geen uitspraak
gedaan over wat de aard van de bijzondere omstandigheden zou kunnen zijn,
waaronder het type besluit dat met betrekking tot Ayaan Hirsi Ali is genomen
wel degelijk rechtsgeldig kon zijn.”
Minister Verdonk: “De Hoge Raad doelt op de zaak die op dat
moment dient. In die zaak is door de rechtbank niet vastgesteld dat er
bijzondere omstandigheden waren. Er was in dat specifieke geval immers geen
sprake van een verschrijving.”
De heer De Wit: “Uit de uitspaak van de Hoge Raad blijkt
absoluut niet dat de term ‘bijzondere omstandigheden’ beperkt is tot
een verschrijving. Als er bijzondere omstandigheden zijn, biedt het arrest
juist de mogelijkheid om na te gaan wat de waarde daarvan is. Het biedt de
mogelijkheid om tot een afweging te komen en om te kunnen beoordelen of de
Nederlandse nationaliteit nooit is verkregen of dat er bijzondere
omstandigheden zijn op grond waarvan anders moet worden geoordeeld. Dat is
een geheel andere benadering dan uit de woorden van de minister blijkt.”
Minister Verdonk: “Het is niet juist dat ik een besluit neem. Ik
heb geconstateerd dat er sprake is van een rechtstoestand. Ik kan slechts
vaststellen of het Nederlanderschap is verkregen. Vooralsnog hebben de
feiten uitgewezen dat dit niet het geval is. Het is niet mogelijk om dat te
constateren en vervolgens te doen alsof ik daarvan niet op de hoogte ben.
Feiten die rechtsgevolgen met zich meebrengen kan ik niet negeren en/of
verzachten. Ik heb geen bevoegdheid om een uitzondering te maken, dus dat is
niet aan de orde.”
De heer De Wit: “De opmerking ‘behoudens bijzondere
omstandigheden’ houdt in dat de minister eerst moet nagaan of er
dergelijke omstandigheden zijn. Als uit onderzoek blijkt dat er geen
bijzondere omstandigheden zijn, zal de Nederlandse nationaliteit niet worden
verkregen. Als de minister er al van uitgaat dat de Nederlandse
nationaliteit nooit is toegekend zonder na te gaan of er bijzondere
omstandigheden zijn, zit zij er wat dat betreft naast.”
Minister Verdonk: “Nee, wij hebben een verschil van mening op
dat punt. Ik zit er niet naast, want in dat arrest staat duidelijk dat een
naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn
opgenomen, betrokkene niet identificeert. Daaraan is toegevoegd dat het
daarom geen rechtsgevolgen heeft, behoudens bijzondere omstandigheden
waaromtrent door de rechtbank niets is vastgesteld. In deze zaak is
inderdaad niet vastgesteld dat het gaat om verschrijvingen. Er treedt geen
rechtsgevolg in, dus ik heb in deze zaak geen discretionaire bevoegdheid.”
De heer De Wit: “Als er sprake is van een verschrijving, kan de
minister zeggen dat zij daarvoor begrip heeft. Dan treedt dat rechtsgevolg
niet in. Het is echter niet beperkt tot verschrijvingen. Het is mogelijk dat
er bijzondere omstandigheden zijn en dat de Nederlandse nationaliteit daarom
wel moet worden verkregen.”
Minister Verdonk:
“Het gaat hier om artikel 14 en om de uitspraak van de Hoge Raad. Die
uitspraak stelt heel duidelijk dat artikel 14 toeziet op gevallen waarin het
Nederlanderschap daadwerkelijk door het naturalisatieproces is verkregen en
niet op gevallen waarin het naturalisatiebesluit met valse of fictieve
personalia is verkregen en dus rechtsgevolg mist. Dat is waar het om gaat.”
Mevrouw Van der Laan: “Dit is een van de belangrijkste
onderdelen van de discussie. De minister zegt: ik kon niet anders dan
constateren dat zij nooit Nederlandse is geworden. Dat betwisten wij, omdat
de Hoge Raad daarover duidelijk is. Een van de voorbeelden die ik heb
genoemd in mijn inbreng is het geval waarin het eigenlijk wel duidelijk is
om wie het gaat omdat de persoon in kwestie altijd die naam heeft gebruikt.
Als er iemand is waarvan iedereen weet om wie het gaat, is het wel Ayaan .
Zij gebruikt die naam altijd. Wij weten dus precies over wie het gaat.”
Minister Verdonk: “Het gaat nog steeds om artikel 14 van de
Rijkswet op het Nederlanderschap. Daarin staat dat de minister de
verkrijging of verlening van het Nederlanderschap kan intrekken. Daarnaast
is er de rechtspraktijk, die ook al bestond onder de oude wet. Daaruit
blijkt dat het Nederlanderschap niet is verleend. Er is dus geen sprake van
intrekking van het Nederlanderschap als het is verkregen onder valse of
fictieve persoonsgegevens. Als iemand een valse naam opgeeft, wordt
aangenomen dat het Nederlanderschap niet is verkregen. Dat is er aan de
hand.”
Mevrouw Van der Laan: “Daarover hebben wij geen meningsverschil.
Het meningsverschil is of de minister niet anders kon dan dit constateren.
De Hoge Raad spreekt immers van "behoudens bijzondere omstandigheden". De
minister heeft niet de tijd, de moeite of de zorgvuldigheid genomen om zich
te verdiepen in die bijzondere omstandigheden.”
Minister Verdonk: “Dat is niet het geval. Er is sprake van een
televisie-uitzending waarin duidelijk gezegd wordt dat er een verhaal is
verzonnen en dat er een andere naam is gebruikt. Dat betekent dat er op dat
moment sprake is van valse of fictieve persoonsgegevens. Dan is het heel
duidelijk dat er geen rechtsgevolg tot stand komt. Er is dus geen
Nederlanderschap verleend. Ik doe onderzoek en ik kom tot de conclusie dat
er geen Nederlanderschap is verleend. Ik vind dat ik dat duidelijk moet
maken aan betrokkene. Ik geef betrokkene door middel van een brief te kennen
dat zij zes weken de tijd heeft om hierop te reageren. Ik maak een en ander
ook duidelijk aan de Kamer omdat het gaat om een parlementslid. Zo is het
gegaan.”
Mevrouw Van der
Laan: “De Hoge Raad stelt in het arrest dat bij valse persoonsgegevens het
naturalisatiebesluit betrokkene niet identificeert. In dit geval weten wij
echter precies om wie het gaat. Het is niet zo dat er iemand anders is
genaturaliseerd. Wij weten precies om wie het gaat. De persoon is
geïdentificeerd. Als je dit betrekt bij de term bijzondere omstandigheden is
er weldegelijk ruimte voor de minister om een ander besluit te nemen. Het
klopt dus niet als zij zegt: ik kon niet anders.”
Minister Verdonk: “Ik kon niet anders concluderen. De invulling
van het begrip bijzondere omstandigheden in dit arrest van de Hoge Raad is
nader toegelicht in het advies dat de advocaat-generaal heeft opgesteld ten
behoeve van de Hoge Raad als voorbereiding van de uitspraak. Dat is een
publiek stuk over deze zaak.”
De heer Van der Vlies: “De minister zegt: ik kon niet anders.
Laten wij aannemen dat er voor de minister inderdaad geen beleidsvrijheid
bestond. Was er echter ook geen enkele beoordelingsruimte? De stelling van
mijn fractie is dat die er is als je kijkt naar de kan-bepaling in artikel
14.”
Minister Verdonk: ”Artikel 14 gaat over verlening of intrekking.
Dat kan de minister doen. Bij valse of fictieve persoonsgegevens hoeft de
minister niets in te trekken. Het rechtsgevolg is dan immers niet tot stand
gekomen. Dan geldt artikel 14 geheel niet. De discussie is of de minister
het Nederlanderschap moet intrekken. Met de wet is de mogelijkheid
gecreëerd, bekrachtigd door de uitspraak van de Hoge Raad, dat als er sprake
is van fictieve of valse persoonsgegevens het rechtsgevolg niet intreedt.
Dat is ook logisch.
Er wordt
een Koninklijk Besluit geslagen op een bepaalde naam. Laat ik maar zeggen
dat dit het Nederlanderschap is. Dan blijkt de persoon in kwestie anders te
heten. Dan heeft die persoon in kwestie met zijn echte naam dus ook geen
Nederlandse nationaliteit verkregen!”
De heer Van der Vlies: “Uw stelling is dus dat u, geconfronteerd
met een feit, een op een te doen heeft wat de Hoge Raad in die beschikking
bepaalt en u geen afwegings- of beoordelingruimte hebt?”
Minister Verdonk:” Er is geen afwegingsruimte voor de minister,
het rechtsgevolg is niet tot stand gekomen.”
De heer Rouwvoet, die wat minder gouvernementeel is dan Van der
Vlies, maar overigens ook een donker pak draagt, gaat het van Van der Vlies
overnemen en tracht in een langdurig tweegesprek, waarin bestuurskundige
Rouwvoet dieper ingaat op het inmiddels beroemd geworden arrest van de Hoge
Raad, dat volgens hem haar meer mogelijkheden biedt dan ze zelf heeft
gezien. Wellicht willen sommige lezers eerst nog een kop koffie drinken, dat
volgens mij een goed idee is, want we gaan wel het diepe in met die Rouvoet.
De heer Rouvoet: “Dit was nu precies het punt waar ik in mijn
bijdrage veel accent op heb gelegd, want volgens mij is er verschil tussen
de constatering van een nietigheid, waarin inderdaad geen ruimte is voor een
beoordelingsmarge, laat staan een beleidsvrijheid om daarvan af te wijken,
en een nadrukkelijk in de wet toegekende kan-bepaling, waarover de Hoge Raad
spreekt, de mogelijkheid tot intrekking. Als je dan ziet dat artikel 14, lid
1, de mogelijkheid tot intrekking koppelt aan de situatie waarin het
Nederlanderschap is verkregen maar berust op onjuiste of verkeerde
informatie of valse verklaring, dan is uw stelling in feite dat de Hoge Raad
met deze uitspraak in algemene zin die kan-bepaling uit de wet heeft
geschrapt. Dat kan toch niet mogelijk zijn? Legt u mij nu uit hoe die
uitspraak van de Hoge Raad ertoe leidt dat u zegt dat de situatie waarom het
nu gaat exact wordt beschreven in artikel 14, maar dat u die kan-bepaling
sinds die uitspraak niet meer hebt. Die hebt u volgens mij wel, want die
staat in de wet!”
Minister Verdonk: “Maar die geldt niet voor die gevallen waarin
de naturalisatie is verkregen met valse of fictieve persoonsgegevens en dat
staat er ook: Het middel dat ten betoge strekt tot een naturalisatiebesluit
waarin onjuiste persoonsgegevens zijn opgenomen wel rechtsgevolg heeft, mits
duidelijk is op welke personen het besluit het oog heeft gehad, gaat uit van
een onjuiste rechtsopvatting. Een naturalisatiebesluit waarin valse of
fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen, identificeert betrokkene immers
niet en heeft daarom geen rechtsgevolg.”
De heer Rouvoet: “Wat is dan nog de betekenis voor u van de
bepaling van artikel 14 waarin staat: Onze Minister kan de verkrijging of
verlening van het Nederlanderschap intrekken indien zij berust op een door
de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het
verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. Was is
dan nog de betekenis van die bevoegdheid voor u?”
Minister Verdonk: “Dat is voor allerlei andere gevallen. Aan de
ene kant geldt dat voor valse of fictieve persoonsgegevens het rechtsgevolg
niet tot stand komt, maar aan de andere kant kun je ook aan andere vormen
denken, bijvoorbeeld aan een verschrijving.”
De heer Rouvoet: “Ik wil niet langs elkaar heen gaan praten. Je
kunt volgens de wet niet op twee manieren jokken. Ik vat het maar in gewoon
Nederlands samen. Volgens mij zegt artikel 14 dat als je gelogen hebt bij
het verkrijgen van het Nederlanderschap, de minister kan besluiten tot
verlies van het Nederlanderschap. U hoeft dat niet te doen, u hebt daar een
afwegings- en een beleidsvrijheid, maar u kunt dat doen. U zegt nu dat dit
voor andere situaties is. Wat is nu het verschil tussen de valse verklaring
van artikel 14 en uw interpretatie van de Hoge Raad waar het ook gaat om
verkeerde feiten?”
Minister Verdonk: “In artikel 14 staat dat de minister de
verkrijging of de verlening van het Nederlanderschap kan intrekken indien
zij berust op door de persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op
het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. Dat
is wat anders. Daarnaast bestaat de rechtspraktijk dat naturalisatiebesluit
geen rechtsgevolg heeft als er fictieve of valse persoonsgegevens zijn
weergegeven.”
De heer Rouvoet: “Zo komen wij niet verder en ik probeer het nog
een keer. U zegt eigenlijk twee keer hetzelfde met een verschillende
conclusie: ik kan het Nederlanderschap intrekken als sprake is geweest van
een valse verklaring -letterlijk de tekst van artikel 14- en er is geen
Nederlanderschap verleend als er sprake is geweest van een valse verklaring.
U kunt dat toch niet naast elkaar laten staan?”
Minister Verdonk: “Dat zeg ik niet. Als het gaat om het
verkrijgen van het Nederlanderschap en het rechtsgevolg niet intreedt, dan
komt dat omdat er valse personalia zijn opgegeven; naam, geboortedatum of
nationaliteit. Aan de andere kant geldt artikel 14 van de RWN voor valse
verklaringen. Iemand zegt bijvoorbeeld dat hij is ingeburgerd, terwijl hij
dat niet is, dat hij de naturalisatietoets heeft afgelegd, terwijl hij dat
niet heeft gedaan, dat hij getrouwd is met één vrouw, terwijl hij een
bigamist blijkt te zijn. Zo is er
een aantal andere zaken -deze vallen onder ‘bedrog’ -die leiden tot
intrekking van het Nederlanderschap.”
De heer Rouvoet: “Ik probeer de minister echt te begrijpen. Uit
haar woorden maak ik op dat artikel 14 van toepassing is op andersoortige
verklaringen en dat de beschikking van de Hoge Raad betrekking heeft op
informatie betreffende de identiteit van de persoon.”
Minister Verdonk: “Dat is inderdaad het onderscheid.”
Verdonk is als geen enkele andere bewindsman of bewindsvrouw in
staat voortijdig allerlei woordvoerders van hun zitbanken los te weken en
hen met haar verschrikkelijke verhaal dat de Kamer geen pas verder brengt,
naar de interruptiemicrofoon te krijgen. Interrupties zijn bedoeld om
alvorens zelf weer aan een nieuwe (meestal tweede) termijn te beginnen, nog
een enkele verduidelijking te verkrijging over datgene wat de spreker in de
beantwoording vergeten is of dreigt te vergeten. Dan is de interruptie een
nuttig en zinvol instrument. Maar zoals het verloop van dit debat zal laten
zien is het gebruik van een interruptie voor deze minister aanleiding om
weer nieuwe interrupties op te roepen. Minister Verdonk heeft daar
vermoedelijk geen zicht op, maar het is wel opzet dat ze niet rechtstreeks
antwoord geeft op een concreet gestelde vraag, misschien omdat het juiste
antwoord uit beleidsoogpunt pijnlijk is voor haar of omdat ze het juiste
antwoord niet weet. Het lijkt er op dat ze de vraag nuanceert terwijl haar
antwoord op zich helder maar niet terzake is. Afgaand op haar antwoord,
lijkt het dan dat de vraag niet goed gesteld is. Op die wijze kan een debat
erg lang worden opgehouden. En in het vuur van het debat heb je daaraan als
deelnemer niet gauw genoeg in de gaten wat er gebeurd. Pas als je in staat
bent de nodige afstand te nemen, of om een paar dagen later de
Handelingen
te lezen, zie je precies wat er speelde. Maar dan is het te laat.
De voorzitter: “De vier leden die nu bij de microfoon staan,
hebben in deze ronde al vragen gesteld. Zo draaien wij echt de hele avond
door, maar ik geef hun de gelegenheid om nu nog één toegespitste vraag te
stellen. Het debat is nog lang niet voorbij.”
Mevrouw Halsema: “Voorzitter, het is lastig om slechts één vraag
te stellen.”
De voorzitter: “Stelt u uw vraag en gaat u niet met mij in
discussie.”
Mevrouw Halsema: “Is de redenering van de minister dat zij tot
donderdagavond niet op de hoogte was van de werkelijke achternaam van Ayaan
Hirsi Ali en dat zij geen afwegingsruimte meer had toen zij daarvan op de
hoogte raakte?”
Minister Verdonk: “Het eerste gedeelte is in ieder geval juist:
tot donderdagavond was ik niet op de hoogte van een andere naam. Ik wist
niet dat Ayaan Hirsi Ali daarover had gelogen. Vrijdagochtend heb ik het
onderzoek laten starten. Dit onderzoek moeten alle mensen ondergaan die het
aangaat. Daar had ik dus niet zo veel tijd voor nodig. Haar verklaring was
heel duidelijk en daarmee is het rechtsgevolg niet ingetreden; dat heb ik
haar kenbaar gemaakt.”
De voorzitter: “Het woord is aan de heer Verhagen.”
Mevrouw Halsema: “Voorzitter, mag ik alstublieft een
vervolgvraag stellen?”
De voorzitter: “De heer Verhagen heeft het woord.”
De heer Verhagen gaat nu eens proberen of hij de bewindsvrouwe
op andere gedachten kan brengen, of dat zij tot enig relativeringsvermogen
in staat is. Hij zal trachten in een tweegesprek haar te wijzen op de
bijzondere omstandigheden, die zowat door alle woordvoerders meerdere malen
is gebruikt als een optie tot een ander oordeel te komen. Als hij er in
slaagt Verdonk tot dat inzicht te krijgen is de avond toch niet voor niets
geweest.
De heer Verhagen: “De minister doet alsof zij een willoos
instrument is en niet anders kan. Dat ontken ik. Zij vergeet iedere keer een
belangrijk aspect. De Hoge Raad heeft gesteld dat een naturalisatiebesluit
waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen, geen
rechtsgevolgen heeft, behoudens bijzondere omstandigheden. Die bijzondere
omstandigheden vergeet de minister steeds. Een bijzondere omstandigheid kan
zijn dat al sinds jaren bekend is dat de vader van Ayaan Hirsi Ali eigenlijk
anders heet en zij dus ook. De bijzondere omstandigheid kan er ook in
bestaan dat men binnen de clan in Somalië wat vrijer is in naar wie je je
noemt. Heeft de minister daarnaar gekeken? Zij doet alsof er voor haar geen
enkele vrijheid is om iets anders te concluderen dan zij heeft gedaan. Dat
bestrijd ik dus. Zelf twijfelt zij daar ook aan, anders had zij in haar
antwoorden niet het woord ‘vooralsnog’ gebruikt.”
Minister Verdonk: ‘Vooralsnog’ heeft slechts betrekking
op het feit dat Ayaan Hirsi Ali nog de mogelijkheid heeft om te reageren. Zo
werkt het, dus daarom staat er keurig ‘vooralsnog’. In Somalië worden er namenreeksen gevoerd. De namen van personen
in Somalië bestaan uit drie elementen: de eigennaam, de naam van de vader en
de naam van de grootvader. Dat geldt ook voor vrouwen. Er wordt dus geen
achternaam gevoerd. De namenreeks zoals die in Somalië wordt gevoerd, wijkt
niet af van de namenreeksen zoals die in andere landen bestaan. Dit betekent
dat ‘Ayaan’ haar eigennaam is, ‘Hirsi’ de naam van haar vader
en ‘Magan’ de naam van haar grootvader. Daar komt dus geen ‘Ali’
in voor. Zij staat hier bekend als Ayaan Hirsi Ali terwijl zij dus eigenlijk
Ayaan Hirsi Magan heet.”
