Verblijf op Aarde
Ik doe wat ik zeg en afspraak is afspraak
De minister van Vreemdelingenzaken en Integratie tekent zichzelf als politieke illusionist



























Gemiddeld schijnen 1,2 miljoen landgenoten naar het debat op de televisie gekeken te hebben. Op het laatst was dat natuurlijk uitgedund tot enige tienduizenden.





































































































































































































































































































































































































































GA NAAR WEBLOG


























































































































































Dat zijn de notulen of is het verslag van de wat in de Tweede Kamer besproken is
























































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































































 

 






































































Ik draag haar privé een warm hart toe



            De laatste woorden uit de eerste termijn van de Tweede Kamer kwamen uit de mond van SP-er Jan De Wit: “Er verkeren op dit moment in Nederland duizenden mensen in een vergelijkbare situatie. Ze zijn al vele jaren in Nederland. Ze zijn ingeburgerd, maar ze hebben geen juridische mogelijkheden om hier te blijven. Wie graag wil dat Ayaan Hirsi Ali voor Nederland behouden blijft, omdat zij bij ons hoort, moet zich rekenschap geven van het bestaan van al deze mensen die, net als zij, al zo lang in ons midden leven.

            In de bijna twee uur durende pauze moest ik daar vaak aan denken. Dat is waar het om gaat en dan kan ook recht worden gedaan aan het beginsel gelijke monniken, gelijke kappen. Dit zijn momenten waarop ik vliegensvlug met een paar Kamerleden contact zou willen hebben om ze op een paar belangrijke zaken uit het debat te wijzen. Niet dat ik met iets nieuws aankom, maar ik wil wijzen op de consequenties van ingenomen standpunten en stellingnames. Op hoe VVD-er Verbeek zich in een dilemma manoeuvreerde, op het door Verdonk gehouden onderzoek, etc.
            Ik ben een betrokken kiezer en kan op een dergelijk moment nergens mijn ei kwijt. En ik denk dat dat voor bijna iedereen geldt die naar het politieke toneelstuk zit te
kijken. In toenemende mate zit ik op het puntje van mijn stoel en wacht met de rest van wakker Nederland op de bevrijdende antwoorden van deze minister. Als de Tweede Kamerleden weer plaats hebben genomen krijgt minister Verdonk van de voorzitter het woord. 

            Minister Verdonk: “Voorzitter. Laat ik beginnen met te zeggen dat de problematiek rond de naturalisatie van Ayaan ook mij bijzonder aangrijpt. Ik ben niet alleen een partijgenote van haar, maar ik draag haar ook privé een warm hart toe. Wij hebben elkaar vlak na de moord op Theo van Gogh leren kennen en daar is een warme band uit ontstaan. Dus voor mij geldt hier naast het zakelijke aspect heel duidelijk een menselijk aspect. Dat betekent dat ik het vreselijk vind dat ik zo'n brief aan haar heb moeten schrijven. Ik heb haar ook gebeld. Dat was een emotioneel gesprek. Ik heb ook heel veel respect voor wat zij hier in Nederland gedaan heeft om een aantal onderwerpen blijvend op de agenda te krijgen. Ik denk hierbij aan huiselijk geweld, vrouwenbesnijdenis en eerwraak. Zo kan ik nog een aantal onderwerpen noemen. Een daarvan is de vrijheid van meningsuiting. Ook dat is voor mij een heel groot goed.
            Ik zei net dat ik een brief heb moeten schrijven. Ik heb heel bewust ‘moeten’ schrijven gezegd. Immers, de wet en jurisprudentie van de Hoge Raad van november vorig jaar laten in deze zaak, waarin er sprake is van valse personalia, geen ruimte om tot een andere conclusie te komen. Als gebruik is gemaakt van onjuiste persoonsgegevens, laat de wet -dat is bevestigd in het arrest van de Hoge Raad- geen andere conclusie toe dan dat de betrokken persoon nooit Nederlander is geworden. Mijn enige bevoegdheid is om dat te constateren. Ik heb ook geen besluit genomen, ik heb alleen geconstateerd dat dit het geval is. Dat is sinds 2003 ook in tientallen andere gevallen aan de orde geweest.
            Wat is er de laatste week gebeurd? Donderdagavond heeft Ayaan in het programma Zembla in een reconstructie het volgende gezegd: "Ik heb het hele verhaal verzonnen. Ik heb niet verteld dat ik Ayaan Hirsi Magan heet, maar gezegd dat ik Ayaan Hirsi Ali heet. Ik heb niet verteld dat ik in 1969 ben geboren, maar gezegd dat ik in 1967 ben geboren, waardoor ik ouder dan mijn broer was." Dat was, in tegenstelling tot in de jaren daarvoor, een regelrechte uitspraak dat zij inderdaad gelogen had over haar naam.
            Ik heb toen een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek was vrij snel afgerond. Een aantal leden heeft daarnaar gevraagd. De conclusie volgt echter uit de wet. Er bestaat geen andere weg. Ik heb in eerste instantie een aantal uitlatingen gedaan die hier zijn aangehaald. Ik heb toen ook een antwoord gegeven op de vraag of de hele zaak verblijfsrechtelijke consequenties zou hebben. Vrijdagmorgen is dat onderzoek gestart en daarna was al heel snel bekend dat dit niet het geval zou zijn. De IND hanteert namelijk een beleidsregel die zegt dat het opgeven van een valse naam bij het aanvragen van een verblijfsvergunning na twaalf jaar verjaard is.
            