Mevrouw Van der Laan: “De minister zegt dat er op basis van de
jurisprudentie geen afwegingsruimte meer is voor haar. Is dat een wenselijke
situatie? Indien het inderdaad zo is dat de minister geen vrijheid meer
heeft om de verkrijging of verlening wel of niet in te trekken, moet dat
naar de mening van mijn fractie veranderen. Het gaat dan uiteraard niet om
deze ene persoon maar om iedereen die in een gelijksoortige situatie zit.”
Minister Verdonk: “Er zijn andere mensen die dat ook vinden. Het
zou betekenen dat wij over zouden moeten gaan tot een wetswijziging. Ik zie
daartoe geen reden. Als mensen liegen over hun naam bij het verkrijgen van
het Nederlanderschap, vind ik het een uitermate te verdedigen conclusie dat
het rechtsgevolg niet tot stand komt en men geen Nederlander wordt.”
De heer Bos: “Ik wil eerst even een sprookje uit de wereld
helpen. De minister heeft herhaaldelijk gezegd dat met bijzondere
omstandigheden in het arrest van de Hoge Raad zaken bedoeld zijn als
verschrijvingen en dat daar jurisprudentie over is. Ik weet waar zij dat
vandaan heeft. Het staat in het commentaar van de advocaat-generaal bij dat
arrest van de Hoge Raad. Dat commentaar maakt geen onderdeel uit van het
arrest, is dus geen onderdeel van de jurisprudentie en heeft derhalve op
geen enkele wijze wat voor verplichtende werking dan ook voor het handelen
van de minister. Het is haar eigen interpretatie. Die mag zij hebben, maar
dit commentaar verplicht haar tot niets.
Ik wil aansluiten op wat mevrouw Van der Laan net zei. Ik roep
in herinnering hoe wij hier een tijd geleden een debat hebben gehad over de
voetballer Kalou. Daar was ook een bestaande beleidslijn. De minister kon
ervoor kiezen om bepaalde bevoegdheden te gebruiken of niet.
Zij zei toen op een gegeven moment dat zij voor een andere
beleidslijn koos omdat zij dat vond passen bij het beleid van het kabinet.
Zij wilde strenger worden in die zaken. Dat kan. Dat mag een minister doen.
Die ruimte had de minister dus ook nu. Zelfs als alles klopt wat zij heeft
gezegd -- ik denk niet dat dit het geval is -- over bestaande jurisprudentie
op basis van het arrest van de Hoge Raad, had zij kunnen zeggen: als dit is
waar de bestaande beleidslijn toe leidt, kies ik ervoor om vanaf nu een
andere lijn in te zetten waarbij ik gebruik maak van artikel 14 van het
Rijkswet op het Nederlanderschap en zal ik ervoor zorgen dat er te allen
tijde sprake kan zijn van een afweging van belangen. Waarom heeft minister
geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een nieuwe lijn uit te zetten?”
Minister Verdonk: “De heer Bos vraagt mij waarom ik in dit
concrete geval geen nieuwe beleidslijn heb ingezet.”
De heer Bos: “Het gaat niet om dit concrete geval. Het inzetten
van een nieuwe beleidslijn heeft gevolgen voor een hele groep gevallen. De
aanleiding ervan is echter altijd een concrete uitspraak over een
individueel geval. Ik vraag de minister niet om iets te regelen voor mevrouw
. Wij hebben allemaal de onredelijkheid gezien die zich manifesteerde in de
consequentie van deze lijn voor iemand als Ayaan, en wat mij betreft ook
voor een aantal anderen. Kan dat niet aanleiding zijn om te overwegen om met
deze materie in het algemeen in vergelijkbare gevallen anders om te gaan?
Die mogelijkheid had de minister en die heeft zij niet gebruikt. Ik wil
weten waarom.”
Minister Verdonk: “Ik heb te maken met de huidige wet. Als ik
zou kiezen voor een nieuwe beleidsregel, zou ik over moeten gaan tot een
wetswijziging. Het uitgangspunt is dat identiteitsfraude leidt tot de
vaststelling dat het Nederlanderschap nooit is verkregen. Als men vindt dat
wetten en regels moeten worden veranderd, wil ik daar graag met de Kamer
over praten. Dit is echter de wet zoals die op dit moment is. De heer Bos
kan het daar niet mee eens zijn, maar zo is het wel.”
De heer Bos: “Ik formuleer buitengewoon zorgvuldig en
uitgebreid. Ik haal het voorbeeld aan van Kalou. Er is geen wetswijziging
nodig om een andere beleidslijn in te zetten. De minister heeft een
zelfstandige bevoegdheid als de wet die mogelijkheid biedt. De wet biedt die
mogelijkheid. Er is gekozen voor een invulling in een bepaalde richting. Die
heeft onredelijke consequenties. De vraag is nu waarom de minister er niet
voor kiest om binnen de mogelijkheden die de wet biedt voor een andere
invulling te kiezen die deze onredelijkheid niet kent. Daar is geen
wetswijziging voor nodig, net zo min als dat nodig was in het geval van
Kalou of in andere zaken.”
Minister Verdonk: “In het geval van de heer Kalou ging het over
artikel 10 van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Het betrof een
versnelling, het creëren van een uitzonderingspositie. Op dat terrein heeft
de minister wel degelijk een discretionaire bevoegdheid. Het gaat hier om
artikel 14 en de rechtspraktijk. Ik citeer uit het arrest van de Hoge Raad:
Artikel 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap ziet op gevallen waarin
het Nederlanderschap daadwerkelijk door het naturalisatiebesluit is
verkregen en niet op gevallen waarin het naturalisatiebesluit met valse of
fictieve personalia is verkregen en dus het rechtsgevolg mist. Daar zit dus
geen mogelijkheid in om een discretionaire bevoegdheid te gebruiken. Ik kan
slechts constateren.”
De heer Van Beek: “Ik wil graag even terug naar de antwoorden
die wij hebben gekregen op de vragen van de heer Nawijn. De minister heeft
gesteld dat zij naar aanleiding van de Zembla-uitzending tot nader onderzoek
heeft besloten. Dat staat in de eerste zin. De tweede zin luidt dat zij in
het kader hiervan een brief heeft gestuurd. Wat is de minister nu allemaal
aan het onderzoeken? Ik begrijp dat zij als onderdeel van het onderzoek een
brief heeft gestuurd. Waar is zij nu nog mee bezig? Welke zaken onderzoekt
de minister ten aanzien van mevrouw Ayaan Hirsi Ali, de procedures en de
gewoonten in Somalië, kortom: ten aanzien van alles wat maar denkbaar is?
Deze zinnen maken duidelijk dat de minister hiermee bezig is.”
Minister Verdonk: “Zoals hier ook staat, heb ik op grond van de
uitzending van Zembla tot een nader onderzoek besloten. Verder staat er dat
ik in het kader daarvan betrokkene per brief heb meegedeeld dat ik dat heb
onderzocht. Ik heb u net verteld wat ik heb onderzocht in verband met de
namen. Ook heb ik u verteld hoe de lijn in dezen is. Ik heb Zembla gezien en
daarna zijn wij verder gaan kijken. Toen zijn wij op een aantal sites en op
een uitspraak in The Guardian gestuit. Die bestond al. Dat alles hebben wij
neergezet. Vervolgens hebben wij aan mevrouw Hirsi Ali laten weten dat op
grond van de uitzending en de gegevens die ik net noemde, vooralsnog moest
worden aangenomen dat zij het Nederlanderschap niet had verkregen. Waarom?
Omdat zij gewoon het recht heeft om daar binnen zes weken op te reageren.”
De heer Van Beek: “Mag ik uit de woorden van de minister opmaken
dat het onderzoek intussen is afgesloten en dat zij aan de betrokkene een
brief heeft gestuurd nadat het onderzoek was afgesloten?”
Minister Verdonk: “Ja.”
Nadat de heer Nawijn aan de minister een paar onbenullige
plagstootjes had gegeven komt de Gemeentelijk Basis Administratie (GAB) in
zicht op grond waarvan bij de asielaanvraag verstrekte onjuiste gegevens
kunnen worden rechtgezet. Daar moet eerst aan voldaan worden wil er over de
kwestie Hirsi Ali verder gepraat worden.
Luister, de minister zegt het zelf:
“Ayaan
Hirsi Ali had geen stukken, dus heeft zij zich in het GBA laten inschrijven
op de manier die geëigend is voor iemand geen stukken heeft. Dat kan.
Hoe nu verder? Laat ik daar eerst op doorgaan. Wij gaan ervan
uit dat het Nederlanderschap niet is verleend. Ayaan Hirsi Ali is daarom als
vreemdelinge wederom in het bezit van haar verblijfsvergunning asiel voor
onbepaalde tijd. Het is aan Ayaan zelf om haar juiste persoonsgegevens in de
gemeentelijke basisadministratie te laten opnemen. Dat moet eerst gebeuren.
Daarna kan er een verblijfsdocument, op de juiste persoonsgegevens gesteld,
aan haar worden verstrekt. Als dat gebeurd is, kan zij een verzoek tot
naturalisatie indienen. Indien zij aan de voorwaarden daarvoor voldoet, kan
haar het Nederlanderschap worden verleend. Het is
natuurlijk cruciaal dat in de GBA de juiste personalia zijn opgenomen.
Ik heb contact laten opnemen met de autoriteiten in de Verenigde
Staten. Daarbij is besproken dat Ayaan Hirsi Ali een vluchtelingenpaspoort
krijgt. Dat hoeft op voorhand geen problemen op te leveren voor het
verkrijgen van een visum voor de Verenigde Staten. Dat wil ik hier bij
voorbaat toch even gezegd hebben.”
Dat gedoe rondom die Gemeentelijke Basis Administratie roept
weer een nieuwe discussie op. Met name Femke Halsema maakt zich onderhand
wel een beetje boos over het pad dat de minister voor Ayaan Hirsi Ali denkt
uit te stippelen en er ontstaat dan ook een pinnig debat tussen hen twee.
Mevrouw Halsema: “De minister moet het mij toch eens uitleggen.
Als ik haar nu hoor, moet er een administratieve operatie op gang komen.
Schijnbaar twijfelt zij er helemaal niet aan wie Ayaan Hirsi Ali is. De
enige kwestie is, dat er wat personalia moet worden veranderd in de
gemeentelijke basisadministratie. Is dat het hele punt?”
Minister Verdonk: “Wij moeten ook niet doen alsof er niets aan
de hand is. Er is een valse naam opgegeven. Er is een verblijfsvergunning
verkregen onder een valse naam. Dat is verjaard, maar het moet wel worden
rechtgezet in de gemeentelijke basisadministratie. Anders is er ook geen
basis om het Nederlandse paspoort te verkrijgen. Dat is de procedure. Die
geef ik aan. Ik geef dus aan wat de mogelijkheden zijn.”
Mevrouw Halsema: “U zegt dus met zoveel woorden dat het niet
niks is als er verkeerde gegevens in de basisadministratie terechtkomen,
ondanks dat wij geen van allen twijfelen wie Ayaan Hirsi Ali is. Het gaat u
dus erom dat de juiste personalia zijn vastgelegd. Dat zij op weg naar de
juiste administratie wel haar Kamerlidmaatschap heeft moeten opzeggen, dat
is pech.”
Minister Verdonk: “Ik ga niet over het Kamerlidmaatschap van
Ayaan Hirsi Ali. Ik ga ook niet over de beslissingen die zij neemt in haar
leven. Volgens mij kan ik hierop dus niet het goede antwoord geven.”
Mevrouw Halsema: “Hoe kunt u dit zeggen? U weet dat zij, op het
moment dat het Nederlanderschap haar ontvalt, of dat wordt vastgesteld dat
zij het nooit heeft gehad, geen Kamerlid meer kan zijn. Dat weet u! Op het
moment dat u het onderzoek publiek maakte, op het moment dat u – heel erg
snel – naar voren trad en terwijl u – want daarmee hoeft u bij mij niet aan
te komen – al heel lang wist dat zij Magan heette…”
Minister Verdonk: Voorzitter. “Hiertegen maak ik bezwaar. Als ik
hier zeg tegen mevrouw Halsema dat ik het niet wist, neem ik aan dat mevrouw
Halsema dat ook aanneemt.”
Mevrouw Halsema: “In de meeste gevallen wil ik aannemen wat de
minister zegt. Maar kan zij mij eens vertellen wat sinds jaren het
e-mailadres van Ayaan Hirsi Ali is?”
Minister Verdonk: “Geen idee.”
Mevrouw Halsema: “Ik heb toestemming om het te zeggen. U kent
het ook, want u mailt met haar.
Magan@tweedekamer.nl. U kent het al
jaren!”
Een geïrriteerde Minister Verdonk met overslaande stem:
“Voorzitter!”
Mevrouw Halsema: “Doet u het dus niet voorkomen alsof u die naam
niet kent want, eerlijk gezegd, ik geloof het niet.”
Minister Verdonk: “Ik wil hier echt afstand van nemen. Ik heb
nog nooit gemaild met Ayaan Hirsi Ali, dus ik snap niet waar deze opmerking
vandaan komt. Ik ben niet op de hoogte van haar e-mailadres. Dit soort
suggesties wijs ik ten zeerste van de hand. Waarom zou ik nu ineens
onderzoek gaan doen als ik het al eerder wist? Dan had ik wel eerder
onderzoek gedaan! Denkt u dat ik dit een fijne situatie vind? Denkt u dat ik
mij hierdoor als mens niet aangesproken voel? Dat voel ik mij wel. Maar ik
ben ook minister. En als ik dit soort zaken weet, moet ik maatregelen
nemen.”
De voorzitter: “Dit is nu uitgesproken. Het is tegen elkaar
gezegd. Wij gaan door met de hoofdlijn van het antwoord van de minister.”
Mevrouw Halsema:
"Voorzitter. Had u de indruk dat dit niet over
de hoofdlijnen ging?"
De voorzitter: “Jawel, maar wij gaan terug naar de hoofdlijn.”
De voorzitter is even in de war. Als hij met mevrouw Halsema
akkoord is dat het om de hoofdlijn ging, valt er niets meer terug te gaan
naar de hoofdlijn, want daar zijn ze al.
Mevrouw Halsema: “Dit gaat om de kern. Als de minister al veel
langer op de hoogte was van de werkelijke achternaam van Ayaan Hirsi Ali
-zoals het gros van Nederland, zoals het gros van de VVD, zoals anderen -dan
heeft zij in een eerder stadium wel degelijk bijzondere omstandigheden
toegekend aan haar situatie en geen redenen gezien om een onderzoek te
starten naar haar naturalisatie. De redenering van de minister drijft op het feit dat zij de ware
naam van mevrouw Hirsi Ali niet zou kennen. Daarop baseert zij al haar
argumenten. En ik betwijfel dat. Ja, ik betwijfel dat.”
Minister Verdonk: Volgens mij kan ik de twijfel bij mevrouw
Halsema niet wegnemen. De redenering van mevrouw Halsema begint nog steeds
met het woordje ‘als’ en mijn redenering begint ermee hoe de zaak in
elkaar steekt.
Zoals het in de eerste termijn noodzakelijk bleek om bepaalde
woordvoerders stevig aan de tand te voelen met betrekking tot hun
twijfelachtige standpunten, zo moet dit in tweede termijn met de minister
ook gebeuren. Dat is althans de opvatting van Maxime Verhagen, die het
gedraai en het wegduiken van de minister aardig zat begint te worden, ook al
bezigt de minister een parmantig taalgebruik. Dus het lange CDA-Kamerlid
kruipt naar de interruptie-microfoon en begint een adembenemend tweegesprek.
De heer Verhagen gaat nu eens proberen of hij de bewindsvrouwe
op andere gedachten kan brengen, of dat zij tot enig relativeringsvermogen
in staat is. Hij zal in een langdurig tweegesprek trachten haar te wijzen op
de bijzondere omstandigheden, die zowat door alle woordvoerders meerdere
malen is gebruikt als een optie tot een ander oordeel te komen. Bij de
bijzondere omstandigheden denkt een groot deel van de Kamer aan dat het
algemeen bekend is om wie het gaat. Als hij er in slaagt Verdonk tot dat
inzicht te krijgen is de avond toch niet voor niets geweest.
De heer Verhagen: “Ik wil even teruggaan naar het betoog van de
minister. Zij stapt wel heel vlug over naar de vraag hoe nu verder,
maar zij heeft absoluut niet aangegeven op welke wijze het onderzoek heeft
plaatsgevonden. Ze heeft
ook niet aangegeven of dat zorgvuldig heeft plaatsgevonden, en waarom de
bijzondere omstandigheden waarop de Hoge Raad doelt niet gegolden hebben. Ik
citeer de Hoge Raad. Het gaat dan om die bijzondere omstandigheden. De Hoge
Raad zegt dat ook te denken valt aan gevallen waarin de opgegeven naam een
naam is waaronder de naturalisandus ook bekend staat. Stond mevrouw Hirsi
Ali in 1997 bekend als mevrouw Hirsi Ali?"
Minister Verdonk: “Ja. Onder die naam staat zij nog steeds
bekend.”
De heer Verhagen: “In het arrest van de Hoge Raad wordt dat wel
een bijzondere omstandigheid genoemd. Het gaat erom dat algemeen
bekend is om wie het gaat. Die naam is van belang opdat men weet om wie het
gaat. Het is ook terecht dat men wil weten wie iemand is voordat hij of zij
Nederlander wordt. Als echter bekend is om wie het gaat, als de persoon in
kwestie bekend is, is dat volgens de Hoge Raad een bijzondere omstandigheid
waarmee rekening gehouden kan worden.
De minister heeft dus niet aangetoond dat het onderzoek na
donderdag zorgvuldig is uitgevoerd. Zij heeft evenmin aangetoond waarom zij
geen gebruik heeft gemaakt van de bijzondere omstandigheden waar de Hoge
Raad naar verwijst.”
Sorry, voor mijn onderbreking, maar ik vrees dat het hier weer
helemaal fout gaat. In plaats dat de minister hier ingaat op de geboden
gelegenheid om zonder gezichtsverlies de zaal nog te kunnen verlaten beroept
ze zich op fraude of het verstrekken van valse identiteitsgegevens, terwijl
in de discussie dat station gepasseerd is. Dat schijnt ze niet te begrijpen.
Het dwingt Verhagen (en anderen) tot nog scherpere formuleringen en tot het
opzoeken van letterlijke teksten om daaruit te citeren.
Minister Verdonk: “Voorzitter, we praten nog steeds over een
situatie waarin sprake is van valse identiteitsgegevens. Daardoor is het
rechtsgevolg, het Nederlanderschap, nooit ingetreden. Het gaat in de
jurisprudentie om het verschrijven van namen, niet om een heel andere naam.”
De heer Verhagen: “Voorzitter, ik citeer nu letterlijk: ‘Te
denken valt aan gevallen waarin de opgegeven naam of andere persoonsgegevens
een kennelijke verschrijving bevatten’ -dat is waar de minister op
doelt- ‘of als gevolg van transcriptieproblemen zijn verbasterd, of aan
gevallen waarin de opgegeven naam een naam is waaronder de naturalisandus
ook bekend staat.’ Dat staat er, en dat vergeet de minister steeds.”
Minister Verdonk: “Neen, dat vergeet ik niet. Ayaan Hirsi Ali
staat bekend onder de naam Ayaan Hirsi Ali. De heer Verhagen stelt dat zij
ook bekend stond onder een andere naam.”
De heer Verhagen: “Neen, ik zeg dat ze bekend stond onder de
naam Ayaan Hirsi Ali. De Hoge Raad stelt dat, als zij ook bekend staat als
Ayaan Hirsi Ali, en dus niet alleen onder de naam Magan, dit een bijzondere
omstandigheid is. Ik herhaal dus mijn vraag of de minister zorgvuldig
onderzoek heeft verricht. Wisten de mensen daar om wie het ging toen wij het
hier hadden over Ayaan Hirsi Ali?”
Minister Verdonk: “Er is zorgvuldig onderzoek verricht, maar ik
ga toch nog ook even zorgvuldig in op de vraag van de heer Verhagen. Iemand
komt het land binnen, geeft een eerste naam op, maar vindt na enige tijd dat
hij of zij een tweede naam moet gaan gebruiken. Moeten wij dan meedelen dat
de desbetreffende persoon dan dus bekend staat onder twee namen, maar dat
dit niet zoveel uitmaakt? Dat kan toch niet? Dat kan de heer Verhagen toch
niet bedoelen?”
Ik neem mijn petje af voor Verhagen, die elke keer weer opnieuw
zich van adem voorziet om iemand op langdurige wijze en bovendien gratis
onderricht te geven over lezing van arresten en daarin gebezigde termen. Je
kunt natuurlijk voor hetzelfde geld ook voor de tegenspeler minister Verdonk
datzelfde respect opbrengen, want zonder haar kan het niet zover komen.
Echter bij haar gaat het om een in de ogen van de overgrote meerderheid
gesignaleerde tekortkoming, wat er toe leidt dat zij de veroorzaker is van
de groeiende ergernis en onbegrip en van de lengte van het debat. Het geduld
is bij Verhagen nog niet op.
De heer Verhagen: “Voorzitter, ik citeer de procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden in punt 12. Daarin wordt gesproken over die
bijzondere omstandigheden. In dit punt gaat het over de situatie dat je op
het moment van het naturalisatieverzoek, dus bij het vaststellen van de
identiteit, weet om wie het gaat. Als dus zou worden gevraagd wie de
desbetreffende persoon is, dan zou iedereen weten om wie het gaat. Die vraag
is echter niet beantwoord. Dat bedoel ik met mijn vraag naar de
zorgvuldigheid van het onderzoek.”
De minister gaat zich nu op het gebruik van één woordje beroepen
en denkt Verhagen daarmee vast te pinnen. Het gaat om het woordje
‘bevoegdelijk’ dat door Verhagen in zijn citaat is weggelaten. Nou kan
het gebruik van één woordje erg belangrijk zijn. Het kan verschil maken
tussen leven en dood. Maar hier en in dit verband is het schieten op
gebakken lucht, want dit woordje heeft hier geen betekenis, omdat de
situatie waar het op slaat niet van toepassing was. Maar Verdonk gaat
verder.
Minister Verdonk: “Ik heb de uitspraak inmiddels ook bij de
hand. Daar staat volgens mij een heel belangrijk woordje in dat de heer
Verhagen niet voorlas. Ik citeer: ‘Te denken valt aan gevallen waarin de
opgegeven naam of andere persoonsgegevens een kennelijke verschrijving
bevatten of als gevolg van transcriptieproblemen zijn verbasterd, of aan
gevallen waarin de opgegeven naam een naam is waaronder de naturalisandus
ook bekend staat en die door hem bevoegdelijk is gevoerd.’ Dat is in dit
geval niet zo.”
De heer Verhagen: “Was mevrouw Hirsi Ali in 1997 bekend als
mevrouw Hirsi Ali?”
Minister Verdonk: “Het gaat om twee namen die allebei
bevoegdelijk zijn gevoerd. Dat is in dit geval niet zo.”
De heer Verhagen: “Mijn vraag is of mevrouw Hirsi Ali daar
bekend was onder die andere naam.”
Minister Verdonk: “Ayaan Hirsi Ali had dan -dat staat hier- ook
bekend moeten staan onder haar andere naam en zij had beide namen
bevoegdelijk moeten kunnen voeren. Er staat namelijk: ‘..... waarin de
opgegeven naam een naam is waaronder de naturalisandus ook bekend staat en
die door hem volgens het toepasselijke recht bevoegdelijk is gevoerd’".
Je moet van goeden huize komen om niet je televisiescherm in
gruzelementen te gooien en jezelf wat aan te doen. Je moet jezelf in
dergelijke situaties, waarin men je tot het uiterste tergt, ook al omdat
je als kijker geen weerwoord kunt geven, goed in de hand hebben, om erger te
voorkomen. Het kan toch niet waar zijn dat iemand, ook al is het een
minister, zo veel tijd en ruimte krijgt om als een mantra te herhalen wat ze
eerder reeds uitvoerig heeft meegedeeld. De voorzitter zou dit toch wat
beter dienen te bewaken, ook al is de minister een partijgenoot van hem. Of
heeft dat er niets mee te maken? OK, dan zou hij minimaal de schijn dienen
te vermijden dat ze in een bevoorrechte positie verkeert, door haar er op te
wijzen dat ze gestelde vragen dient te beantwoorden. Je zou haast denken dat
de één een taal spreekt die de ander niet begrijpt.
Ze erkent niet dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid
waarop zij zich zou kunnen beroepen om tot een ander oordeel over de
rechtsgevolgen van de aanvraag voor het Nederlanderschap te komen dan nu het
geval is. Een en ander maal wijzen Verhagen en andere woordvoerders op de
uitleg die aan het arrest van de Hoge Raad dient te worden gegeven en waarin
die bijzondere omstandigheid een plaats krijgt. Mevrouw Verdonk, af een toe
een woordspelinkje of kwinkslag gebruikend beroept zich telkens weer op wat
anders.
De heer Van As, kon zo zijn weggelopen bij een amateur
toneelvereniging omdat hij nooit goed de klemtoon wist te leggen, kenmerkt
zich in zijn bijdrage niet als iemand met veel
dossierkennis en historisch
gevoel en voor wie dit gekissebis eigenlijk maar een verloren avond is.
Vanaf 1996 tot aan het moment dat hij op de lijst van Pim Fortuyn het
parlement binnenstapte was hij in Alphen aan de Rijn actief in het vastgoed
als bemiddelaar en adviseur. Ofschoon hij in zijn woonplaats het ooit tot
wethouder heeft geschopt en in Rotterdam beleidsadviseur schijnt te zijn
geweest, was hij nimmer van spraakmakende betekenis. Ook nu blinkt hij niet
uit in het geven van een zinvolle bijdrage als hij met zijn zwarte haren
onder een glimmende laag haarcrème de weg naar het spreekgestoelte heeft
gevonden.
De heer
Van As: “De minister is nog steeds met haar beantwoording bezig. Zij heeft
heel duidelijk aangegeven wat de rechtsmogelijkheden van mevrouw Hirsi Ali
zijn. Zij kan reageren naar aanleiding van de brief die de minister heeft
doen uitgaan, enzovoort. Dat wordt dus een normale procedure. Wij
respecteren dat in hoge mate, want wij moeten dat hier vanavond in dit
Sanhedrin niet gaan overdoen.
De minister heeft ook duidelijk gezegd dat de zaak op een
fatsoenlijke manier kan worden afgedaan, als mevrouw Hirsi Ali met de juiste
gegevens komt, zoals een geboorteakte. Wellicht kan ook worden volstaan met
een echtscheidingsakte. Als Zembla haar ex-man in Canada kan opsporen, moet
dat via de Nederlandse ambassade ook kunnen en moet er ook een
echtscheidingsakte zijn. Daarom verzoek ik de minister om te proberen, de
juiste informatie boven tafel te halen zodat de zaak ten aanzien van Ayaan
op een fatsoenlijke wijze kan worden afgedaan. De minister heeft ook gezegd
dat, als Ayaan met de juiste gegevens komt -ik sluit niet uit dat die te
achterhalen zijn- zij nog een andere procedure in gang kan zetten. Dat heb
ik althans uit haar woorden begrepen. Volgens mij is dit veel belangrijker
dan al het gekissebis van vanavond.”
Minister Verdonk: “Het klopt dat mevrouw Hirsi Ali zelf eerst
naar de GBA moet gaan. Het kan zijn dat zij daar een geboorteakte of andere
stukken, zoals aan echtscheidingsakte, kan achterhalen. Als zij haar
geboortejaar of haar identiteit kan laten zien, kan zij een nieuwe
inschrijving krijgen in de GBA. Vervolgens zal zij een nieuw
verblijfsdocument krijgen met haar eigenlijke naam. Daarna kan zij, als zij
dat wil, een nieuw naturalisatieverzoek indienen.”
Opgelost toch? Waar maken die 149 zich nog druk om? Waarom
begrijpt die Tweede Kamer niet dat het zo simpel is en dit allemaal niet
nodig is?
Mevrouw
Van der Laan: “Ik wil nog even de discussie over de uitspraak van de
procureur-generaal afronden. Wij hadden het net over paragraaf 12. Daarin
staat: te denken valt aan gevallen waarin de opgegeven naam ..... Dat is een
voorbeeld. Er staat niet dat dit uitsluitend of alleen in dat geval zo is.
De minister zegt steeds dat zij niet anders kon, maar het is gewoon een
voorbeeld.
Dan kom ik nog even op de laatste zin. Deze is nog niet
voorgelezen, maar daar staat: ‘In deze gevallen betreffen de vermelde
gegevens de naturalisandus en kunnen hem ook identificeren.’ En daar
gaat het om. Zij was heel duidelijk te identificeren; wij wisten om wie het
ging.”
Mevrouw Van der Laan gaat er van uit dat minister Verdonk alsnog
omgaat na haar laatste toevoeging, ook al begrijpt nu onderhand iedereen in
het land dat betrokkene slechts als Ayaan Hirsi Ali kon worden
geïdentificeerd. Maar Rita Verdonk weet daar wel antwoord op.
Minister Verdonk: “Als wij ons niet willen houden aan de
voorbeelden of de conclusie van de procureur-generaal, laten wij dan gewoon
teruggaan naar het arrest van de Hoge Raad. In dat arrest staat: "Het middel
dat ten betoge strekt dat een naturalisatiebesluit waarin onjuiste
persoonsgegevens zijn opgenomen wél rechtsgevolg heeft, mits duidelijk is -zoals in het onderhavige geval- op welke personen het besluit het oog
heeft gehad, gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. De rest van dit
arrest heb ik al een aantal keren voorgelezen."
Mevrouw
Van der Laan (D66): Die discussie gaan wij dan ook niet overdoen. Ik zie
echter dat de minister de procureur-generaal alleen maar in de strijd werpt
zolang het werkt, maar dat het arrest niet aangehaald mag worden als het als
tegenargument wordt gebruikt. Dit staat er evenwel ook in.”
Mevrouw Van der Laan: “Die discussie gaan wij dan ook niet
overdoen. Ik zie echter dat de minister de procureur-generaal alleen maar in
de strijd werpt zolang het werkt, maar dat het arrest niet aangehaald mag
worden als het als tegenargument wordt gebruikt. Dit staat er evenwel ook
in.”
Minister Verdonk: “Ik ben niet degene die dit naar voren heeft
gebracht. Ik heb net duidelijk gemaakt wat hier staat. Mevrouw Van der Laan
zegt dat dit slechts een voorbeeld is. Daarom zeg ik: laten wij teruggaan
naar het arrest van de Hoge Raad. Volgens mij is dat heel duidelijk.”
SP-er de heer De Wit komt de zaak nog eens even ‘verbreden’.
Want het moet Verdonk toch duidelijk gemaakt worden dat alles wat zij met
betrekking tot Ayaan Hirsi Ali naar voren brengt, natuurlijk ook voor al die
andere asielzoekers geldt.
De heer De Wit: “De minister zegt dat het eigenlijk heel simpel
is voor mevrouw Hirsi Ali: zij kan naar de Gemeentelijke
Bevolkingsadministratie gaan en daar de juiste gegevens overleggen.
Vervolgens vindt daar een wijziging plaats waarna zij een nieuw verzoek om
naturalisatie kan indienen. Zo begrijp ik de minister. Geldt deze procedure
alleen voor mevrouw Hirsi Ali of geldt die voor iedereen? Ik vraag dit omdat
er de afgelopen dagen talloze advocaten zijn geweest die ons berichten dat
asielzoekers die genaturaliseerd zijn en fouten hebben gemaakt,
bijvoorbeeld, zoals in dit geval, het opgeven van een verkeerde naam, linea
recta het land worden uitgezet nadat de fraude is gebleken. Is de procedure
die de minister nu schetst alleen voor mevrouw Hirsi Ali bestemd of geldt
die voor iedereen? Dit zou een buitengewoon belangrijk punt zijn voor de
mensen wier Nederlandse nationaliteit opeens niet blijkt te hebben bestaan
en die in feite in dezelfde situatie verkeren als mevrouw Hirsi Ali.”
Minister Verdonk: “Ook deze mensen kunnen naar de GBA gaan en
daar heel duidelijk maken wat hun naam is. Zij moeten dat onderbouwen met
documenten of met de verklaring van drie of vier getuigen. Dit geldt voor
iedereen, niet alleen voor Ayaan Hirsi Ali.”
“Is twee niet genoeg”, zou ik hier interrumperen.
De heer De Wit: “Weet u ook zeker dat de IND dit weet en dat die
niet overgaat tot uitzetting of wat voor maatregelen dan ook, maar mensen in
de gelegenheid stelt om dit in orde te maken en een nieuw verzoek in te
dienen?”
Minister Verdonk: “Wij hebben het over twee zaken, namelijk over
de Rijkswet op het Nederlanderschap en over de Vreemdelingenwet. Als je niet
voldoet aan de vereisten van de Vreemdelingenwet, kun je het land
uitgestuurd worden indien je geen status hebt of je status wordt
ingetrokken. Bij de Rijkswet op het Nederlanderschap gaat het alleen om de
Nederlandse nationaliteit. Op grond van het intrekken van de Nederlandse
nationaliteit word je het land niet uitgezet.”
Ook de heer De heer De Wit kan van zijn vasthoudendheid blijk
geven: “Tenzij iemand een vergunning voor bepaalde tijd had. Mevrouw Hirsi
Ali heeft een vergunning voor onbepaalde tijd. Die herleeft kennelijk. Dat
kan je niet zeggen van een vergunning die verlopen is.”
Minister
Verdonk: “Mevrouw Hirsi Ali had ook een A-status, een vluchtelingenstatus;
dit is inderdaad een vergunning voor onbepaalde tijd. Bij een vergunning
voor bepaalde tijd zal een betrokkene dezelfde handelingen moeten verrichten
en duidelijk moeten maken wie hij is. Ik zeg nogmaals dat ik het opgeven van
valse personalia, op welk moment dan ook in de procedure, ten stelligste
afwijs; dat kan de heer De Wit zich voorstellen.
Er is gevraagd of mevrouw Hirsi Ali nu stateloos is. Betrokkene
heeft een asielstatus en heeft dus gewoon een recht tot verblijf in
Nederland. Het is verder primair aan de overheid van het land van herkomst
om iets te zeggen over de Somalische nationaliteit. Ik neem aan dat mevrouw
Hirsi Ali nog steeds over de Somalische nationaliteit beschikt. Zij heeft in
ieder geval een status in Nederland en zij krijgt ook een
vluchtelingenpaspoort.”
Hier krijgt de heer Wilders en anderen eindelijk antwoord over
het verwijt dat ze campagne aan het voeren is, in plaats van zorgvuldigheid
in haar besluitvorming te betrachten.
Minister Verdonk: “Hetgeen de heer Wilders heeft gezegd over een
verband dat er zou bestaan tussen deze kwestie en mijn kandidaatstelling
voor het lijsttrekkerschap is pertinent onjuist. Ik ben minister voor
Vreemdelingenzaken en Integratie. Ik neem die functie zeer serieus. Ik
benadruk dan ook dat deze kwestie helemaal niets te maken heeft met mijn
kandidaatstelling. Het past ook helemaal niet in dit soort situaties. Ik heb
mij de laatste dagen alleen maar vanuit mijn functie als minister voor
Vreemdelingenzaken en Integratie met deze zaak beziggehouden. Dat betekent
dat ik daarover ook geen contacten heb onderhouden met bijvoorbeeld mijn
campagnecommissie, zoals zo-even werd gesuggereerd.
De heer
Van der Vlies heeft nog een vraag gesteld over het tijdsverloop. Een niet
rechtsgeldig Koninklijk Besluit tot naturalisatie kan niet door het verlopen
van de tijd rechtsgeldig worden, aangezien het nooit is verleend op die
naam. Ongeacht de vraag hoe lang het geleden is, op het moment van
constatering geldt deze regel en dus ook de uitspraak van de Hoge Raad.”
De
minister neemt in de volgende discussie met de heren Van der Vlies en De Wit
nu méér tijd om uiteen te zetten waarom ze die tijd niet nodig had voor haar
oordeelsvorming over Ayaans naturalisatiegeschiedenis.
De heer Van der Vlies: “Ik denk dat de minister mij verkeerd
heeft begrepen, maar misschien heb ik mij onzorgvuldig uitgedrukt. Waar het
mij om ging, en enkele collega's ook, heb ik begrepen, is dat een paar keer
binnen 24 uur een volstrekte evolutie is ontstaan in het beeld. Het
noodzakelijke karakter daarvan is mij tot nu toe ontgaan. De minister stelt
een nader onderzoek in. De bevindingen daarvan kunnen haar heel snel hebben
bereikt, maar zij kunnen ook een tijd onderweg zijn. Als je zorgvuldigheid
als vereiste stelt, kun je daar een poosje over doen. Maar nee, even later
was daar die brief. Dat was de timing zoals ik bedoelde.”
Minister Verdonk: “Er is vrijdag een onderzoek gestart. Er is in
het weekend meerdere malen contact geweest. Ik heb ook meerdere malen
contact gehad met de IND. Er is het weekend doorgewerkt. Gistermorgen om
tien uur had ik een afspraak met een aantal juristen en een aantal mensen
van de IND. Toen waren de eerste gevolgtrekkingen bekend. Toen heb ik
gezegd: ik wil dat er nog nader onderzoek wordt gedaan. Daar is gisteren aan
besteed. Om vijf uur zijn wij weer bij elkaar geweest en toen lag de zaak
zoals hij nu ook ligt. Mij restte slechts om de constatering te maken zoals
ik net heb geschetst.”
De heer Van der Vlies: “Ik kan mij voorstellen dat die
besluitvorming er gekomen zou zijn, maar ik kan mij ook voorstellen dat zij
wat langer onderweg zou zijn. Daar kun je ook heel strategische, op de
persoon gerichte overwegingen bij hebben, want het is wel pijn en
consternatie. Dan moet je er in een bepaalde afweging de ander ook wel eens
even tijd voor geven.”
De minister komt in haar antwoord aan Van der Vlies nog eens
terug op de door haar betrachtte snelheid en wijst er op dat de Tweede Kamer
altijd belang hecht aan snelheid en termijnen. Daarom dus!