Dit was dus de reden dat ik heb gezegd dat dit verblijfsrechtelijk geen consequenties heeft. Dat heeft het ook niet. Zij houdt haar A-status, zijnde een status voor onbepaalde duur, en haar verblijfsvergunning. Ik hoop hiermee de twijfel daarover bij een aantal leden van de Kamer te hebben weggenomen.” 

            Ik krijg nu al de kriebels om er mijn oordeel over te geven en om met terugwerkende kracht alsnog mee te doen met vragen die ik heb naar aanleiding van dit eerste antwoordgedeelte. Maar er zijn Kamerleden genoeg. Ik zal ze niet in de weg lopen en u geruime tijd de gelegenheid geven zonder onderbreking het debat te volgen.

 
            De heer Wilders: “U heeft volgens de berichten in de media gezegd dat mevrouw Hirsi Ali niets te vrezen heeft. U zegt nu dat dit sloeg op de status. Was het echter niet veel verstandiger en ook zorgvuldiger geweest als u dit niet had gezegd, wetende dat er nog een ander onderzoek kwam dat verder ging dan alleen de asielstatus? Was het niet beter geweest als u de resultaten van het zorgvuldige onderzoek dat u hebt gedaan, had afgewacht? Nu hebt u immers, door uit te spreken dat zij niets te vrezen heeft, toch de indruk gewekt, al ging het dan om de asielstatus, dat de kous daarmee af was. Dat was niet het geval, want een paar dagen erna trok u, toen het ging over haar Nederlanderschap, een volstrekt andere conclusie.”
            Minister Verdonk: “De vraag die mij gesteld werd, was of dit geheel consequenties heeft voor de verblijfsstatus van mevrouw . Daarop heb ik gezegd: nee, dit heeft geen consequenties. Er is toen niets anders gevraagd en ik heb dus ook alleen maar op deze vraag antwoord gegeven. Meer is er niet gebeurd. Het onderzoek, ook naar de naturalisatie, liep toen nog. Het enige waar ik op heb geantwoord is de vraag of dit verblijfsrechtelijke consequenties zou hebben.”
            Mevrouw Halsema: “U zegt dat er met de uitzending van Zembla nieuwe gegevens boven water kwamen. Kunt u mij dat nog eens uitleggen, al was het maar omdat u een telefoongesprek hebt gevoerd met Ayaan over Taïda Pasic waarin zij het zelf tegen u gezegd heeft?”
            Minister Verdonk: “Nee, Ayaan heeft in dat telefoongesprek aan mij gevraagd of er geen mogelijkheid was om Taïda hier te laten blijven. Ik heb toen gezegd: nee, want Taïda heeft leugens gebruikt en als jij dat had gedaan, had ik jou ook uitgezet. Dat was de teneur van het gesprek. Het is helemaal niet gegaan over mevrouw .”

            De minister weet weer handig de beschuldiging van zich weg te houden. Maar zij moet beter weten. Schrijver Leon de Winter was op de avond van het debat in Nova en verklaarde daar: “Het toeval wil dat Ayaan dat telefoongesprek bij mij thuis voerde. Ik stond toen naast haar. Op een gegeven moment hoor ik Ayaan tegen Rita Verdonk zeggen: ‘Maar Rita, ik heb zelf ook gelogen!’
            Las Verdonk de open brief van columniste Ebru Umar aan Hirsi Ali van december 2004 , waarin zij schreef: ‘Magan heet je toch eigenlijk, Ayaan?’ Umar zegt Verdonk die brief te hebben toegestuurd. Een paar maanden later brengt Umar een bezoek aan Verdonk, op verzoek van de minister, schrijft zij in een column in Propria Cures: ‘Blijft dit gesprek onder ons?’ vraagt Rita. Dan pakt ze een mapje tevoorschijn. In het mapje mijn open brief aan Ayaan. (...) Ik (Verdonk) vroeg mij af waarom iemand mij een dergelijk artikel stuurt. Ik dacht laat ik dat die mevrouw dat zelf eens vragen.”

            Mevrouw Halsema pakt de draad weer op: “Even serieus: wilde u nu werkelijk zeggen dat u tot de uitzending van Zembla niet op de hoogte was van haar naam en de gegevens rond haar geboortejaar? U heeft ‘De maagdenkooi’ niet gelezen, waaruit minister Zalm vanmiddag nog zo mooi citeerde? Al die gegevens die zij in zo'n 50 interviews keer op keer naar voren heeft gebracht, die waren u onbekend?”
            Minister Verdonk: “Het enige wat ik wist, was dat er twijfels waren bij haar vluchtverhaal. Dat blijkt ook. Zij heeft er in 2002 ook wat over gezegd. Dat deed echter niet meer ter zake want het ging niet meer over dat vluchtverhaal en de verblijfsstatus. Dat was namelijk al verjaard.”
            Mevrouw Halsema: “Het is moeilijk om je verbazing onder stoelen of banken te steken. Laat ik het anders formuleren. Als u nadenkt over voortzetting of intrekking van naturalisatie, dan gaat daaraan toch vooraf een onderzoeksplicht van de overheid? In al die jaren dat Ayaan prominent Tweede-Kamerlid was en lid van uw partijpolitieke bondgenoot, in al die jaren waarin haar naturalisatie ter discussie had kunnen staan, heeft u niets gedaan ondanks al die interviews die zij heeft afgegeven. En dan is nu één televisie-uitzending voldoende?”
             Minister Verdonk: “Ik heb zo-even geciteerd uit de televisie-uitzending. Daarin heeft zij duidelijk gezegd: ik heb het hele verhaal verzonnen, ik heb ook niet verteld dat ik Ayaan Hirsi Magan heet. Op dat moment heeft zij heel duidelijk gezegd: ik heb gelogen over mijn naam. Bij andere gelegenheden is gepraat over haar vluchtverhaal, over het feit dat zij niet uit Somalië kwam maar uit Kenia, maar niet op de manier zoals in de Zembla-uitzending is gebeurd.”

             De heer Verhagen: “De minister heeft vrijdag gezegd dat zij geen aanleiding zag tot een onderzoek. Nu zegt zij dat vrijdag het onderzoek is gestart. Ik zou graag opheldering willen hebben over hoe dat zich tot elkaar verhoudt. Zaterdag heeft de minister gezegd dat zij tot een onderzoek zou komen. Zij zegt nu dat het onderzoek vrijdag is gestart. Tegelijkertijd heeft zij vrijdag in de media gezegd dat zij geen aanleiding zag tot een onderzoek.
            Dan heb ik nog een tweede vraag. De minister heeft vandaag tegen RTL gezegd dat de IND al was gestart met een onderzoek onder verantwoordelijkheid van minister Nawijn. Wat heeft zij daarmee gedaan? Zoals mevrouw Halsema zegt, heeft Ayaan in het boek de naam van haar vader bekendgemaakt. Met andere woorden, ook toen was bovenop de verschillen die al eerder in interviews naar voren kwamen, het verschil van de naam ook duidelijk.
            Er is een onderzoek gestart door de IND in 2002, heeft de minister vanmiddag gezegd. Zij stelt vrijdag dat er geen aanleiding is tot een onderzoek. Er is toch vrijdag een onderzoek gestart. Het feit dat de naam niet gelijk was aan die van Ali, was ook duidelijk.”

            Minister Verdonk: “De vraag die mij gesteld werd, ging over een verblijfsvergunning. Daar hoefde ik geen onderzoek naar te starten, want het was meteen al duidelijk dat er een verjaringstermijn zat. Het andere onderzoek liep wel degelijk, maar daarover werd mij niets gevraagd. Daar heb ik dus ook niet aan gerefereerd. Ik kwam uit de ministerraad lopen. Men weet hoe dat gaat. Er wordt een vraag gesteld en je geeft daarop een antwoord.
            Wat betreft het IND-onderzoek in 2002 zijn er inderdaad wat memo's dat er is gekeken naar wat er is gezegd bij Barend en Van Dorp. Ik heb van de ambtenaren begrepen dat dit nooit bij de minister is geweest. Het is niet de lijn ingegaan, omdat de IND concludeerde dat er niet voldoende concrete aanwijzingen waren.
            Ik heb hier het boek De zoontjesfabriek van augustus 2002. Dat begint met de zin: Ayaan wordt in 1969 in Somalië geboren als de dochter van Hirsi Magan. Moet dat dan reden zijn om onderzoek te doen?”
            De heer Verhagen: “Maar wel als u zegt dat u op basis van de uitzending van Zembla op donderdagavond, waarin wordt gesteld dat zij niet Ayaan Hirsi Ali heet, de onderste steen boven wilt hebben en nader onderzoek gaat doen. U doet dat niet wanneer uit haar eigen boek blijkt dat zij eigenlijk een andere naam heeft. Dat vereist op zijn minst enige uitleg.” 
            Minister Verdonk: “Wat er gebeurde, was dat er in die uitzending een aantal zaken werden gepresenteerd en dat aan haar werd gevraagd om er wat over te vertellen, of hoe werd dat gezegd, de hele zaak werd gereconstrueerd. Toen heeft zij gezegd, heel duidelijk, dat zij ook niet heeft verteld dat zij Ayaan Hirsi Magan heet en niet Ayaan . Dan is dat voldoende om te zeggen: ja, maar dat kan toch niet. Er is iemand met de Nederlandse nationaliteit en die zegt dit. Dan lijkt het mij niet meer dan normaal dat ik als minister mijn verantwoordelijkheid neem en dat ook laat uitzoeken. Dat is gebeurd en dat heeft geleid tot de brief.”