Minister Verdonk: “Ik ben het helemaal eens met de heer Van der
Vlies. Dat is de reden dat het gisteren toch nog eens doorgekeken is. De
reden waarom ik heel snel naar de Kamer heb gereageerd, is dat ik vond dat
dit mijn taak was. Wij praten over een parlementslid. Ik denk dat de Kamer
dan ook recht heeft om het zo snel mogelijk te weten nadat de uitslag van
het onderzoek bekend is. Vandaar dat ik de Kamer daarover snel heb
ingelicht.”
De heer De Wit: “De vraag aan de minister blijft natuurlijk
toch: waarom nu? Waarom moet dat met zo'n vliegende vaart gebeuren? De
minister heeft zojuist op vragen van mijn kant zelf aangegeven dat er
mogelijkheden bestaan om op een geruisloze manier een en ander te
veranderen, dat ze maar naar de GBA hoeft te gaan, dat ze een nieuw verzoek
kan indienen, enzovoorts. Waarom laat zij dat niet gebeuren? Waarom neemt
zij meteen deze beslissing of schrijft zij meteen deze brief? Waarom op dit
moment? Wat zit daar achter?
Minister Verdonk: “Daar zit niets achter dan een
televisie-uitzending. Ik heb het citaat al een aantal keren voorgelezen,
waarin Ayaan Hirsi Ali heel duidelijk uitdroeg dat zij niet de waarheid had
verteld en twee namen aangaf. Ik ben dat heel snel gaan onderzoeken, omdat
het een parlementslid betreft. Ik kwam er in het weekend achter dat het ook
betekent dat de verkrijging van het Nederlanderschap geen rechtsgevolgen
heeft gehad, dus nooit tot stand is gekomen, dus dat zij de Nederlandse
nationaliteit niet heeft. Vooralsnog is de conclusie dat zij deze niet
heeft. Ik vond het mijn plicht om de Kamer daar zo snel mogelijk van in
kennis te stellen. Dat is de reden geweest.”
Terug naar de bijzondere omstandigheden, want daar is De Wit nog
niet mee klaar.
De heer De
Wit: “De minister heeft in dit debat duidelijk gemaakt dat zij eigenlijk
niet heeft gekeken naar de bijzondere omstandigheden. In de Kamer zijn
allerlei voorbeelden genoemd op grond waarvan wij kunnen vaststellen dat de
minister niet heeft onderzocht of er bijzondere omstandigheden waren. Waarom
heeft zij dat niet onderzocht? Waarom heeft zij daar de tijd niet voor
genomen? Waarom heeft zij mevrouw Ayaan Hirsi Ali niet gewezen op de
mogelijkheid die kennelijk voor iedereen bestaat, om de zaak te herstellen?
Dan was die hele heisa gewoon niet nodig geweest.
De
minister heeft in dit debat duidelijk gemaakt dat zij eigenlijk niet heeft
gekeken naar de bijzondere omstandigheden. In de Kamer zijn allerlei
voorbeelden genoemd op grond waarvan wij kunnen vaststellen dat de minister
niet heeft onderzocht of er bijzondere omstandigheden waren. Waarom heeft
zij dat niet onderzocht? Waarom heeft zij daar de tijd niet voor genomen?
Waarom heeft zij mevrouw Ayaan Hirsi Ali niet gewezen op de mogelijkheid die
kennelijk voor iedereen bestaat, om de zaak te herstellen? Dan was die hele
heisa gewoon niet nodig geweest.”
Minister Verdonk: “Nogmaals, ik heb geen besluit genomen. Ayaan
Hirsi Ali heeft zelf gemeld dat zij een verzonnen verhaal heeft verteld en
dat haar eigenlijke naam anders is dan de naam Ayaan Hirsi Ali. Het enige
wat er dan gebeurt, is dat er geen rechtsgevolg is ingetreden, dus dat het
Nederlanderschap niet is verleend. Stel dat ik dit niet aan de Kamer had
laten weten, terwijl de Kamer snel informatie wil, waar ik altijd aan
tegemoet probeer te komen. Als ik
weet dat er een parlementslid is dat vooralsnog niet de Nederlandse
nationaliteit bezit, behoort de Kamer dat toch direct te weten?”
De heer De Wit, die het als oud-advocaat voor een groot publiek
aardig toegankelijk kan maken: “Wat is hier aan de orde? Mevrouw Ayaan Hirsi
Ali heeft haar Nederlanderschap nooit gekregen. Zij is parlementslid af en
nu zegt u: oké, dan heb ik nog een doekje voor het bloeden; vraag je
Nederlanderschap maar opnieuw aan. U hebt op deze manier nogal wat
aangericht. Waar is de zorgvuldigheid gebleven? Had dit niet beter in de
tijd uitgesmeerd kunnen worden, zodat u kon zoeken naar mogelijkheden om
desnoods gebruik te maken van bijzondere omstandigheden, mevrouw Ayaan Hirsi
Ali desnoods een aantal suggesties te doen enzovoort? Nee, u hebt het nu
naar buiten gebracht, met desastreuze gevolgen.”
Minister Verdonk: “Nogmaals, voor de duidelijkheid: het gaat
helemaal niet om een doekje voor het bloeden. Ik geef alleen aan wat een
vervolgtraject zou kunnen zijn als mevrouw Ayaan Hirsi Ali dat zelf wil. Wat
"bijzondere omstandigheden" betreft: ik heb geen afweging gemaakt en ik heb
geen besluit genomen; ik heb alleen maar de constatering gedaan. Alles wat
de heer De Wit hier probeert te zeggen, ligt dus helemaal niet in mijn
macht. Ik heb alleen de constatering gedaan dat de verlening van het
Nederlanderschap in rechte gewoon niet tot stand is gekomen.”
Hoe lang hou ik dit nog vol? Ik weet van eerdere metingen van de
Dienst Kijk- en Luisterdichtheid dat naarmate een dergelijke debatavond
vordert, het aanvankelijke aantal kijkers flink gedecimeerd wordt. Ik bevind
me in een in rap tempo kleiner wordende groep en ga mezelf belangrijk
vinden. Ik heb de behoefte mij ook te laten horen ofschoon mijn lichaam
inmiddels de horizontale stand heeft aangenomen en over de bankleuning heen blijf
ik oogcontact met s’lands vergaderzaal houden. Halsema snijdt nog eens de
opmerkelijke snelheid van handelen aan. Het spel gaat weer verder.
Mevrouw Halsema: “Toch blijft het verbazingwekkend dat u
plotseling binnen twee dagen de resultaten heeft gepresenteerd, terwijl u
als geen ander weet dat de wettelijke termijn om de Kamer te beantwoorden,
drie weken is en verlengd kan worden tot zes weken. Meestal gebruikt u die
termijn immers ten volle. Mijn vraag is evenwel een andere. Ik heb dat punt
in eerste termijn naar voren gebracht, maar u hebt daar nog niets over
gezegd. Bij mijn weten geldt de termijn van zes weken voor bezwaar ook voor
geheimhouding. De vraag is dus waarom u dit bekend heeft gemaakt. Dat heeft
mogelijk ook gevolgen voor de ruimte die Ayaan Hirsi Ali heeft om gebruik te
maken van het argument van de bijzondere omstandigheden. Die ruimte raakt
daardoor beklemd.”
Maar Verdonk gaat volstrekt voorbij aan die belangrijke vraag
van Halsema over de geschonden geheimhouding. Zij negeert het bewust.
Minister Verdonk: “Ik heb de Kamer heel duidelijk meegedeeld dat
ik vooralsnog uitga van de zaak zoals die nu ligt -- ik heb dat al een
aantal keren toegelicht -- en dat het nu aan mevrouw Hirsi Ali is om te
reageren. Dat kan zij morgen doen en daar kan zij ook nog een tijdje mee
wachten. Dat is aan haar.”
Zoals later zal blijken heeft het College Bescherming
Persoonsgegevens in de zaak Taïda Pasic geoordeeld dat minister Verdonk
onrechtmatig heeft gehandeld door in die concrete zaak vertrouwelijke
gegevens naar buiten te brengen. Hier betreft het zelfs een parlementslid en
mag er nog zwaarder aan dit feit gehecht worden. Jammer dat niemand dit
aspect van het schenden van de vertrouwelijkheid meer oppakt.
Mevrouw Halsema: “De vraag is waarom u dit bekend heeft gemaakt
terwijl pas over zes weken meer duidelijkheid ontstaat. Is het niet veel
gebruikelijker -- behoord het zelfs niet zo te zijn -- dat het in die
periode van zes weken niet bekend wordt gemaakt? Nu u het wel bekend hebt
gemaakt, dreigt er een patstelling die vandaag overigens al verschrikkelijke
gevolgen heeft gehad.”
Minister Verdonk: “Ik heb op grond van twaalf vragen van de heer
Nawijn de Kamer alleen heel kort bekendgemaakt hoe de procedure is. Meer heb
ik niet bekendgemaakt.”
Mevrouw Halsema:
“Dat is toch geen antwoord op de vraag? De vraag is heel eenvoudig: waarom
hebt u het bekendgemaakt? Bij een uitstel tot zes weken houdt u zich zelfs
aan de Kamerregels. Volgens mij had u dan procedureel veel juister gehandeld
dan nu, nu u Ayaan Hirsi Ali gisteravond en vandaag gewoon voor de leeuwen
hebt geworpen.
Minister Verdonk: “Ik begrijp dit niet van mevrouw Halsema. Zij
zegt: ook al weet de minister na een onderzoek dat een Kamerlid niet de
Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, dan wil de Kamer dat niet weten.
Ik kan mij dat niet voorstellen. Ik vond het, juist omdat het een
parlementslid was, mijn plicht om de Kamer daarvan meteen in kennis te
stellen.”
Mevrouw Van der Laan mengt zich wederom in het debat en vormt
samen met Halsema een duo dat met niet aflatende ijver Verdonk uitdaagt te
bekennen dat ze volgens een Kamermeerderheid fout zit en het hoofd moet
buigen. Van der Laan begint over een ‘flitssnel’ onderzoek en brengt
de vermeende statenloosheid van Ayaan Hirsi Ali ter sprake.
Mevrouw Van der Laan: “Er is een flitssnel onderzoek geweest. Ik
vind het belangrijk dat de Kamer kan bepalen of dat een zorgvuldig onderzoek
is geweest. Daarom heb ik daar twee vragen over. Ten eerste: heeft de
minister contact opgenomen met de Somalische autoriteiten om vast te stellen
of Ayaan door deze constatering eventueel stateloos zou kunnen worden? Dat
lijkt mij een belangrijk onderdeel van het onderzoek. Ten tweede: heeft de
minister contact opgenomen met de voorzitter van de Tweede Kamer om te
achterhalen wat de staatsrechtelijke implicaties zijn van het wegvallen van
dit Kamerlid, nee sterker nog, van het feit dat wij al die tijd kennelijk
met een soort illegaal Kamerlid hebben gezeten en dat wij dus met 149
Kamerleden aan de slag zijn geweest, wat ongrondwettelijk is?”
Minister Verdonk: “Ik heb geen contact gehad met de Somalische
autoriteiten. Zojuist heb ik opgemerkt dat de Somalische autoriteiten zelf
bepalen of Ayaan Hirsi Ali de Somalische nationaliteit nog heeft. Zij
beschikt in ieder geval over een vluchtelingenpaspoort.
Gisteren heb ik de Kamervoorzitter uitgenodigd en hem op de
hoogte gesteld van de gang van zaken. Hij heeft mij tijdens dat gesprek
gevraagd om de Kamer snel te informeren. Dat heb ik gedaan en het is nu aan
de Kamer om beslissingen te nemen over de zaken waarover mevrouw Van der
Laan spreekt. Ik kan slechts zeggen dat het Nederlanderschap niet geacht is
te zijn verleend.”
Mevrouw Van der Laan: “Mag ik uit de woorden van de minister
concluderen dat in het onderzoek niet de vraag is betrokken of
Ayaan Hirsi Ali nu staatloos is? De minister heeft immers geen contact gehad
met de Somalische autoriteiten.”
In deze fase van het debat wordt het nog gekker als blijkt dat iemand met de
Somalische nationaliteit tot gisteren lid van ons parlement is geweest.
Luister naar de minister.
Minister Verdonk: “Ik neem aan dat Ayaan Hirsi Ali de Somalische
nationaliteit heeft. Iemand doet afstand van zijn oorspronkelijke
nationaliteit als hij de Nederlandse nationaliteit krijgt. In dit geval is
het Nederlanderschap nooit verkregen, dus ik ga uit van de status quo
waarvan indertijd sprake was. Daarnaast beschikt Ayaan over een
vluchtelingenpaspoort, dus zij kan gewoon reizen en naar de VS gaan. Ayaan
Hirsi Ali is dus niet staatloos.”
Mevrouw Van der Laan: “Ik wijs de minister op het VN-verdrag
tegen de staatloosheid. Van de minister heb ik begrepen dat het aan de
Somalische overheid is om te bepalen of Ayaan Hirsi Ali de Somalische
nationaliteit nog heeft. Misschien hebben de Somalische autoriteiten gedacht
dat Ayaan de Nederlandse nationaliteit heeft. In dat geval hebben zij de
Somalische nationaliteit wellicht ingetrokken. Zij kan dus staatloos zijn.
Dat heeft de minister echter niet betrokken bij haar onderzoek.”
Minister Verdonk: “Ik wijs erop dat Ayaan voorlopig nog steeds
de Nederlandse nationaliteit heeft. Zij is toch gewoon Nederlandse? Ayaan
Hirsi Ali heeft zes weken de tijd om te reageren.”
Wat is dat nou? Nog geen minuut geleden was Ayaan Hirsi Ali nog
Somalische, en nu …. oh, ik zie mevrouw Van der Laan de microfoon in haar
hand nemen.
Mevrouw Van der Laan: “Wij hebben zojuist meer dan een uur
gesproken over het feit dat Ayaan Hirsi Ali de Nederlandse nationaliteit
nooit heeft verkregen! Hoe kan de minister nu zeggen dat zij de Nederlandse
nationaliteit nog bezit?”
Sorry Lousewies, ze is Somalische. Dat zei Verdonk toch zelf
net?
Minister Verdonk: “Nu gaat het weer over het woordje
‘vooralsnog’. Ik heb gezegd dat dit mijn constatering is. Zij krijgt nu
zes weken de tijd om te reageren. Het is voor haar zelfs mogelijk om een
civiele procedure bij de rechter te starten. Pas dan wordt het vastgesteld.”
Mevrouw Van der Laan: “Dit staat volledig haaks op het betoog
van de minister waarin zij heeft gezegd dat Ayaan Hirsi Ali de Nederlandse
nationaliteit nooit heeft verkregen. Het is nog sterker: zij heeft gezegd
dat er geen enkele ruimte was. Als er opeens ruimte is om in beroep te gaan,
kan zij toch niet zomaar constateren dat er geen enkele ruimte was?”
Het wordt allemaal erg ingewikkeld omdat nou ook
parlementariërs niet bij de les blijven. De minister zei zo-even dat Ayaan
Hirsi Ali de Somalische nationaliteit had. Daarnaast kan ze binnen zes weken
reageren op de voorlopige constatering van de minister. Van een
besluit daarop kan ze bij de burgerrechter in beroep komen. Ik snap het wel:
de minister moet om. Grijp dan daarvoor naar het middel dat dat effect
beoogd of zeg het vertrouwen in de minister op. Dat is bij mij en de
resterende tienduizenden kijkers de meest voor de hand liggende optie na dit
allemaal aangehoord te hebben. Echter de Kamer gaat verder.
Minister Verdonk: “Voor Ayaan Hirsi Ali is er nu ruimte voor
verhaal. Dat is de gebruikelijke procedure.”
De heer Verhagen: “Ik luister met stijgende verbazing naar de
woorden van de minister. Zij stelt dat het niet mogelijk is om iets anders
te concluderen. Het is echter de vraag of dat vaststaat, want Ayaan Hirsi
Ali kan nog zes weken reageren. De minister heeft in eerste instantie gezegd
dat alles vaststaat. Zij heeft gezegd dat zij dit moet doen en dat zij tot
deze conclusie moest komen.”
Verhagen staat nog steeds bij de microfoon en is schijnbaar nog
niet klaar met haar. Hij is duidelijk verbaasd en geïrriteerd maar gedraagt
zich hoffelijk. Hij kan zich goed inhouden, maar komt nu ook al niet meer
tot de kern van de zaak. Hij grijpt terug naar wat Zalm vanmiddag op die
persconferentie gezegd heeft over Verdonks snelheid van handelen en heeft
het nog eens over welk nieuws in de Zembla documentaire aan de orde is
geweest. Alsof dat Verdonk tot inkeer kan doen brengen. Naarmate het debat
vordert is te zien dat parlementariërs zich door Verdonk op zeer bekwame
wijze het bos laten insturen. Maar Verhagen laat zich niet ontmoedigen. Wat
is het trouwens een tijdlang stil bij de VVD. Dit doet pijn doen. Ze zouden
liever niet hebben dat het werd uitgezonden allemaal. Kranten moesten morgen
verboden worden te verschijnen. Dit is toch onverdraagzaam.
De heer Verhagen: “Graag verneem ik van minister Verdonk wat
haar mening is over de opmerkingen die minister Zalm vanmiddag heeft
gemaakt. Hij heeft twee duidelijke punten naar voren gebracht. Op de eerste
plaats heeft hij gezegd dat hij twijfels heeft over de snelheid waarmee
minister Verdonk een conclusie heeft getrokken. Zijn vraagtekens plaats ik
bij die van mijzelf ten aanzien van de zorgvuldigheid.
Op de tweede plaats was hij verbaasd over het feit dat
minister Verdonk blijkbaar op grond van de uitzending van Zembla tot de
conclusie is gekomen dat Ayaan Hirsi Ali een andere naam heeft gebruikt. Dat
stond immers ook in haar boek. Minister Verdonk heeft die woorden zojuist
letterlijk geciteerd.”
Minister Verdonk: “Ik heb de Kamer geantwoord dat ik in dat
kader betrokkene per brief heb medegedeeld dat op grond van deze uitzending
en de nu bekende gegevens vooralsnog moet worden aangenomen dat zij geacht
wordt het Nederlanderschap niet te hebben verkregen, dit in lijn met
jurisprudentie van de Hoge Raad. Betrokkene heeft de mogelijkheid hier na
verzending van deze brief binnen zes weken op te reageren. Dat is naar de
Kamer gegaan. Dat is de procedure.”
De heer Verhagen: “De vraag is wat de zin daarvan is voor Hirsi
Ali. Waarom zou zij dat doen als de conclusie van de minister onomstotelijk
is? De minister zegt immers niets anders te kunnen doen.”
Minister Verdonk: “Zij moet altijd de mogelijkheid hebben om
haar verweer te geven. Dat is onderdeel van de procedure.”
De heer Verhagen: “Het gaat mij niet om de procedures. Die
hebben een bepaald doel. Die zijn in het leven geroepen vanwege de
mogelijkheid dat de minister het wel eens fout kan hebben. De minister doet
echter alsof zij het niet fout kan hebben door te stellen niets anders te
kunnen doen dan zij heeft gedaan. Dat waag ik te betwijfelen.”
Minister Verdonk: “Nee. Ik heb gedaan wat ik kon om alle
informatie te achterhalen. Die heb ik ook in de brief aan Ayaan Hirsi Ali
kenbaar gemaakt. In die brief heb ik geschreven wat ik ook aan de Kamer heb
gezegd. Vooralsnog moet hiermee rekening gehouden worden. Dat is altijd
onderdeel van de procedure. Ik neem aan dat de heer Verhagen hecht aan een
zorgvuldige procedure en dat betrokkene binnen zes weken kan reageren.”