            De heer Verhagen: “Dat ontken ik ook niet. Als iemand hier in de Tweede Kamer zit die Ayaan Hirsi Ali heet en die zelf zegt dat zij eigenlijk Magan heet, vraag ik mij af waarom u toen niet dezelfde aanleiding tot dat onderzoek zag als u klaarblijkelijk op vrijdag wel zag.”
            Minister Verdonk: “Omdat zij toen zelf die link legde dat zij gelogen had. Ja, dat was het punt. Dat is wat er is gezegd in die Zembla-uitzending: ik heb het hele verhaal verzonnen en ik heb ook niet verteld en dan noemt zij die twee namen. Dat is heel wat anders dan dat in een boek staat dat Ayaan Hirsi Ali wordt geboren als de dochter van Hirsi Magan. Ik zou bijna zeggen: dat is zo, daar begint het boek mee. Dat is heel wat anders dan dat iemand recht in de camera, tijdens een televisie-uitzending, verklaart dat zij gewoon het verhaal verzonnen heeft.”
            De heer Verhagen: “Dat zij het verhaal verzonnen had, was ook al eerder duidelijk. Dat was de aanleiding in 2002 om het onderzoek van de IND te doen.”
           Minister Verdonk: “Op dat moment waren er niet genoeg concrete aanwijzingen om dat onderzoek te voltooien. Dat is ook niet, zoals dat heet, de lijn naar de minister in gegaan. Het was niet voldoende concreet. Nu zitten wij in 2006, nu is er een Zembla-uitzending en daarin zegt iemand: ik heb het hele verhaal verzonnen; dit is niet mijn naam, maar dat is mijn naam. Dat kan toch niet? Dan kan ik als minister toch niet zeggen -en dat kan de IND dus zeker niet zeggen- dat wij net doen alsof wij dat niet gehoord hebben. Dat is wel gehoord en daar is een onderzoek naar verricht.”

             De heer Bos: “Begrijp ik het nou goed dat u eigenlijk zegt dat er pas wanneer iemand zelf zegt dat hij gelogen heeft en dat hij zaken heeft verzonnen, voor u reden is om een onderzoek te doen en dat u of uw dienst geen enkele eigenstandige verantwoordelijkheid heeft om, als gegevens aan u kenbaar worden gemaakt waaruit duidelijk blijkt dat iets niet klopt, naar aanleiding daarvan een onderzoek te doen? Als iemand zegt dat hij Piet de Boer heet en de zoon is van Piet Jansen, moet hij er dus zelf bij zeggen dat hij zijn naam heeft verzonnen, want anders is er volgens u niets aan de hand.”
            Minister Verdonk: “Nee, dat is niet waar. Natuurlijk vindt dit soort onderzoeken plaats. Er zijn mensen die een aantal jaren nadat zij de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen, naar de gemeentelijke basisadministratie stappen en ineens hun naam willen veranderen. Als dat echt een fikse verandering is, gaat er een signaal naar de IND en wordt bekeken waarom zij dat willen. Daaruit blijkt dan vaak dat er een valse naam is opgegeven. Er zijn ook anderen die dit soort zaken aangeven. Er zijn al enkele zaken over tafel gegaan, bijvoorbeeld haar vluchtroute en de vraag of zij wel of niet in Kenia gewoond heeft, maar dit was de eerste keer dat zij dit zo heel duidelijk zei. Dat was de reden om het onderzoek te doen.”
            De heer Bos: “Het blijft bizar dat ontzaglijk veel mensen die conclusie kennelijk allang hadden getrokken en dat dit alleen bij u niet was doorgedrongen. Ik heb nog twee andere vragen. De eerste vraag betreft het debat dat zojuist werd gevoerd tussen mevrouw Halsema en u. Daarin hoorde ik u zeggen dat u in het gesprek met Ayaan over Taïda Pasic zei: "Als jouw verhaal niet waar zou zijn, zou ik jou ook uitgezet hebben". Dat is niet het verhaal waarvan wij de afgelopen weken kennis hebben mogen nemen uit de mond van Ayaan . Haar verhaal, dat in alle kranten is opgetekend, was dat zij naar u toe ging, pleitte voor een verblijfsvergunning voor Taïda Pasic en zei dat zij zelf ook had gelogen; uw antwoord daarop was: "Dan zou ik je, als ik op dat moment minister was geweest, ook uitgezet hebben". Het is van tweeën één: het verhaal van Ayaan Hirsi Ali klopt -dan hebt u zich zojuist wat onzorgvuldig uitgedrukt tegenover mevrouw Halsema, maar dan wordt het wel heel interessant om te weten waarom u op dat moment niet met een onderzoek begon- of u zegt hier dat het verhaal van Ayaan Hirsi Ali over het gesprek dat zij met u heeft gevoerd, niet klopt.”

            Minister Verdonk: “In mijn herinnering heeft dat gesprek anders plaatsgevonden. Ten eerste kwam zij helemaal niet naar mij toe, want wij hebben daarover een telefonisch gesprek gehad. Zij vroeg mij toen iets over Taïda en toen heb ik gewoon in het algemeen gezegd: "Als jij gelogen had over jouw asielverhaal, had ik jou ook uitgezet". Dat is wat er in dat gesprek is gebeurd.”
            De heer Bos: “Er is maar één persoon die daar verder bij was en die kan zeggen hoe het werkelijk gegaan is. Ik constateer dat wij tot nu toe allemaal kennis hebben genomen van een heel andere versie van het verhaal.
            Ik kom bij mijn andere vraag. U zei dat het arrest van de Hoge Raad u eigenlijk geen andere keuze liet dan te constateren wat de status was van het besluit dat destijds genomen werd over de naturalisatie van Ayaan Hirsi Ali: gelet op de feiten, bestond dat besluit als zodanig feitelijk niet. Dat is feitelijk wat u zegt: u had geen andere keuze dan die status quo, die feitelijke situatie, in een brief te beschrijven aan Ayaan . In het arrest van de Hoge Raad staat inderdaad dat er, als er sprake is van valse gegevens, geen sprake kan zijn van een naturalisatiebesluit met rechtsgevolg. Er staat echter ook nog iets anders: "behoudens bijzondere omstandigheden waaromtrent door de rechtbank in dezen niets is vastgesteld". In het arrest van de Hoge Raad wordt dus ruimte gemaakt voor omstandigheden die een besluit op basis van valse gegevens toch nog wel degelijk rechtsgeldig zouden kunnen maken. De rechtbank zegt niets over welke omstandigheden dat wel zouden zijn of niet. Dat betekent dus dat u de mogelijkheid had om op z'n minst te proberen om omstandigheden aan te dragen die voor de rechtbank overtuigend zouden kunnen zijn. Mijn vraag aan u is waarom u dat niet hebt gedaan.”

            Minister Verdonk: “Dat heb ik niet gedaan. Het is geen beslissingsbevoegdheid die discretionair kan worden toegepast. Met die bijzondere omstandigheden doelt de Hoge Raad bijvoorbeeld op verschrijvingen. Dat blijkt uit de jurisprudentie en er is geen sprake van een discretionaire bevoegdheid. Als iemand een valse naam heeft opgegeven, komt het rechtsgevolg niet tot stand. Ik kan dan dus niet een besluit intrekken of nemen.”
            De heer Bos: “Datgene wat de minister zegt is leuk en aardig, maar haar woorden komen niet overeen met het arrest van de Hoge Raad. Misschien is dat de interpretatie van de minister. In het arrest van de Hoge Raad staat dat er bijzondere omstandigheden kunnen zijn waaromtrent door die rechtbank niets is vastgesteld. Dat arrest heeft de minister tot ankerstuk van haar handelen gemaakt. De Hoge Raad heeft dus geen uitspraak gedaan over wat de aard van de bijzondere omstandigheden zou kunnen zijn, waaronder het type besluit dat met betrekking tot Ayaan Hirsi Ali is genomen wel degelijk rechtsgeldig kon zijn.”
            Minister Verdonk: “De Hoge Raad doelt op de zaak die op dat moment dient. In die zaak is door de rechtbank niet vastgesteld dat er bijzondere omstandigheden waren. Er was in dat specifieke geval immers geen sprake van een verschrijving.”