De heer Verhagen: “Die reactie van haar binnen zes weken zou dan
tot een andere conclusie kunnen leiden dan die van de minister?”
Minister Verdonk: “Zij heeft in Zembla iets gezegd. Als zij
alsnog bewijst dat wat zij in Zembla heeft gezegd, namelijk dat zij een
valse naam heeft gebruikt, toch niet zo is, zal ik daar consequenties aan
verbinden. Daar gaat het om.”
Ik realiseer mij op dat moment niet de draagwijdte van wat de
minister hier zegt. Later in dit proces blijkt het van eminent belang. Maar
ook geen parlementariër heeft in de gaten dat hier door Verdonk een tweede
leugen verlangd wordt om de eerste leugen ongedaan te maken. Dan is er
eigenlijk niets aan de hand. De minister is zelfs bereid daaraan
consequenties te verbinden. Maar helaas, niemand doorziet de truc. Het debat
gaat door.
De heer Verhagen : “Ik kom op dit punt niet veel verder. Laten
wij doorgaan naar het volgende punt, de reactie op minister Zalm.”
De voorzitter: “Er is nog een tweede termijn.”
Minister Verdonk: “Ik heb collega Zalm zeer hoog. Hij heeft
vanmiddag een aantal zaken gezegd. Daarover verschillen wij wat van mening.
Ik heb wel degelijk een heel zorgvuldige procedure toegepast. Ik vond dat ik
het snel moest doen omdat ik de Kamer wilde inlichten.”
Nou mijnheer Verhagen, wilde u dat nou horen? Dat ik kon u
voorspellen dat dit het antwoord zou worden. En nou zie ik tot mijn
verbazing en lichte opwinding dat de heer Van Beek zich wat zuinigjes naar
de interruptiemicrofoon beweegt. Hij heeft zich kennelijk opgeladen, want
wat volgt is een minutieus debat dat over millimeters gaat. Maar toch...
De heer Van Beek: “Deelt de minister de conclusie van de
VVD-fractie dat mevrouw Hirsi Ali in de komende zes weken beschikt over de
Nederlandse nationaliteit en dat zij, als zij dat had gewild, in die weken
lid had kunnen blijven van de Kamer?”
Minister Verdonk: “Wij gaan uit van de constatering die ik heb
gedaan, namelijk dat er geen Nederlanderschap is verleend. Die constatering
ligt er. Ayaan Hirsi Ali kan daarop binnen zes weken reageren. Dan zal ik
mijn uiteindelijke conclusie bekendmaken.”
De heer Van Beek: “Dat is niet mijn vraag. Waarvan is in de
komende zes weken sprake? De minister heeft een constatering uitgesproken
met de mogelijkheid om binnen zes weken tegenargumenten te geven. Dat weegt
zo zwaar dat de minister zelfs in staat kan zijn om tot een andere
beslissing te komen, namelijk als die argumenten van doorslaggevende
betekenis zijn. De vraag is, mede naar aanleiding van wat de minister eerder
heeft gezegd, wat de positie is van Ayaan Hirsi Ali in de komende zes
weken.”
Minister Verdonk: “Zolang zij geen verweer heeft gevoerd, gaan
wij ervan uit dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft. Als door haar
verweer duidelijk wordt dat zij een valse naam heeft opgegeven, is het
Nederlanderschap niet verleend.”
Een ander moment waarop minister Verdonk laat blijken dat er
niets aan de hand is en dat de bal bij Ayaan Hirsi Ali ligt. Zij heeft het
lot in eigen hand. Het kan volgens haar linksom of rechtsom. Ayaans verweer
kan die duidelijkheid geven. Wederom geen Kamerlid die het in de gaten heeft
en dit oppakt. Ook Van Beek niet die de minister behoorlijk trotseerde daar
haar te kapittelen en te zeggen dat hij geen antwoord op zijn vraag kreeg.
Hij gaat onverstoorbaar verder, want hij moet het lijstje van zijn fractie
natuurlijk wel afwerken.
De heer Van Beek: “De VVD-fractie had graag gezien dat Ayaan
Hirsi Ali de komende zes weken had gewerkt als Kamerlid. Het was haar eigen
afweging om anders te beslissen. Had zij de komende zes weken gewoon als
Kamerlid mogen functioneren?”
Minister Verdonk: “Daar gaat ik niet over, maar de Kamer zelf.
Ik kan alleen maar zeggen wat ik heb geconstateerd!”
De heer Van Beek: “Dat is vreemd! Een van de formele vereisten
voor het lidmaatschap van deze Kamer is het Nederlanderschap. Ik probeer er
achter te komen hoe het nu precies zit in deze interim-periode. Als de
minister zegt dat Ayaan Hirsi Ali nog de Nederlandse nationaliteit heeft,
dan voldoet zij dus nog aan dat formele vereiste van de Kieswet. Maar, als u
zegt dat zij de Nederlandse nationaliteit niet meer heeft, dan treedt daar
verandering in op. Ik begrijp niet waarom u mijn stelling niet bevestigt of
ontkent, maar ik zou wel graag willen weten waarom!”
Minister Verdonk: “Ik heb de Kamer heel duidelijk meegedeeld dat
vooralsnog moet worden aangenomen dat zij geacht wordt het Nederlanderschap
niet te hebben verkregen. Vooralsnog. Het wachten is op haar lezing en als
die er is, kunnen wij de uiteindelijke conclusie trekken. De Kamer gaat over
het lidmaatschap van de Kamer en niet ik!”
De heer Van Beek: “Mag ik het nog een keer proberen!”
Zo is die Van Beek wel. De heer Van Beek gaat verder: “Die formulering ken ik, maar
wanneer gaat het besluit in? Gaat dat in nu u het kenbaar hebt gemaakt of op
het moment waarop de beroepsperiode, die zes weken, voorbij is? Wat is het
moment waarop uw constatering rechtskracht krijgt?”
Minister Verdonk: “De constatering heb ik haar nu kenbaar
gemaakt en ik heb haar in de brief ook gezegd dat zij zes weken de tijd
heeft om te reageren. Daarna komt mijn uiteindelijke constatering, want het
is geen besluit, ik kan niets intrekken, het is een constatering!”
De heer Van
Beek: “Is mevrouw Hirsi Ali op dit moment Nederlandse?”
Minister Verdonk: “Ja!”
De heer Van der Vlies: “Dan is dus uw brief aan mevrouw Hirsi
Ali, waarin u uw constatering doet, niet anders te beschouwen dan een
aankondiging van het feit dat als zij niet met weerlegging komt van de
gegevens waarop die constatering stoelt, over zes weken haar paspoort wordt
ontnomen?”
Nee Van
der Vlies, ze zou volgens minister Verdonk een kwartier geleden de
Somalische nationaliteit hebben. Ze heeft dat nog uitgelegd. De kans is
groot dat ze op Van der Vlies bevestigend zal antwoorden.
Minister Verdonk: “Ja!”
De heer Van der Vlies: “Dat is de casus?”
Minister Verdonk: “Ja!”
Daar heb je het!. Op Verdonks rechtlijnigheid kun je dus ook
niet vertrouwen. Niks geen ik doe wat ik zeg. Ik mis nu Wilders en
Nawijn die als enigen de harde lijn van Verdonk voorstaan en geen
gedoogbeleid willen, ook niet ten aanzien van Ayaan Hirsi Ali, en ook al is
dat een Kamerlid. Maar de heren zijn even plassen of de draagwijdte ontgaat
ook hen.
De heer Rouwvoet betrapt de minister er op dat ze het de ene
keer heeft over een constatering en de andere keer over een besluit. Hij wil
hierover volstrekte helderheid hebben. Uiteindelijk krijgt hij die waarbij
de minister op haar uitgangsstelling terugvalt en het muggenziften, met alle
waardering voor Rouwvoet en anderen, weer van voor af aan kan beginnen.
De heer Rouvoet: “De begrippen lopen mij nog te veel door
elkaar. Er wordt gesproken over een besluit, maar u zegt elke keer dat het
een constatering is. Tegen een constatering kun
je echter geen bezwaar
maken. De vraag voor mij blijft dan wel wat er de komende zes weken kan of
moet gebeuren om u tot het inzicht te brengen dat u een verkeerde
constatering hebt gedaan. U had twee dagen nodig om de conclusie te trekken
dat u nul komma niks ruimte had dan voor de constatering dat er geen sprake
is van verlening van het Nederlanderschap. Uit uw verhaal begrijp ik dat die
ruimte er de komende zes weken wellicht kan zijn om tot een andere conclusie
te komen, een andere constatering, want er kunnen door betrokkene kennelijk
nieuwe feiten worden ingebracht die u tot een andere constatering zouden
kunnen brengen. Vindt u het zelf dan handig en zorgvuldig om tot die snelle
conclusie te komen als u zegt dat u in theorie over zes weken wellicht een
andere constatering zou kunnen doen?”
Minister Verdonk: “Ja, dat vind ik nog steeds heel zorgvuldig.
Ik heb dat onderzoek gedaan en ben tot de constatering gekomen. Ik heb die
kenbaar gemaakt aan betrokkene en die heeft volgens de formele procedure zes
weken de tijd om daarop te reageren. Volgens mij ben ik steeds heel
zorgvuldig geweest, ook naar de Kamer toe, want het gaat om een lid van het
parlement. Dat is de reden dat ik tegen de Kamer heb gezegd dat dit
vooralsnog mijn constatering is.”
De heer Rouvoet: “Dan kom ik bij de laatste stap. In het licht
van het verhaal van de minister en overweging 12 in de conclusie van de
procureur-generaal is er in mijn ogen maar één argument dat de minister tot
de conclusie kan brengen dat zij de verkeerde constatering heeft gedaan in
haar brief van gisteren…”
Plotseling raak ik … wakker. Ik hoor het vertrouwde geluid uit
de vergaderzaal. Ik herinner me nog mijnheer Rouwvoet die met Verdonk bezig
was. Ik ben vast heel even weg geweest, want ik zie Rouwvoet daar nog staan
bij die katheder. Hij voert het woord. Ik zal maar gauw aansluiten voordat
ik wat kwijt ben.
“… De minister heeft juridisch helder neergezet hoe het zit met
de valse gegevens. Zij concludeerde dat mevrouw Hirsi Ali in 1997 niet
alleen bekend moest staan onder die naam maar dat zij ook bevoegd moest zijn
om die te dragen. Dat was het cumulatieve vereiste van de
procureur-generaal. Het staat buiten twijfel dat zij onder die naam bekend
was. Het enige wat de minister de komende zes weken nog tot de conclusie kan
brengen dat zij een verkeerde constatering heeft gedaan, is dus dat
aannemelijk wordt gemaakt dat mevrouw Hirsi Ali bevoegd was om die naam te
dragen. Anders is het einde oefening; dat is de boodschap van de minister.”
Minister Verdonk: “Het Somalisch namenrecht is heel duidelijk:
haar naam zou ‘Ayaan Hirsi Magan’ moeten zijn. Zij heeft zich
ingeschreven onder de naam ‘Ayaan Hirsi Ali’. Ik wil duidelijkheid
over wat nu haar echte naam is; dat is waar het om gaat.”
Hebben ze het daar nog over.
Mevrouw Van der Laan: “Ik vroeg de minister net of zij in haar
onderzoek ook heeft gekeken naar de staatsrechtelijke implicaties: een
Kamerlid blijkt geen Nederlandse te zijn geweest. Zij heeft de
Kamervoorzitter na afloop van het onderzoek geïnformeerd, maar dat gesprek
was volgens haar geen onderdeel van het onderzoek. Dat verbaast mij. Als
iemand nooit Nederlandse is geweest, had zij nooit Kamerlid kunnen zijn. In
dat geval hebben wij hier al die tijd, drieëneenhalf jaar, ongrondwettelijk
met 149 in plaats van 150 Kamerleden gewerkt. Waarom heeft de minister de
implicaties daarvan niet in haar onderzoek betrokken? Wellicht heeft zij dat
wel gedaan, maar dan hoor ik dat graag.”
Minister Verdonk: “Nogmaals, ik constateer slechts dat het
Nederlanderschap niet is verleend. Ik ga niet over welke conclusies de Kamer
of de Kamervoorzitter daaruit trekt.”
De heer Rouwvoet komt echt met wat nieuws en dat maakt het weer
wat levendig omdat het niet drie, vier keer en ook nog een paar keer door de
minister is herkauwd. Hij heeft nog één belangrijke slotvraag en dat betreft
het feit of minister Verdonk een collega minister of de minister-president
deelgenoot heeft gemaakt van haar besluitvorming alvorens mevrouw Ayaan
Hirsi Ali die brief te sturen. Het is ook voor Wouter Bos aanleiding op een
gegeven moment zich in het debat te moeien en daarbij de staatloosheid van
Ayaan Hirsi Ali aan de orde te stellen, omdat hierover nog steeds geen
duidelijkheid zou bestaan.
De heer Rouvoet: “De minister heeft nog één expliciete vraag van
mij niet beantwoord. Ik heb haar rechtstreeks gevraagd of zij met andere
bewindslieden en in het bijzonder met de minister-president over deze zaak
heeft gesproken. Ik vroeg haar of zij toen haar constatering er was met name
de minister-president, omdat het hier gaat om een lid van de
volksvertegenwoordiging en dus de medewetgever, en ook andere leden van het
kabinet heeft gesproken over deze constatering en de manier waarop deze naar
buiten zou worden gebracht.”
Minister Verdonk: “Ik heb de minister-president gesproken en ik
heb hem ingelicht over waar ik mee bezig was, direct en via de ambtelijke
lijn.”
De heer Rouvoet: “Mag ik daaruit de conclusie trekken dat er
overeenstemming was over de procedure? Ik vraag dat omdat twee ministers
naar buiten hebben gebracht dat zij verbaasd zijn over de snelheid waarmee
de constatering is gedaan en de procedure is gevolgd, onder wie de
minister-president als ik dat goed heb begrepen uit de media. Als de
minister-president zelf zegt dat hij zich verbaast over de snelheid waarin
het proces is verlopen, roept dat bij mij de vraag of dit zorgvuldig binnen
het kabinet en in het bijzonder met de minister-president is besproken. Dat
lijkt mij namelijk zeer aangewezen omdat het om een zwaarwegende en
ingrijpende kwestie in ons staatbestel gaat.”
Minister Verdonk: “Ik heb op een aantal momenten contact gehad
met de minister-president en dit is met hem besproken. Ook ambtelijk is deze
zaak met hem besproken en is men geïnformeerd.”
De heer Rouvoet: “En hij steunde deze lijn?”
Minister Verdonk: “Ik heb hem geïnformeerd.”
De heer Rouvoet: “Kunt u de vraag of hij deze lijn steunde niet
met ja of nee beantwoorden?”
Minister Verdonk: “Ik heb hem duidelijk gemaakt voor welke lijn
ik heb gekozen en ik heb hem daarover geïnformeerd.”
De heer Bos: “Hebt u hem geïnformeerd voordat of nadat u de
brief aan mevrouw Hirsi Ali had geschreven?
Minister Verdonk: “Ik heb hem eerst geïnformeerd voor ik de
brief heb geschreven. Ik heb hem eerst overdag geïnformeerd en daarna heb ik
op zijn voicemail ingesproken wat ik had gedaan. Ondertussen is er ook
ambtelijk contact geweest.”
Ik wil dit helemaal niet weten. Mogen we misschien weer naar de
hoofdlijn van het debat mijnheer de voorzitter?
De heer Bos: “Heeft hij op geen enkele wijze inhoudelijk bezwaar
gemaakt tegen de afweging die u had gemaakt met betrekking tot de inhoud van
de brief en de timing ervan?”
Minister Verdonk: “Hij zette een vraagteken bij de snelheid,
bleek mij achteraf. Dat was niet gebleken op ambtelijk niveau. Wij hadden
afgesproken dat er ambtelijk contact zou zijn als wij elkaar niet konden
bereiken. Dat ambtelijke contact heeft plaatsgevonden. Er is goed overleg
geweest.”
Wouter Bos wil het over de nationaliteit van Ayaan Hirsi Ali
hebben en over het ontbreken van kennis bij Verdonk over de personalia,
terwijl heel Nederland, inclusief de VVD-top, wist hoe de vork in de steel
zat.
De heer Bos: “Ik heb nog één vraag ter verduidelijking. Begreep
ik nu goed uit de discussie tussen de minister en mevrouw Van der Laan over
het risico van statenloosheid van Ayaan Hirsi Ali dat het uitgangspunt van
de minister is dat dit in essentie een afweging is die door de Somalische
overheid moet worden gemaakt en dat zij heeft gedaan wat binnen haar
verantwoordelijkheid ligt?”
Minister Verdonk: “Ja. Zij heeft natuurlijk nog de Nederlandse
nationaliteit. Er is geen duidelijke Somalische overheid. Met betrekking tot
vluchtelingen is er eigenlijk geen contact met de autoriteiten van het land
van herkomst. Daarom heeft zij ook die vluchtelingenstatus.”
De heer Bos: “Is het de minister bekend dat het staand beleid
bij de Somalische overheid is dat een Somalische burger de Somalische
nationaliteit verliest op het moment dat hij de nationaliteit van een ander
land verkrijgt?”
Minister Verdonk: “Ja, dat is precies waar het om gaat. Zij
wordt geacht het Nederlanderschap nooit te hebben verkregen. De stelling is
dan dat de Somalische nationaliteit nog steeds bestaat.”
Ik heb geturfd. Bij het begin van het debat had Ayaan Hirsi Ali
niet meer de Nederlandse nationaliteit. Die was door de verkeerde personalia
niet ingetreden. Daarna heeft Ayaan Hirsi Ali volgens Verdonk de Somalische
nationaliteit gehad. Ongeveer een kwartier geleden werd dit ontkend en was
Ayaan Hirsi Ali staatloos, hoewel Verdonk dat niet zo benoemde. Na
doorvragen van Kamerleden veranderde dat in Nederlandschap, voorlopig
althans. En nu stelt ze dat Ayaan Hirsi Ali toch de Somalische nationaliteit
moet hebben. Recht door zee dus met deze minister. Wouter Bos laat
vervolgens zien dat haar verhaal geen steek houdt, ook al omdat Verdonk geen
enkel contact heeft gehad met de Somalische autoriteiten over deze zaak.
De heer Bos: “Die Somaliërs volgen natuurlijk ook helemaal hoe
het in Nederland gaat. Het lijkt mij iets waarschijnlijker dat de Somalische
overheid in 1997 heeft kunnen constateren dat Ayaan Hirsi Ali feitelijk,
zoals iedereen, inclusief zij zelf, begreep, over de Nederlandse
nationaliteit beschikte. Het is ook zeer waarschijnlijk dat op dat moment of
snel daarna de Somalische nationaliteit is ingetrokken. Als dat het geval is
-dat zou kunnen blijken de komende weken- is dat voor de minister een
relevante overweging om wellicht niet de beslissing te effectueren die zij
nu voor over zes weken heeft aangekondigd?”
Minister Verdonk: “Ik wacht voorlopig de reactie van mevrouw
Hirsi Ali af en daarna zal ik de uiteindelijke constatering maken.”