            De heer De Wit: “Uit de uitspaak van de Hoge Raad blijkt absoluut niet dat de term ‘bijzondere omstandigheden’ beperkt is tot een verschrijving. Als er bijzondere omstandigheden zijn, biedt het arrest juist de mogelijkheid om na te gaan wat de waarde daarvan is. Het biedt de mogelijkheid om tot een afweging te komen en om te kunnen beoordelen of de Nederlandse nationaliteit nooit is verkregen of dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan anders moet worden geoordeeld. Dat is een geheel andere benadering dan uit de woorden van de minister blijkt.”
            Minister Verdonk: “Het is niet juist dat ik een besluit neem. Ik heb geconstateerd dat er sprake is van een rechtstoestand. Ik kan slechts vaststellen of het Nederlanderschap is verkregen. Vooralsnog hebben de feiten uitgewezen dat dit niet het geval is. Het is niet mogelijk om dat te constateren en vervolgens te doen alsof ik daarvan niet op de hoogte ben. Feiten die rechtsgevolgen met zich meebrengen kan ik niet negeren en/of verzachten. Ik heb geen bevoegdheid om een uitzondering te maken, dus dat is niet aan de orde.”
           De heer De Wit: “De opmerking ‘behoudens bijzondere omstandigheden’ houdt in dat de minister eerst moet nagaan of er dergelijke omstandigheden zijn. Als uit onderzoek blijkt dat er geen bijzondere omstandigheden zijn, zal de Nederlandse nationaliteit niet worden verkregen. Als de minister er al van uitgaat dat de Nederlandse nationaliteit nooit is toegekend zonder na te gaan of er bijzondere omstandigheden zijn, zit zij er wat dat betreft naast.”
            Minister Verdonk: “Nee, wij hebben een verschil van mening op dat punt. Ik zit er niet naast, want in dat arrest staat duidelijk dat een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen, betrokkene niet identificeert. Daaraan is toegevoegd dat het daarom geen rechtsgevolgen heeft, behoudens bijzondere omstandigheden waaromtrent door de rechtbank niets is vastgesteld. In deze zaak is inderdaad niet vastgesteld dat het gaat om verschrijvingen. Er treedt geen rechtsgevolg in, dus ik heb in deze zaak geen discretionaire bevoegdheid.”
            De heer De Wit: “Als er sprake is van een verschrijving, kan de minister zeggen dat zij daarvoor begrip heeft. Dan treedt dat rechtsgevolg niet in. Het is echter niet beperkt tot verschrijvingen. Het is mogelijk dat er bijzondere omstandigheden zijn en dat de Nederlandse nationaliteit daarom wel moet worden verkregen.”
           Minister Verdonk: “Het gaat hier om artikel 14 en om de uitspraak van de Hoge Raad. Die uitspraak stelt heel duidelijk dat artikel 14 toeziet op gevallen waarin het Nederlanderschap daadwerkelijk door het naturalisatieproces is verkregen en niet op gevallen waarin het naturalisatiebesluit met valse of fictieve personalia is verkregen en dus rechtsgevolg mist. Dat is waar het om gaat.”

            Mevrouw Van der Laan: “Dit is een van de belangrijkste onderdelen van de discussie. De minister zegt: ik kon niet anders dan constateren dat zij nooit Nederlandse is geworden. Dat betwisten wij, omdat de Hoge Raad daarover duidelijk is. Een van de voorbeelden die ik heb genoemd in mijn inbreng is het geval waarin het eigenlijk wel duidelijk is om wie het gaat omdat de persoon in kwestie altijd die naam heeft gebruikt. Als er iemand is waarvan iedereen weet om wie het gaat, is het wel Ayaan . Zij gebruikt die naam altijd. Wij weten dus precies over wie het gaat.”
            Minister Verdonk: “Het gaat nog steeds om artikel 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Daarin staat dat de minister de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap kan intrekken. Daarnaast is er de rechtspraktijk, die ook al bestond onder de oude wet. Daaruit blijkt dat het Nederlanderschap niet is verleend. Er is dus geen sprake van intrekking van het Nederlanderschap als het is verkregen onder valse of fictieve persoonsgegevens. Als iemand een valse naam opgeeft, wordt aangenomen dat het Nederlanderschap niet is verkregen. Dat is er aan de hand.”
            Mevrouw Van der Laan: “Daarover hebben wij geen meningsverschil. Het meningsverschil is of de minister niet anders kon dan dit constateren. De Hoge Raad spreekt immers van "behoudens bijzondere omstandigheden". De minister heeft niet de tijd, de moeite of de zorgvuldigheid genomen om zich te verdiepen in die bijzondere omstandigheden.”
            Minister Verdonk: “Dat is niet het geval. Er is sprake van een televisie-uitzending waarin duidelijk gezegd wordt dat er een verhaal is verzonnen en dat er een andere naam is gebruikt. Dat betekent dat er op dat moment sprake is van valse of fictieve persoonsgegevens. Dan is het heel duidelijk dat er geen rechtsgevolg tot stand komt. Er is dus geen Nederlanderschap verleend. Ik doe onderzoek en ik kom tot de conclusie dat er geen Nederlanderschap is verleend. Ik vind dat ik dat duidelijk moet maken aan betrokkene. Ik geef betrokkene door middel van een brief te kennen dat zij zes weken de tijd heeft om hierop te reageren. Ik maak een en ander ook duidelijk aan de Kamer omdat het gaat om een parlementslid. Zo is het gegaan.”
           Mevrouw Van der Laan: “De Hoge Raad stelt in het arrest dat bij valse persoonsgegevens het naturalisatiebesluit betrokkene niet identificeert. In dit geval weten wij echter precies om wie het gaat. Het is niet zo dat er iemand anders is genaturaliseerd. Wij weten precies om wie het gaat. De persoon is geïdentificeerd. Als je dit betrekt bij de term bijzondere omstandigheden is er weldegelijk ruimte voor de minister om een ander besluit te nemen. Het klopt dus niet als zij zegt: ik kon niet anders.”
            Minister Verdonk: “Ik kon niet anders concluderen. De invulling van het begrip bijzondere omstandigheden in dit arrest van de Hoge Raad is nader toegelicht in het advies dat de advocaat-generaal heeft opgesteld ten behoeve van de Hoge Raad als voorbereiding van de uitspraak. Dat is een publiek stuk over deze zaak.”

            De heer Van der Vlies: “De minister zegt: ik kon niet anders. Laten wij aannemen dat er voor de minister inderdaad geen beleidsvrijheid bestond. Was er echter ook geen enkele beoordelingsruimte? De stelling van mijn fractie is dat die er is als je kijkt naar de kan-bepaling in artikel 14.”
            Minister Verdonk: ”Artikel 14 gaat over verlening of intrekking. Dat kan de minister doen. Bij valse of fictieve persoonsgegevens hoeft de minister niets in te trekken. Het rechtsgevolg is dan immers niet tot stand gekomen. Dan geldt artikel 14 geheel niet. De discussie is of de minister het Nederlanderschap moet intrekken. Met de wet is de mogelijkheid gecreëerd, bekrachtigd door de uitspraak van de Hoge Raad, dat als er sprake is van fictieve of valse persoonsgegevens het rechtsgevolg niet intreedt. Dat is ook logisch.
            Er wordt een Koninklijk Besluit geslagen op een bepaalde naam. Laat ik maar zeggen dat dit het Nederlanderschap is. Dan blijkt de persoon in kwestie anders te heten. Dan heeft die persoon in kwestie met zijn echte naam dus ook geen Nederlandse nationaliteit verkregen!”
            De heer Van der Vlies: “Uw stelling is dus dat u, geconfronteerd met een feit, een op een te doen heeft wat de Hoge Raad in die beschikking bepaalt en u geen afwegings- of beoordelingruimte hebt?”
            Minister Verdonk:” Er is geen afwegingsruimte voor de minister, het rechtsgevolg is niet tot stand gekomen.”