De heer De Wit: “Voorzitter. Zoals eerder gesteld, heeft de heer
Zalm vandaag twee dingen gezegd, ten eerste over de snelheid en ten tweede
dat hij al heel lang wist, namelijk sinds het moment dat mevrouw Hirsi Ali
op de lijst werd geplaatst, wat nu nog eens naar buiten is gekomen. Dat was
allemaal al bekend. Hoe kan het dat minister Zalm, de vertegenwoordiger in
dit kabinet en, zo begrijp ik, de leider van de zelfde partij als die
waarvan de minister lid is, het wel weet en de minister niet? Hoe kan het
dat zij het niet weet, terwijl het binnen de VVD-fractie algemeen bekend
was, zo begrijp ik van de heer Zalm en andere VVD-prominenten die vandaag
aan het woord zijn geweest?”
Minister Verdonk: “Die woorden zijn voor rekening van de heer
Zalm. Ik kan nogmaals zeggen dat ik het niet wist.”
Voor wiens rekening zouden die anders zijn mevrouw Verdonk?
Onze notoire vastgoedhandelaar Van As mengt zich ook nog eens in
het debat: “Over het volgende bestaat volgens mij een groot misverstand. De
Kamer heeft net vragen gesteld over de Somalische nationaliteit. Mijn
voorlopige conclusie is dat mevrouw Ayaan Hirsi Ali, geboren in 1967, niet
bestaat. Op de officiële naam die zij bij haar geboorte heeft gekregen,
Hirsi Magan, geboren in 1969, zou zij dus in wezen nog rechten kunnen
claimen. Is dat juist, ja of nee? Wij praten over de gefingeerde naam van
een persoon die nooit in Somalië heeft gewoond. Die nationaliteit kan dus
nooit zijn afgenomen.”
Minister Verdonk, enigszins beduusd over wat er nu, uit de uit
de peilingen tot nul gereduceerde LPF-fractie, naar voren komt houdt dit
echter voor een plausibele redenering. “Ik ga dit na en kom er in de tweede
termijn op terug.”
Het is dan over tienen als de Kamervoorzitter een schorsing
aankondigt tot kwart voor elf. Dat lijkt me te overbruggen. Tegen kwart voor
elf zit ik weer voor het scherm waar ik naar een stille camera-instelling
kijk. Vervolgens komt er na enige minuten een tekst in beeld dat de
schorsing is verlengd tot half twaalf. Ja, ik ben nou al zo lang blijven
zitten, ik wil nou wel weten hoe dit afloopt. Je kunt je toch niet al die
tijd als volwassenen laten ringeloren om vervolgens te doen alsof er niets
aan de hand is. Ik wil het einde meemaken. Maar ik maak het mee dat er nog
een keer wordt verlengd. Het zijn de eerste uurtjes van woensdag de 17e mei
als de Kamervoorzitter de tweede termijn aankondigt en de kijkers
verontschuldigd voor de door enkele fracties aangevraagde verlengingen.
De tweede termijn wordt geopend door Femke Halsema die ook de
aanzet gaf voor de eerste termijn. In belangrijke mate brengt zij naar voren
wat de Tweede Kamer in overgrote meerderheid beroert. Zij zet nog éénmaal
glashelder uiteen waar het bij Verdonk aan schort en wat nu van haar kant
zonder zijsprongetjes verwacht wordt. In de schorsing heeft er allerlei
overleg plaatsgevonden. Handig dat er een Ferry Mingelen is die je daar van
op de hoogte brengt, zodat de schok niet al te groot is. Halsema is in ieder
geval uit dat overleg gebleken dat de VVD-fractie een motie zal indienen die
door haar fractie en andere fracties gesteund zal worden. Mijn
lichaamshouding is nu niet meer horizontaal, maar ik zit recht op het puntje
van mijn stoel. Kom maar, jongens. Ik ben er weer klaar voor.
Mevrouw Halsema: “…De minister heeft betoogd dat zij tot
donderdagavond eigenlijk een onbeschreven blad was en dat zij als een van de
weinigen in het land niet op de hoogte was van de werkelijke naam, Magan, en
de werkelijke geboortedatum van Ayaan Hirsi Ali. De minister lijkt hierbij
steeds de indruk te wekken dat het gaat om de minister als persoon en haar
persoonlijke kennis over de naam Magan en de geboortedatum. Het gaat mij
echter om de minister als instituut, en de kennis bij haar medewerkers op
het ministerie en bij haarzelf. Eerlijk gezegd, kan ik mij nog steeds niet
voorstellen dat die kennis niet aanwezig was.
Ik heb in eerste termijn gesproken over mails. Wellicht is het
goed om daarover op te merken dat het mij ook wat dat betreft gaat om
correspondentie tussen de minister en Ayaan Hirsi Ali. De minister heeft
zelf vermeld dat er memo's zijn geweest en dat er eerder onderzoek is gedaan
door de IND naar de omstandigheden van mevrouw Hirsi Ali. Ik verzoek de
minister die memo's openbaar te maken, want ik ben benieuwd of daarin
gegevens staan over haar naam en geboortedatum. Als dat het geval is, hadden
die bekend moeten zijn bij de minister.
Mijn fractie vraagt zich af of de minister en haar medewerkers
de naam en de geboortedatum van Ayaan Hirsi Ali al niet in een veel eerder
stadium hadden kunnen weten en daar dus naar hadden kunnen handelen. Als dat
zo is, ontvalt daarmee de rechtmatigheid aan de snelle reactie dit weekend.
Wij zijn ook ontevreden over de onzorgvuldigheid waarmee vanaf donderdag is
gehandeld. Ik wijs voorts op de onzorgvuldigheid bij het initiëren van het
onderzoek: eerst niet, daarna wel. Ik wijs verder op de communicatie met
betrokkene, met Ayaan Hirsi Ali en de onduidelijkheid die daarmee voor haar
ontstond: op vrijdag had ze niets te vrezen, maar op zaterdag werd toch een
onderzoek aangekondigd. Ik noem ook de plotselinge snelheid van het
onderzoek en de openbaarmaking van de beslissing. Het lijkt erop, zowel wat
betreft de snelheid van het onderzoek als wat betreft de beslissing om het
besluit openbaar te maken, dat de minister heeft geredeneerd dat het belang
van de Kamer boven het individuele belang van betrokkene ging. Dat verbaast
mij, want het gaat hier om de zorgvuldige behandeling van de belangen van
een individueel Kamerlid dat al jaren in ons midden verkeert. Bovendien
heeft de minister een volstrekt verkeerde keuze gemaakt, want uit het debat
blijkt dat de Kamer helemaal niet op de hoogte wilde worden gesteld van de
voorlopige beslissing, de vooralsnog-beslissing. Het ging de Kamer om
het definitieve oordeel. Dat mag toch wel uit het debat worden
gedestilleerd.
Door
voortijdig bekend te maken dat er vooralsnog geen sprake is van
Nederlanderschap, heeft Ayaan Hirsi Ali een onomkeerbare, maar
onvermijdelijke stap genomen en is de Kamer in wezen buiten spel gezet. Er
is dus een verkeerde beslissing genomen.
De minister stelt dat haar brief aan de Kamer onvermijdelijk
was. Wij blijven dat bestrijden. Wij zijn niet overtuigd van de juistheid en
de onvermijdelijkheid van de route die zij heeft gekozen. De mogelijkheid
van artikel 14 en de verwijzing in het arrest naar de bijzondere
omstandigheden die kunnen leiden tot een afwijkende beslissing, blijven
bestaan. Dan blijft over dat de beslissing van de minister van een
onredelijke hardheid is of, om met Ayaan Hirsi Ali te spreken, een
disproportionele sanctie is op het niet verstrekken van de juiste gegevens
over de namen.
Mijn fractie vindt dan ook dat het leed hersteld dient te
worden. De beslissing dient heroverwogen te worden in het licht van alle
bijzondere omstandigheden waarin mevrouw Hirsi Ali verkeert. Vanzelfsprekend
was het mijn bedoeling om hierover een motie in te dienen, maar ik laat het
initiatief liever aan de VVD-fractie, de fractie waaruit Ayaan Hirsi Ali
afkomstig is. Bovendien heeft de VVD-fractie een motie gemaakt met ongeveer
dezelfde strekking als de motie die ik zelf in gedachten had. Ik ondersteun
die motie dan ook van harte.
Streng vreemdelingen- en naturalisatiebeleid bestaat bij de
gratie van het vermogen tot empathie en het kennen en behouden van de
menselijke maat. Dit is het ultieme voorbeeld van een situatie waarin dat
zoek lijkt te zijn geraakt. Regels zijn regels, dat wordt steeds herhaald,
ook als die regels alle rechtvaardigheid ontberen. Regels dienen echter de
mensen; mensen moeten niet de regels dienen. De minister kan het nu zelf
merken dat haar eigen beleid en haar formele eendimensionale opstelling als
een boemerang terugkeren. Het wordt de hoogste tijd voor bezinning op deze
zaak en de hardheid. De minister zou, wat mij betreft, moeten heroverwegen.
Ik doe nogmaals een appèl op haar. Voor het geval zij niet is overtuigd van
mijn inhoudelijke motieven, geef ik tot slot een politieke reden. Ik heb
vandaag nog geen minister, geen collega zijn volledige steun horen
uitspreken voor de beslissing die minister Verdonk heeft genomen. Ik kan dan
ook alleen maar constateren dat de minister een groot politiek probleem
heeft.”
Op voortreffelijke wijze heeft Halsema Verdonk geïsoleerd van de
rest van de ministers, maar, en dat is nog veel belangrijker, vooruitlopend
op het indienen van de motie spreekt ze de verwachting uit dat de VVD en
haar minister in de toekomst eenzelfde coulantie bij asielaanvragers zullen
betrachten als vandaag bij deze ene zaak gebleken is. Van Beek kan mij niet
gauw genoeg naar het sprekersgestoelte komen. Hij lijkt veel langzamer te
lopen.
De heer Van Beek: “…In het debat is het vooral gegaan om de
vraag naar de juridische interpretatie van aan de ene kant de wet en aan de
andere kant eerdere uitspraken van de Hoge Raad. De minister vond daarin
geen extra ruimte. De diverse fracties hebben in het debat wel gezocht naar
mogelijkheden om een plaats te geven aan deze specifieke situatie. Op
zichzelf bestaat er geen politiek verschil van mening, maar een juridisch
verschil van mening over de vraag of er nog ruimte is of niet. Ik hoop
echt dat de zes weken die nu beschikbaar zijn, op het ministerie benut
kunnen worden om dit mee te nemen uit het debat en om dit nog eens met deze
hele denktank te bezien."
Van Beek doet een ultieme poging om Verdonk weer in beweging te
krijgen. Ik kan me niet voorstellen dat een werknemer bij een bedrijf of
grote organisatie die het zo verknald heeft, als waarvan hier volgens 149
mensen en enige tienduizenden kijkers sprake is, op zoveel mededogen kan
rekenen als Verdonk gegeven wordt. Natuurlijk, Van Beek moet het een beetje
verpakken omdat het zijn eigen minister is. Maar het stellen van grenzen
lijkt niet iets waarvan Van Beek ooit gehoord heeft. Voor een bescheiden
backbencher, waarvan niemand voor het aftreden van Jozias van Aartsen
gehoord heeft, is dit natuurlijk wel een hele krachtproef.
De heer Van Beek: “De minister heeft gezegd dat het onderzoek is
afgerond. Ik heb begrepen hoe zij dit bedoelt, maar ik heb in mijn eigen
aantekeningen "maar toch?" staan. Ik vraag de minister de komende zes weken
alle informatie die zij kan krijgen en kan vinden, of die mede naar
aanleiding van opmerkingen die hier gemaakt zijn wellicht toch nog
opgevraagd moet worden, te gebruiken om de eindafweging te maken. Laat zij,
met andere woorden, ook zelf blijven doorzoeken.
De procedure die wij vanavond besproken hebben, geeft ruimte om
binnen zes weken, als Ayaan Hirsi Ali haar overwegingen gegeven heeft,
opnieuw tot een afweging te komen; wordt het standpunt gehandhaafd of zijn
er dan nieuwe feiten, omstandigheden of interpretaties? Ik nodig de
bewindslieden uit om gebruik te maken van deze mogelijkheid. Als na afloop
blijkt dat het allemaal niet anders kan en als de huidige lijn uiteindelijk
overeind blijft, dan is er de wens om te komen tot een nieuw
naturalisatieverzoek en de spoedige behandeling daarvan, opdat opnieuw tot
besluitvorming kan worden overgegaan. Die wens leeft bij mij en ik heb
gevoeld dat die wens ook vrij breed leeft in de Kamer.
Dan kruipt die Van As weer uit zijn dug-out: “Mag ik uit de
woorden van de heer Van Beek afleiden dat hij zaken als de extra souplesse,
ruimte en dergelijke die hij nu aan de minister vraagt, op grond van het
gelijkheidsbeginsel ook van toepassing wil laten verklaren op ieder ander
die vanwege het geven van onjuiste informatie het land moet verlaten? Je kan
er mijns inziens namelijk niet omheen dat op basis van genoemd
gelijkheidsbeginsel de hekken dan open komen te staan voor heel veel andere
gevallen. Ik ben erg benieuwd hoe de minister daarop reageert.”
De heer Van Beek: “Ik heb vandaag heel nadrukkelijk gezegd dat
ik geen aparte procedure voor Ayaan wil en dat hierbij het principe geldt
van gelijke monniken, gelijke kappen. Ik vraag alleen hoe de bijzondere
omstandigheden waarvan sprake is, een plaats hebben gekregen in dit proces.
Anders gezegd: kan het of kan het niet? Op basis van welke procedure kan
het? Kan het op basis van artikel 14 of op basis van overweging 3.3 van de
Hoge Raad? Ik zoek naar oplossingen en ik vraag de minister om mee te zoeken
in de komende weken, daar waar een definitieve eindbeslissing noodzakelijk
is."
De heer Van As: “Als u dat zo vraagt aan de minister, betekent
het dus dat dit op basis van het gelijkheidsbeginsel ook in alle andere
gevallen van toepassing moet worden verklaard.”
De heer Van Beek: “Ja, natuurlijk. Ik vraag niets speciaals.”
Maar dat is natuurlijk helemaal niet waar Van As, Nawijn en
Wilders om verlegen zitten. Die kant moet het niet opgaan volgens hen. Maar
ze kunnen niet voorkomen dat er een motie wordt ingediend waar de namen van
Van Beek (VVD), Verhagen (CDA), Van der Laan (D66), Bos (PvdA) en Halsema (GroenLinks)
onder staan
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat thans een
onderzoek loopt naar de achtergronden van mevrouw Hirsi Ali met betrekking
tot het vraagstuk rond de verkrijging van haar Nederlandse nationaliteit;
voorts overwegende dat
vooruitlopend op de resultaten van het onderzoek de minster van V&I al de
conclusie heeft getrokken dat vooralsnog moet worden aangenomen dat zij
geacht wordt het Nederlanderschap niet te hebben verkregen, dit in lijn met
de jurisprudentie van de Hoge Raad;
wijst de minister op de ruimte
voor een afwijkend rechtsgevolg in geval van een bijzondere omstandigheden,
welke de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.3 van bedoelde beschikking
uitdrukkelijk beschrijft;
wijst de minister tevens op de
ruimte die artikel 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap biedt, waarbij
de minister een afweging moet maken tussen betrokken belangen en
omstandigheden;
verzoekt de regering, te komen
tot een heroverweging van het vooralsnog ingenomen standpunt;
verzoekt de regering voorts,
bij die heroverweging alle bijzondere omstandigheden te betrekken rond de
achtergrond van mevrouw Hirsi Ali en de in de overwegingen bedoelde ruimte
die de jurisprudentie en de wet bieden ook nadrukkelijk te gebruiken;
verzoekt de regering ten
slotte, in geval deze heroverweging niet tot een andere conclusie kan leiden
dan dat de Nederlandse nationaliteit nooit door mevrouw Hirsi Ali is
verworven, met de grootste spoed een naturalisatieverzoek te behandelen,
en gaat over tot de orde van
de dag.
Nou, de motie ligt op tafel. De kogel is door de kerk. Het werd
ook tijd.
Wat in de overwegingen van de motie opvalt is dat de indieners
ervan van mening zijn dat thans nog een onderzoek naar de achtergronden van
Ayaan Hirsi Ali loopt. Volgens mij loopt er helemaal geen onderzoek meer.
Een en andermaal heeft de minister gezegd dat Ayaan Hirsi Ali nu aan zet is.
Zij heeft zes weken de tijd om op de brief van de minister te reageren. In de
motie wijze de indieners de minister op de ruimte voor een afwijkend
rechtsgevolg bij een bijzondere omstandigheid. Daarnaast wijze zij de
minister op nog extra ruimte die de Rijkswet op het Nederlanderschap biedt
om tot een andere afweging te komen.
Vervolgens valt in de motie op dat de indieners zich in het
eerste gedeelte zich tot de minister wenden en dat men voor wat men gedaan
wil hebben, men zich tot de regering wend. Dat is niet erg gebruikelijk.
Kennelijk hebben de indieners hiermee op het oog dat deze minister in het
vervolg van dit dossier de regering erbij betrekt. Een pijnlijk moment voor
een minister om zo onder curatele te komen. Maar misschien hebben de
indieners dat helemaal niet zo bedoeld, maar het staat er wel.
Kortom de regering moet een tot nieuw standpunt komen, moet
daarbij alle bijzondere omstandigheden betrekken die op mevrouw Ayaan Hirsi
Ali van toepassing kunnen zijn en als dat alles niet leidt tot een andere
mening dan moet met de grootste spoed een naturalisatieverzoek in
behandeling worden genomen.
Uitkomst van deze motie kan dus geen andere zijn dan dat mevrouw
Ayaan Hirsi Ali de Nederlandse nationaliteit zal behouden, c.q. alsnog zal
verkrijgen. Is dat laatste het geval dan merk ik op dat mevrouw Ayaan Hirsi
Ali inderdaad al die jaren ten onrechte lid van het parlement is geweest en
de VVD mag zich dat wel aantrekken. Uiteindelijk is het de politieke partij
die kandidatenlijsten indient en niet iemand die op die lijst geraakt.
Dat is vooralsnog wat ik over de motie kwijt wil. De heer
Rouwvoet dient zich aan als volgende spreker. Hij heeft de motie niet mede
ondertekend en zal wellicht aan de indieners ervan iets te vragen hebben,
zodat hij zich wellicht bij de stemming straks achter de indieners kan
scharen.
De heer Rouvoet: “Voorzitter. Ik wil graag helderheid krijgen
over wat in deze motie van de minister wordt gevraagd, ook al omdat de heer
Van Beek in de toelichting voor de motie een paar keer formuleringen
gebruikte zoals nieuwe besluitvorming en een definitieve beslissing. Het
betoog van de minister in de hele eerste termijn was erop gebaseerd dat er
geen ruimte is voor een afweging of voor het wegen van belangen en
omstandigheden en dat zij ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad en de
wetgeving slechts de nietigheid heeft te constateren. De heer Van Beek
vraagt om een heroverweging. Vraagt hij nu van de minister om datgene te
doen waarvan zij de hele termijn heeft gezegd dat zij dat niet kan en mag
doen volgens de wet en de jurisprudentie? Of vraagt hij van de minister,
want dat zat ook een beetje in zijn toelichting, dat zij de reactie van
mevrouw Hirsi Ali de komende zes weken afwacht en dan zal bezien of dat
leidt tot een nieuwe constatering? De motie geeft daar geen duidelijkheid
over, omdat daarin wordt gevraagd om een heroverweging en dat ziet op een
besluit waarvan de minister nu juist zegt dat zij daar geen ruimte voor
heeft.”
Nou breekt er een gedeelte van het debat aan dat slechts gevolgd
kan worden door mensen die nog helder en wakker zijn en met sterke bakken
koffie zich het eindspel niet willen laten ontnemen. Nog even op de tanden
bijten, want de heer Rouwvoet haalt het fileermes erbij.
De heer Rouvoet: “Voorzitter. Ik wil graag helderheid krijgen
over wat in deze motie van de minister wordt gevraagd, ook al omdat de heer
Van Beek in de toelichting voor de motie een paar keer formuleringen
gebruikte zoals nieuwe besluitvorming en een definitieve beslissing. Het
betoog van de minister in de hele eerste termijn was erop gebaseerd dat er
geen ruimte is voor een afweging of voor het wegen van belangen en
omstandigheden en dat zij ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad en de
wetgeving slechts de nietigheid heeft te constateren. De heer Van Beek
vraagt om een heroverweging. Vraagt hij nu van de minister om datgene te
doen waarvan zij de hele termijn heeft gezegd dat zij dat niet kan en mag
doen volgens de wet en de jurisprudentie? Of vraagt hij van de minister,
want dat zat ook een beetje in zijn toelichting, dat zij de reactie van
mevrouw Hirsi Ali de komende zes weken afwacht en dan zal bezien of dat
leidt tot een nieuwe constatering? De motie geeft daar geen duidelijkheid
over, omdat daarin wordt gevraagd om een heroverweging en dat ziet op een
besluit waarvan de minister nu juist zegt dat zij daar geen ruimte voor
heeft.”
De heer Van Beek:
“Het goede van deze procedure is dat hij in ieder geval ziet op een
definitieve constatering, maar er is nog een moment van heroverweging.”
Wat is dat nou voor onzin mijnheer Van Beek: een procedure die
op een definitieve constatering ziet en om dat ook nog met ‘goed’ te
kwalificeren. ‘Maar er is nog een moment van heroverweging’, zo voegt
hij er verduidelijkend aan toe. Als je vanuit je hart spreekt of wanneer je
een debat vanuit je hoofd doet, komen dit soort teksten niet in de
Handelingen terecht. Maar als je het van het papier moet hebben, dan weten
de griffiers ook niet wat Van Beek hier bedoelt.
De heer Van Beek gaat verder: “Ik heb gezegd dat het goed zou
zijn om tot een volledige, definitieve afweging te komen, na alle signalen
die uit de Kamer zijn gekomen, alle twijfel die er is, alle juridische
discussies die wij met elkaar hebben gehad. Er is ook de mogelijkheid van
informatie die van buiten komt, plus de informatie die eventueel door
mevrouw Ayaan wordt aangereikt. Deze procesgang voorziet daarin.”
Rouwvoet laat via de VVD-fractieleider de minister weten dat zij
alleen staat en in ieder geval ook niet de steun van de VVD geniet over haar
opvattingen dat ze niets te heroverwegen had maar slechts kon constateren.
Rouwvoet legt haarscherp het verschil bloot. Dat brengt Van Beek weer in een
moeilijke positie, die zich daarop gedwongen voelt iets terug te krabbelen.
Met horten en stoten en een boel gezucht.
De heer Rouvoet: “Ik stel deze vragen, omdat ik gelet op de
brede ondertekening wil overwegen of mijn fractie deze motie uiteindelijk
kan steunen. Ik heb bewust niet meeondertekend, omdat ik deze vragen over de
betekenis van de motie wilde kunnen stellen. U gebruikt bewust opnieuw het
woord ‘heroverweging’. Dat impliceert dat u het fundamenteel oneens
bent met de minister dat er geen ruimte is voor welke weging dan ook. Dat
was het hele betoog van de minister: ik heb niets te overwegen, ik heb
slechts te constateren. U en de andere ondertekenaars zijn, anders dan de
minister, van mening dat er ruimte is voor overweging en dat de minister dat
alsnog moet doen.”
De heer Van Beek: “Ja. De minister heeft overigens iets meer
ruimte gegeven dan u nu suggereert. Zij heeft zelf gezegd dat er voor haar
ook een moment is om een heroverweging te doen als er belangrijke informatie
door mevrouw Hirsi Ali wordt aangereikt. Ik doe nog een beroep op haar naar
aanleiding van de juridische discussie. Ik heb dit ook in de fractie gezien.
Wij hebben allemaal ontzettend getwijfeld of er echt geen andere
mogelijkheden zijn op basis van de uitspraken van de Hoge Raad en van
artikel 14. De minister heeft daarover een heel heldere opvatting gegeven,
maar zij heeft nog zes weken de tijd om, rekening houdend met datgene wat in
de Kamer is gezegd, daar nog eens heel goed op te studeren. Ik gebruikte het
woord "denk tank", en toen begon iedereen te lachten, maar ik bedoelde dat
heel serieus.”
De heer Rouvoet: “De minister heeft gezegd dat zij een
constatering heeft gedaan en dat de procedure is dat de bal nu bij de
betrokkene ligt. Zij heeft zes weken om te reageren en dan zal de
definitieve constatering moeten volgen, om die formulering aan te houden.
Vraagt u de minister om die zes weken onafhankelijk van de reactie van
mevrouw Hirsi Ali te benutten om zelfstandig tot heroverweging te komen? Of
vraagt u om te wachten op die reactie en dan een definitieve beslissing te
nemen? Dan vraagt u niet veel meer dan wat de minister heeft gezegd. Het is
voor mij wel van belang om dat te weten.”
Nu wil Van Beek toch dat ook de minister binnen de
zeswekentermijn in beweging komt. Hij zegt het wat plechtig en theatraal,
maar het komt wel op hetzelfde neer.
De heer Van Beek: “Ik vraag de minister om aan het eind van het
proces uiteindelijk te doen wat de wet voorschrijft, namelijk een
definitieve constatering doen en alle argumenten nog eens in heroverweging
nemen. Ik vraag ook heel nadrukkelijk om niet alleen zes weken te wachten op
informatie van mevrouw Hirsi Ali, maar daar ook zelf alles aan toe te voegen
wat van invloed kan zijn op definitieve besluitvorming. Ik heb gezegd: zorg
dat er opnieuw wordt gestudeerd en dat alle informatie naar aanleiding van
de vragen die in de Kamer zijn gesteld, er is, opdat er een definitief
besluit kan worden genomen.”
Dan komt het onvermijdelijke: deze motie keurt het beleid van de
minister af. Dat is de uitleg die de SP-er de heer De Wit er aan geeft. Hij
laat daarover weinig plezier blijken, en doet dat juist met de nodige
terughoudendheid om het prille brede front dat deze motie steunt niet te
splijten. Wat een gedoe allemaal om die minister, die in de afgelopen jaren
de ene blunder na de andere begaat en het hele land van haar uitgebreide
gestuntel in deze zaak laat meegenieten, op die pluche te laten zitten. Want
het wordt mij onderhand wel duidelijk dat met veel zorg geprobeerd wordt de
minister een bepaalde kant op te sturen zonder uit te spreken dat ze weg
moet. Want dat is de consequentie van een motie van afkeuring. Maar in feite
is de voorliggende motie een van afkeuring.
De heer De Wit: “Ik heb ook nog een algemene vraag over de
motie: moet ik die motie, zoals u haar hebt geformuleerd, in feite zien als
een afkeuring van de handelwijze van de minister in deze zaak tot nu toe?”
De heer Van Beek: “Ik was nou juist zo gelukkig dat het debat
zich echt richtte op de inhoud. Als ik iets had willen afkeuren, had dat
heel nadrukkelijk in een van de alinea's moeten staan. Dat staat er niet. Ik
zoek oplossingen. Ik ben heel nadrukkelijk bezig geweest met het zoeken van
wegen om binnen de ingezette procedure of, als dat niet meer kan, met een
nieuwe procedure tot oplossingen te komen. Dat moet volgens mij uit mijn
hele betoog duidelijk geworden zijn.”
De man blijft onnatuurlijk hoffelijk. Ook een eigenschap waaraan
ik me zo langzamerhand begin te ergeren. Wat moet er niet als minister door
je heen gaan als je zo’n backbencher van je eigen partij zo door het stof
ziet gaan om jou in bescherming te nemen.
De heer De Wit: “Het gaat mij er niet om dat u dat exact
geformuleerd zou moeten hebben. Ik vroeg u of het niet zo is dat u door deze
motie, waarin u de minister eigenlijk vraagt om alles over te doen -het
verzoek komt immers neer op een nog beter onderzoek- haar handelwijze tot nu
toe in deze zaak feitelijk afkeurt.”
De heer Van Beek, nog altijd niet het jasje uitgetrokken: “Nee,
dat is niet zo. Dat is althans niet de intentie van de indiener.”
Maar De Wit heeft wel gelijk, ook al is dat erg pijnlijk voor
Van Beek. Had hij maar niet in de politiek moeten gaan. Ook in de tweede
termijn blijft het CDA zijn twijfels overeind houden over het antwoord van
de minister. Verhagen mist bij de minister de onderbouwing voor haar
opvatting dat ze zorgvuldig heeft gehandeld. Dat zuigende, dat in zijn
beschouwing doorklinkt, kan alleen van iemand afkomstig zijn, die
geïrriteerd is en schoon genoeg heeft van dit tafereel, waarbij de minister
149 volwassen mensen als gijzelaars van de spel-en-woorddemocratie in haar
greep houdt.
De heer Verhagen:
“Voorzitter. (..) Luisterend naar de minister, moet ik het immers doen met
haar stelling dat zij zorgvuldig gehandeld heeft. De onderbouwing van die
stelling ontbreekt, althans in haar betoog. Zorgvuldigheid is van belang,
mede gelet op de snelheid waarmee het onderzoek tot nu toe heeft
plaatsgevonden. Vrijdag was er nog niets aan de hand, terwijl de minister
maandag aangaf niets anders te kunnen doen dan te constateren dat het
Nederlanderschap nooit verleend is. Zorgvuldigheid is van belang, mede gelet
op de ruimte in de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake de bijzondere
omstandigheden. Wij vinden dat die ruimte er wel is.
Zorgvuldigheid is ook van belang, mede gelet op de keuze van de
minister om een brief aan de Kamer te sturen waarmee zij de indruk heeft
gewekt dat de zaak al beslist was. Zojuist heeft de minister in het debat
opgemerkt dat Ayaan Hirsi Ali nog steeds Nederlandse is. Dat is in ieder
geval de komende zes weken, waarin zij bezwaar kan maken, het geval. De
vraag is dus waarom de minister reeds maandag jongstleden publiek heeft
gemaakt dat de Nederlandse nationaliteit nooit aan Ayaan Hirsi Ali is
verleend. Ook op dat punt was het betoog van de minister naar ons oordeel
niet overtuigend.
Mijn fractie wil evenals mevrouw Halsema inzage in de memo's van
de IND van 2002 om te kunnen beoordelen of de minister op dat moment op de
hoogte had kunnen zijn. Het is immers van belang om te weten op grond van
welke feiten de IND destijds heeft geconstateerd dat er geen aanleiding was
om verdere stappen te zetten. Als die feiten niet zijn veranderd, plaatst
dat deze zaak in een heel ander daglicht. Dat is ook het geval als de
minister eerder dan donderdag jongstleden van die feiten op de hoogte was.
Wij twijfelen eraan of de minister ruimte had om op grond van
bijzondere omstandigheden een eigen afweging te maken. Gelet op de vereiste
zorgvuldigheid menen wij dat het vooralsnog ingenomen standpunt moet worden
herzien. De minister kon ons op dit punt niet overtuigen en daarom hebben
wij de motie van de heer Van Beek mede ondertekend.”
D66-fractieleidster mevrouw Van de Laan komt vervolgens met een
eigeninterpretatie van de door har ondertekende motie en geeft in haar
tweede termijn een eindoordeel over deze minister.
Mevrouw Van der Laan: “Voorzitter. De minister heeft in eerste
termijn geprobeerd om de Kamer ervan te overtuigen dat er inzake het
Nederlanderschap van Ayaan Hirsi Ali sprake is van nietigheid en dat er voor
haar geen afwegingsruimte is om tot een ander oordeel te komen. De
D66-fractie deelt die opvattingen van de minister vooralsnog niet. Bovendien
heeft zij blijk gegeven van een onzorgvuldige aanpak. Tijdens het debat
bleek dat Ayaan de Nederlandse nationaliteit wellicht wel heeft. Indien dat
juist is, was het voor haar niet nodig geweest om het Kamerlidmaatschap op
te zeggen. Met de beantwoording van de vragen van de heer Nawijn kan in
ieder geval de indruk worden gewekt dat het tegenovergestelde het geval is.
De minister heeft onderzoek laten doen naar aanleiding van de
uitzending van Zembla. In het debat kwam vast te staan dat zij niet heeft
onderzocht of Ayaan Hirsi Ali als gevolg van het verlies van het
Nederlanderschap staatloos is geworden. Evenmin heeft zij onderzocht wat de
staatsrechtelijke implicaties kunnen zijn van het verlies van het
Nederlanderschap voor een lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Ook kwam vast te staan dat de minister in dit uitzonderlijke
geval heeft nagelaten om overleg te voeren met de ministerraad. Zij heeft de
minister-president uitsluitend over haar handelwijze geïnformeerd.
De minister kon mijn fractie er niet van overtuigen dat zij in
dergelijke gevallen geen afwegingsvrijheid heeft. De D66-fractie is op grond
van de nu bekende feiten van mening dat zij die afwegingsvrijheid wel
degelijk heeft, of dat zij die dient te krijgen. Vanzelfsprekend geldt dat
niet alleen in het geval van Ayaan, maar in alle vergelijkbare gevallen. Wij
zijn van mening dat bij elk verlies van Nederlanderschap afdoende
rechtsbescherming noodzakelijk is en dat de minister altijd een expliciete
afweging moet kunnen maken.”
Je zult dit alles als minister urenlang in een ononderbroken
stroom van kritiek en verwijten te horen krijgen. De vraagt rijst dan, heeft
deze vrouw geen enkel zelfrespect? Wat is haar drijfveer om nog langer te
blijven zitten? Ik zeg het hier hardop, zonder enige gêne: dit werkt volgens
haar positief in haar beeldvorming bij haar strijd om het lijsttrekkerschap.
Mevrouw van der
Laan: “De heer Van Beek heeft zojuist een motie ingediend die wij mede
hebben ondertekend. Onze interpretatie van die motie is drieledig. Wij gaan ervan
uit dat van nietigheid zonder afwegingsvrijheid geen sprake is in het geval
van Ayaan Hirsi Ali. Onze interpretatie is tevens dat het in alle
gelijksoortige gevallen niet anders is. Wij roepen de minister op om binnen
de kortst mogelijke termijn zeker te stellen dat Ayaan Hirsi Ali Nederlander
is. Wil de minister bevestigen dat onze interpretatie van de motie ook de
hare is?”
De heer Wilders: “Voorzitter. (…) De antwoorden van minister
Verdonk kwamen ook op mij in hoge mate verwarrend over en niet altijd even
overtuigend. Zij was soms chaotisch, verstrikt rakend in haar eigen
onbegrip. De minister schrijft aan mevrouw Hirsi Ali dat zij geacht wordt
nooit het Nederlanderschap te hebben ontvangen. Wij hebben die brief ook
mogen ontvangen. Na ongeveer zes uur debat blijkt de minister van mening,
ook tot verbazing van de heer Van Beek, dat mevrouw Hirsi Ali de Nederlandse
nationaliteit nog op zijn minst voor zes weken heeft. Als dat zo is, had dat
gewoon keurig in de brief moeten staan of aan het begin van het debat moeten
worden vermeld.
(…) Er is een motie ingediend door collega Van Beek die door
veel collega's mede is ondertekend. Ik weet nog niet wat ik daarmee moet
doen. Als het gaat om de vraag naar meer zorgvuldigheid in de besluitvorming
komt de motie mij gezien mijn betoog sympathiek voor. Het is niet zorgvuldig
gegaan. Het moet zorgvuldiger. Als dat de bedoeling is van de motie, dan
heeft die mijn steun. Ik wil echter niet dat in het algemeen de regels te
ver worden opgerekt. Ik wil ook niet dat het goede doel van de
zorgvuldigheid uiteindelijk leidt tot de conclusie dat er in het algemeen
voor iedereen een bonus komt bij het geven van verkeerde informatie. Ik
verkeer dus in een dilemma bij de motie. Ik wacht het antwoord van het
kabinet af alvorens mijn stemgedrag over te bepalen.
Ik zeg de heer Verhagen na dat het enige goede nieuws vandaag
van de heer Donner komt. Ik had niet verwacht dat ooit nog eens te zeggen!
De beveiliging van mevrouw Hirsi Ali blijft ongewijzigd. Dat is ontzettend
belangrijk. Ik dank hem daarvoor oprecht.”
Het kan haast niet anders, nu de ondertekenaars Halsema, Van
Beek en Van der Laan hun opvattingen uitgebreid nog eens hebben uiteen
gezet, dat PvdA-woordvoerder Wouter Bos een indringende politieke analyse
ons niet zal onthouden. Hij heeft er alle reden toe en spaarde ook niet de
rol van de minister-president die verzuimd heeft leiding te geven aan zijn
kabinet op een dergelijk moeilijk moment.
De heer Bos: “Mijnheer de voorzitter. Een eerste conclusie moet
zijn dat het beeld dat oprijst na dit deel van het debat verdacht veel lijkt
op een puinhoop, een puinhoop in het kabinet, een puinhoop als je kijkt naar
de manier waarop de brief van de minister aan Ayaan Hirsi Ali tot stand is
gekomen."
Bos doelde op de stille aanwezigheid van justitieminister Donner,
die in zijn beantwoording op een aantal vragen over de beveiliging van
mevrouw Ayaan Hirsi Ali, opmerkte dat hij via de media vernam dat collega
Verdonk aan Ayaan Hirsi Ali deze brief had geschreven.
Bos vervolgd: ”Wij hebben net gehoord dat de minister die nota
bene verantwoordelijk is voor het waarborgen van de beveiliging van de
persoon waarom het hier gaat uit de media moest vernemen dat dit besluit
werd genomen. Wij hebben gehoord dat de minister-president ervan wist dat
deze brief in de maak was, geen onraad rook, geen alarmbel heeft horen
luiden, geen regie heeft gevoerd en kennelijk geen notie had van wat dit zou
kunnen betekenen voor de internationale reputatie van Nederland, maar wel
achteraf de opmerking maakte dat hij een beetje verrast was dat de brief nu
al naar buiten kwam. Ten slotte hebben wij vanmiddag gezien hoe de minister
van Financiën vaderlijk naast Ayaan Hirsi Ali gaat staan, zogenaamd niet als
minister, maar dat hij wel als minister en als leider van het VVD-smaldeel
in dit kabinet geen poot heeft uitgestoken om de er de afgelopen dagen voor
te zorgen dat deze zaak zorgvuldiger werd afgerond dan zij uiteindelijk is
afgerond. De puinhoop rondom de concrete besluitvorming hier en de rol die
de minister daarin gespeeld heeft, is ook duidelijk. Een aantal collega's
heeft daar al opmerkingen over gemaakt. De vraag rondom het wel of niet
zorgvuldig afwegen van de consequenties van dit besluit, of dat wel of niet
zou betekenen dat Ayaan Hirsi Ali op enig moment staatloos zou kunnen zijn
en de precieze kennisname van de positie van de Somalische overheid daarbij.
Mevrouw Van der Laan heeft daar uitgebreid op gewezen. Of de versie die de
minister hier vanavond gaf van het gesprek dat zij met Ayaan Hirsi Ali heeft
gevoerd naar aanleiding van de discussie over Taïda Pacic en het feit dat
vanavond al op de televisie door Leon de Winter, een getuige bij dat
telefoongesprek, verteld is dat de versie die Ayaan daarover de afgelopen
dagen in de kranten heeft gegeven de juiste is en de versie die de minister
daar vanavond van gaf een onjuiste zou zijn. Ten slotte de vraag waarom nu
dit onderzoek en deze brief en waarom niet al eerder op genoemde momenten.
Het zijn allemaal vragen die zijn blijven hangen, ook na dit deel van het
debat, vragen die het beeld van de puinhoop en de onzorgvuldigheid
bevestigen.
Dan de echte grote
en kardinale vraag voor ons, namelijk of het anders had gekund, of het zo
had gemoeten, of er een alternatief was. Gedurende het hele debat leken er
toch steeds ten minste drie mogelijkheden te zijn om het inderdaad anders te
doen. Er leek en er lijkt wat ons betreft in ieder geval probeerbare ruimte
te zitten in het arrest van de Hoge Raad daar waar het gaat om de term
"bijzondere omstandigheden". De heer Verhagen heeft daarop gewezen. Er leek
en lijkt, net zoals dat in andere gevallen aan de orde is geweest, de
mogelijkheid te zijn geweest voor de minister om zelfstandig een andere, een
nieuwe lijn uit te zetten dan de lijn die tot nu toe is gevolgd, inclusief
het uitlokken van jurisprudentie daarover. En er lijkt nog steeds op zijn
minst twijfel mogelijk over de vraag of, ondanks het feit dat er sprake was
van vervalste gegevens, het niettemin toch niet volstrekt duidelijk was wat
de identiteit van de betrokkene was bij dit naturalisatiebesluit en er in
die zin gewoon sprake was van een besluit met rechtsgevolgen. Alles wat de
minister daarover gezegd heeft, dat zij niet anders kon en er geen
alternatieven waren, heeft bij ons niet al die twijfels weggenomen.”
Bos spreekt vervolgens de minister aan op haar professionaliteit
en op haar gevoel voor (menselijke) verhoudingen, waarvan geacht mag worden
dat ze daarover beschikt. Met dat gevoel had ze naderend onheil kunnen
voorkomen. Van vrouwen wordt terecht gezegd dat ze qua intuïtie op mannen
voor liggen. Bij Verdonk heb ik daarvan niets gemerkt.
De heer Bos: “Wat misschien minstens zo pregnant is, is dat wij
in het hele debat vanavond bij de minister op geen enkel moment hebben
gemerkt dat zij zich zelf ooit heeft afgevraagd of dit wel wenselijk was of
dat zij in een positie was dat zij er misschien iets aan kon doen om ervoor
te zorgen dat het niet zo af zou lopen, maar op een andere manier. Misschien
is het belangrijkste nog wel -ik denk dat de heer Verhagen daar ook op
doelde- dat als je weet dat dit soort vragen leven, dat dit mogelijkerwijs
dit soort consequenties zou kunnen hebben, dat dit soort alternatieven in
het debat aan de orde komen en er zo ongelooflijk veel vragen een rol bij
spelen (…), om daar met iedereen die daar mogelijk wat zinnigs over te
zeggen heeft uitputtend over te overleggen binnen de termijn van twee dagen
die de minister daar uiteindelijk voor nam. Dat is uiteindelijk misschien wel de grootste onzorgvuldigheid
geweest."
De heer Bos heeft
de motie ondertekend om de door hem bij de minister geconstateerde
onzorgvuldigheid tot uitdrukking te brengen. Daarmee keur je het beleid toch
niet goed!? Dat doe je toch niet met een motie, beleid goedkeuren. Precies!
De heer
Bos: “Om het oordeel over die onzorgvuldigheid tot uitdrukking te brengen,
heeft ook mijn fractie de motie van collega Van Beek ondertekend. Daarin
brengt een grote Kamermeerderheid haar mening tot uitdrukking dat de
minister niet alle mogelijkheden heeft gebruikt die voor haar open stonden
en dat nu een heroverweging nodig is. De overwegingen die collega Van Beek
in de motie noemt, met name het benutten van de bijzondere omstandigheden
als een relevant criterium en het gebruik van artikel 14 van de Rijkswet op
het Nederlanderschap, geven de route aan die bij dit soort gevallen zou
moeten worden bewandeld. Dit moet zorgvuldig plaatsvinden en altijd zijn
gebaseerd -mevrouw Van der Laan zei dit ook al- op een afweging van
belangen die redelijk en billijk is. Er mogen geen beleidsautomatismen
ontstaan die tot absurde uitkomsten leiden. Het gaat om het inschakelen van
verstand en wijsheid met het oog op de menselijke maat; precies waar wij in
onze eerste termijn om vroegen.
Ik ben
blij dat de heer Van Beek als indiener van de motie heeft bevestigd dat deze
route ook voor anderen open moet staan. Dit laat uiteraard in het midden
voor hoeveel mensen het op zal gaan; het gaat om het principe. Vanavond is
het heel erg een red-Ayaandebat geworden. Mijn fractie deed en doet daar uit
volle overtuiging aan mee, maar uiteindelijk moet het een
red-het-vreemdelingenrechtdebat worden. Ook daarnaar zullen wij blijven
streven. Het mededogen met Ayaan is vanavond terecht overweldigend, maar
laten wij niet uit het oog verliezen dat in de wrede praktijk van het
vreemdelingenbeleid dagelijks mensen worden geconfronteerd met beslissingen
waarbij het gevoel voor verhoudingen en de menselijke maat helemaal zoek is
geraakt. Het gaat daarbij om mensen die geen Kamerlid zijn, die wij niet
kennen, die niet in staat zijn om zich zo formidabel te verdedigen als Ayaan
vandaag heeft gedaan, die veel minder bekende Nederlanders kennen die bereid
zijn om bij Nova aan tafel te gaan zitten om hun zaak te verdedigen. Onze
verantwoordelijkheid betreft ook hen. Tegen al mijn collega's hier zeg ik:
hopelijk zult u allemaal iets van uw betrokkenheid van vandaag de komende
tijd voor hen bewaren.”
Het is een speech die tot stilte noopt en indruk maakt.
Daarna kwam parlementariër Van der Vlies die ook reageert
op het feit dat minister Donner verklaart dat hij via de media kennis nam
dat zijn collega Verdonk de onderwerpelijke brief aan Ayaan Hirsi Ali had
gestuurd.
De heer Van der Vlies: “(…) De stelling die de minister van
Vreemdelingenzaken en Integratie betrok, was de volgende: ik kon naar
aanleiding van de mededelingen van mevrouw Hirsi Ali in de tv-uitzending
niet tot een andere conclusie komen dan dat nimmer een naturalisatiebesluit
totstandkwam dat rechtskracht heeft. Bij interruptie stelde ik vast dat
betrokkene zes weken de tijd heeft om de informatie te weerleggen waarop
deze conclusie van de minister steunt. In het geval dat dit niet toereikend
gebeurt, wordt haar Nederlandse paspoort ingenomen en zal zij een
vluchtelingenpaspoort krijgen. Deze door de minister bevestigde conclusie
staat haaks op het beeld dat tot vanavond heeft overheerst.
De minister moet hebben ingeschat hoe veel emotie en commotie
haar brief aan mevrouw Hirsi Ali zou veroorzaken, zowel binnen ons land als
daarbuiten. Een en ander leidt de SGP-fractie tot de conclusie dat de
besluitvorming na vorige week donderdag kennelijk overhaast totstandkwam en
in de openbaarheid kwam. Het is toch sprekend dat enkele bewindslieden -- de
heer Donner deed dat zojuist nog -- hebben aangegeven een en ander uit de
media te hebben vernomen. Ik dacht dat er in de ministerraad wel over
mindere kwesties werd vergaderd en gecommuniceerd dan over het wegvallen van
het vele jaren veronderstelde Nederlanderschap van een Kamerlid.”
Om een dergelijk conflict in de toekomst te voorkomen diende de
heer Van der Vlies een motie in met de strekking meer rechtszekerheid te
bieden in een geval er bij onjuist verstrekte persoonsgegevens een
onwerkbare situatie intreedt met het ontbreken van rechtsgevolgen. Het is nu
eenmaal ondenkbaar dat in een debat met elf woordvoerders, die van de
kleinere partijen niet het recht zouden hebben om volledig van een tweede
termijn gebruik te maken, hoewel die in dit geval door de voorzitter voor
iedereen is ingekort tot drie minuten. En als Rouwvoet zich aandient voor
een volle tweede termijn hoef je daar geen spijt van te hebben.
De heer Rouvoet: “Voorzitter. Namens de fractie van de
ChristenUnie heb ik in eerste termijn een aantal indringende vragen gesteld
aan de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie over de gang van zaken,
de zorgvuldigheid van de procedure en het voor ons principiële punt in
hoeverre ruimte bestond voor een eigen afweging door de minister.
De minister was in ieder geval op één punt glashelder.
Letterlijk zei zij dat de wet en de jurisprudentie van de Hoge Raad geen
enkele ruimte lieten en laten om tot een andere conclusie te komen. Er was
sprake van nietigheid. Met het citaat van de Hoge Raad als bewijs, luidt
haar conclusie dat de naturalisatie dan geen rechtsgevolgen kan hebben.
In dit verband hebben wij lang met elkaar gesproken over de
conclusie van de procureur-generaal en over de betekenis van de formulering
in een van zijn conclusies dat sprake is van ‘nietigheid, tenzij’.
Het ‘tenzij’ heeft betrekking op de vraag of er toch geen ruimte zou
kunnen zijn voor een eigen afweging van de minister om tot een andere
conclusie te komen. Ik meen dat wij redelijk hebben afgebakend in hoeverre
deze ruimte bestaat. Wij hebben vastgesteld dat door de Hoge Raad en de
procureur-generaal expliciet een mogelijkheid is opgehouden in het geval van
bijzondere omstandigheden. Deze doen zich voor wanneer de opgegeven naam een
naam betreft, waaronder de betrokkene ook bekend staat en wanneer deze
bevoegdelijk is gevoerd. Het was en is de vraag of Ayaan Hirsi Magan in 1997
bekend stond als Ayaan Hirsi Ali. Het antwoord op deze vraag luidt ‘ja’.
De volgende vraag luidt, of zij bevoegd was tot het voeren van deze naam. De
minister zegt daarop ‘neen’. Zij stelt dat Ayaan Hirsi Ali naar
Somalisch familierecht niet bevoegd was tot het voeren van de naam van haar
overovergrootvader.
Ik heb eigenlijk geen argumenten om dit standpunt van de
minister te betwisten, of het zou moeten zijn dat je je de vraag kunt
stellen of het feit dat de naam op de A-status stond vermeld, haar niet in
zekere zin bevoegd maakte tot het voeren van deze naam in Nederland. Ik kan
dat niet helemaal overzien. Hoe dan ook vindt mijn fractie het bestuurlijk
niet zodanig evident hoe het antwoord op deze vraag moet luiden, dat je er
per kerende post een uitspraak over zou kunnen doen. Dan neem je de tijd om
het zorgvuldig te onderzoeken. Ook anderen hebben daarop gewezen.
De discussie die wij vandaag hebben gevoerd over de
interpretatie van de conclusies van de procureur-generaal, onderstreept onze
verbazing over de overhaaste beslissing. Wij hebben begrepen dat wij deze
verbazing delen met minister Zalm en de minister-president. Dat zegt veel
over de zorgvuldigheid.”
Zo langzamerhand moet ik er aan wennen, dat bestuurlijk
onzorgvuldig handelen in de plaats is gekomen van afkeuring. Het begrip
afkeuring werkt bij veel parlementariërs als een lap op een rode stier.
Vandaar dat een groot deel van de Kamer het nu heeft over bestuurlijk
onzorgvuldig handelen.
De heer Rouwvoet: “De fractie van de ChristenUnie kan de gang
van zaken met geen mogelijkheid bestuurlijk zorgvuldig noemen, te meer nu
wij begrijpen dat dit zacht gezegd niet echt een kabinetsbreed gedragen
proces is geweest. Als het zo simpel is dat er geen enkele ruimte was voor
iets anders dan de constatering dat er nooit sprake van Nederlanderschap is
geweest, wat is dan de betekenis van die zes weken? Hoe kun je bezwaar maken
als er geen besluit is genomen? Welke andere reactie is denkbaar dan die om
de kwestie voor kennis aan te nemen? De minister zegt namelijk dat wet en
Hoge Raad haar geen enkele ruimte laten om tot een andere conclusie te
komen."
Als je nooit Nederlander bent geweest kun dat je tijdens de
bezwaarperiode van zes weken niet tijdelijk Nederlander zijn, in afwachting
van de beslissing van de minister. Dat is precies wat Rouwvoet constateert
bij de minister.
De heer Rouwvoet: “De minister kiest de nietigheid als
verdedigingslinie. Om die reden ziet zij geen ruimte voor welke afweging dan
ook. Er is never nooit sprake geweest van Nederlanderschap voor Hirsi Ali.
In dat licht kon ook mijn fractie de stelling van de minister later in het
debat dat Hirsi Ali de komende zes weken gewoon Nederlander is niet
plaatsen. Een besluit kan voorlopig zijn en kan na zes weken definitief
worden, of in bezwaar worden gewijzigd. Een nooit verleend Nederlanderschap
kan niet alsnog geacht worden te zijn verleend voor de komende zes weken.
Als de minister zegt dat het anders is, en dat stelde ze in de tweede helft
van het debat, is er geen sprake geweest van nietigheid, maar van
vernietigbaarheid en dus van een afwegingsruimte van de minister zelf. Dat
nu heeft de minister in alle toonaarden ontkend.
Ik kom tot de conclusie van mijn fractie. De minister is niet
overtuigend geweest in haar stellingname dat zij geen enkele ruimte had voor
een eigen afweging. Juist daarom wegen voor mijn fractie de snelheid en de
onzorgvuldigheid waarmee is gehandeld buitengewoon zwaar. Het argument dat
het om een parlementariër ging en dat snelheid dus gewenst was, overtuigt
ons in ieder geval van geen kant. Zorgvuldigheid is gewenst. Dat geldt in
alle gevallen, maar zeker als het gaat om een stellingname met zulke ook
staatsrechtelijk ingrijpende gevolgen. Overigens geldt altijd dat
zorgvuldigheid voorop moet staan. Aan die zorgvuldigheid heeft het hier
ontbroken. Het had anders gemoeten. Ik onderstreep met een aantal andere
woordvoerders dat dit iets anders is dan een pleidooi voor het maken van een
uitzondering. Dit had anders, zorgvuldiger gemoeten.
Dat brengt mij bij de motie van de heer Van Beek en een aantal
andere woordvoerders. In de motie wordt de minister om een heroverweging
gevraagd, ook los van de reactie van mevrouw Hirsi Ali, terwijl het betoog
van de minister juist is gebaseerd op het uitgangspunt dat zij nooit enige
ruimte voor welke overweging dan ook heeft gehad. Dat roept de vraag op of
de minister de motie in deze zin zal kunnen en willen uitvoeren, zoals
mevrouw Van der Laan expliciet heeft gevraagd, of dat daarmee de
geloofwaardigheid van de minister wat betreft haar gehele eerste termijn so
wie so in het geding komt. Ik heb de indieners daarover een aantal vragen
gesteld. Het antwoord van de minister horen wij dadelijk.
Alles afwegend, zal de fractie van de ChristenUnie de motie
steunen, om langs die weg te bereiken dat de vereiste zorgvuldigheid alsnog
wordt betracht. Het is aan de minister en alleen aan haar of zij politiek
kan leven met een zeer breed gesteunde motie die in essentie uitspreekt dat
zij niet zorgvuldig heeft gehandeld en ten onrechte heeft aangenomen dat zij
geen andere keuze had dan te besluiten wat zij heeft besloten.”
De heer De Wit: “Voorzitter. Ik begin namens mijn fractie met
een reactie op de motie van de VVD. Wij stellen vast dat die motie is
gericht op het creëren van een oplossing voor de situatie van Hirsi Ali. Wij
steunen de motie, omdat wij deze oplossing in dit geval redelijk vinden.
Tegelijkertijd vinden wij dat de motie verder gaat. In feite beoogt die een
breekijzer te zijn om te komen tot een humaan beleid voor allen die zich in
een soortgelijke situatie bevinden als Hirsi Ali, en tevens een humaan
beleid voor iedereen in Nederland die te maken krijgt of te maken heeft met
ons vreemdelingenrecht.
Wat is de situatie op dit moment? De minister geeft blijk van
dadendrang. Voor mijn fractie is het nog steeds de vraag waarom de minister
zo heeft gehandeld als ze heeft gedaan. Mijn fractie kan het niet anders
zien dan dat dit te maken heeft met de verkiezingsstrijd waarin de minister
is verwikkeld.
Zij is
verblind door haar eigen retoriek: ik doe wat ik zeg, ik zeg wat ik doe, ik
heb een rechte rug, ik ben recht door zee en regels zijn regels. Hiermee
verliest de minister het zicht op de historische werkelijkheid van Ayaan
Hirsi Ali die in een moeilijke situatie verkeert door de continue
bedreiging, het feit dat zij heeft moeten onderduiken, en het feit dat zij
binnenkort haar huis uit moet.
Ik wijd nog een paar woorden aan de positie van de VVD. Mijn
fractie stelt vast dat er ontzetting heerst binnen de VVD. Ook is er sprake
van verbijstering over de manier waarop Ayaan Hirsi Ali, een gewaardeerd
Kamerlid van de VVD, is bejegend door een bewindspersoon van de VVD. Daarom
is het voor mijn fractie van belang om te weten wat nu de positie van de
minister is. De SP-fractie heeft al meermalen laten blijken, geen vertrouwen
te hebben in het beleid van deze minister. De VVD-fractie heeft een motie
ingediend die op dit moment breed ondersteund wordt, ook door mijn fractie.
Daarin wordt echter wel tot drie keer toe gevraagd om heroverweging van
datgene wat de minister tot nu toe heeft gedaan ten aanzien van Ayaan Hirsi
Ali. Mijn fractie ziet deze motie dan ook feitelijk als een afkeuring van de
handelwijze van de minister tot op dit moment in deze zaak.”
Ook de Socialistische Partij dus.
Mijnheer De Wit: “Er is echter meer. Met uitzondering van de
heer Nawijn heeft geen enkele woordvoerder niet gezegd, geen kritiek te
hebben. Alle fracties, met uitzondering van de Groep Nawijn, hebben gevraagd
naar de zorgvuldigheid en twijfels geuit. Kortom, mijn fractie stelt vast
dat in deze Kamer breed afkeuring bestaat van datgene wat tot nu toe is
gebeurd. Dit brengt mij tot de volgende conclusie. Er is sprake van een
bijzondere politieke situatie. Er zijn twijfels over de zorgvuldigheid van
de minister en er is een gebrek aan overtuiging dat de minister de juiste
beslissing heeft genomen. In die situatie zou de minister de eer aan
zichzelf moeten houden.”
(Naar boven)
|