            De heer Rouwvoet, die wat minder gouvernementeel is dan Van der Vlies, maar overigens ook een donker pak draagt, gaat het van Van der Vlies overnemen en tracht in een langdurig tweegesprek, waarin bestuurskundige Rouwvoet dieper ingaat op het inmiddels beroemd geworden arrest van de Hoge Raad, dat volgens hem haar meer mogelijkheden biedt dan ze zelf heeft gezien. Wellicht willen sommige lezers eerst nog een kop koffie drinken, dat volgens mij een goed idee is, want we gaan wel het diepe in met die Rouvoet.
            De heer Rouvoet: “Dit was nu precies het punt waar ik in mijn bijdrage veel accent op heb gelegd, want volgens mij is er verschil tussen de constatering van een nietigheid, waarin inderdaad geen ruimte is voor een beoordelingsmarge, laat staan een beleidsvrijheid om daarvan af te wijken, en een nadrukkelijk in de wet toegekende kan-bepaling, waarover de Hoge Raad spreekt, de mogelijkheid tot intrekking. Als je dan ziet dat artikel 14, lid 1, de mogelijkheid tot intrekking koppelt aan de situatie waarin het Nederlanderschap is verkregen maar berust op onjuiste of verkeerde informatie of valse verklaring, dan is uw stelling in feite dat de Hoge Raad met deze uitspraak in algemene zin die kan-bepaling uit de wet heeft geschrapt. Dat kan toch niet mogelijk zijn? Legt u mij nu uit hoe die uitspraak van de Hoge Raad ertoe leidt dat u zegt dat de situatie waarom het nu gaat exact wordt beschreven in artikel 14, maar dat u die kan-bepaling sinds die uitspraak niet meer hebt. Die hebt u volgens mij wel, want die staat in de wet!”
            Minister Verdonk: “Maar die geldt niet voor die gevallen waarin de naturalisatie is verkregen met valse of fictieve persoonsgegevens en dat staat er ook: Het middel dat ten betoge strekt tot een naturalisatiebesluit waarin onjuiste persoonsgegevens zijn opgenomen wel rechtsgevolg heeft, mits duidelijk is op welke personen het besluit het oog heeft gehad, gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. Een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen, identificeert betrokkene immers niet en heeft daarom geen rechtsgevolg.”
            De heer Rouvoet: “Wat is dan nog de betekenis voor u van de bepaling van artikel 14 waarin staat: Onze Minister kan de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap intrekken indien zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. Was is dan nog de betekenis van die bevoegdheid voor u?”
            Minister Verdonk: “Dat is voor allerlei andere gevallen. Aan de ene kant geldt dat voor valse of fictieve persoonsgegevens het rechtsgevolg niet tot stand komt, maar aan de andere kant kun je ook aan andere vormen denken, bijvoorbeeld aan een verschrijving.”
            De heer Rouvoet: “Ik wil niet langs elkaar heen gaan praten. Je kunt volgens de wet niet op twee manieren jokken. Ik vat het maar in gewoon Nederlands samen. Volgens mij zegt artikel 14 dat als je gelogen hebt bij het verkrijgen van het Nederlanderschap, de minister kan besluiten tot verlies van het Nederlanderschap. U hoeft dat niet te doen, u hebt daar een afwegings- en een beleidsvrijheid, maar u kunt dat doen. U zegt nu dat dit voor andere situaties is. Wat is nu het verschil tussen de valse verklaring van artikel 14 en uw interpretatie van de Hoge Raad waar het ook gaat om verkeerde feiten?”
            Minister Verdonk: “In artikel 14 staat dat de minister de verkrijging of de verlening van het Nederlanderschap kan intrekken indien zij berust op door de persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. Dat is wat anders. Daarnaast bestaat de rechtspraktijk dat naturalisatiebesluit geen rechtsgevolg heeft als er fictieve of valse persoonsgegevens zijn weergegeven.”
            De heer Rouvoet: “Zo komen wij niet verder en ik probeer het nog een keer. U zegt eigenlijk twee keer hetzelfde met een verschillende conclusie: ik kan het Nederlanderschap intrekken als sprake is geweest van een valse verklaring -letterlijk de tekst van artikel 14- en er is geen Nederlanderschap verleend als er sprake is geweest van een valse verklaring. U kunt dat toch niet naast elkaar laten staan?”
            Minister Verdonk: “Dat zeg ik niet. Als het gaat om het verkrijgen van het Nederlanderschap en het rechtsgevolg niet intreedt, dan komt dat omdat er valse personalia zijn opgegeven; naam, geboortedatum of nationaliteit. Aan de andere kant geldt artikel 14 van de RWN voor valse verklaringen. Iemand zegt bijvoorbeeld dat hij is ingeburgerd, terwijl hij dat niet is, dat hij de naturalisatietoets heeft afgelegd, terwijl hij dat niet heeft gedaan, dat hij getrouwd is met één vrouw, terwijl hij een bigamist blijkt te zijn. Zo is er een aantal andere zaken -deze vallen onder ‘bedrog’ -die leiden tot intrekking van het Nederlanderschap.”

             De heer Rouvoet: “Ik probeer de minister echt te begrijpen. Uit haar woorden maak ik op dat artikel 14 van toepassing is op andersoortige verklaringen en dat de beschikking van de Hoge Raad betrekking heeft op informatie betreffende de identiteit van de persoon.”
            Minister Verdonk: “Dat is inderdaad het onderscheid.”
            Verdonk is als geen enkele andere bewindsman of bewindsvrouw in staat voortijdig allerlei woordvoerders van hun zitbanken los te weken en hen met haar verschrikkelijke verhaal dat de Kamer geen pas verder brengt, naar de interruptiemicrofoon te krijgen. Interrupties zijn bedoeld om alvorens zelf weer aan een nieuwe (meestal tweede) termijn te beginnen, nog een enkele verduidelijking te verkrijging over datgene wat de spreker in de beantwoording vergeten is of dreigt te vergeten. Dan is de interruptie een nuttig en zinvol instrument. Maar zoals het verloop van dit debat zal laten zien is het gebruik van een interruptie voor deze minister aanleiding om weer nieuwe interrupties op te roepen. Minister Verdonk heeft daar vermoedelijk geen zicht op, maar het is wel opzet dat ze niet rechtstreeks antwoord geeft op een concreet gestelde vraag, misschien omdat het juiste antwoord uit beleidsoogpunt pijnlijk is voor haar of omdat ze het juiste antwoord niet weet. Het lijkt er op dat ze de vraag nuanceert terwijl haar antwoord op zich helder maar niet terzake is. Afgaand op haar antwoord, lijkt het dan dat de vraag niet goed gesteld is. Op die wijze kan een debat erg lang worden opgehouden. En in het vuur van het debat heb je daaraan als deelnemer niet gauw genoeg in de gaten wat er gebeurd. Pas als je in staat bent de nodige afstand te nemen, of om een paar dagen later de
Handelingen te lezen, zie je precies wat er speelde. Maar dan is het te laat.

             De voorzitter: “De vier leden die nu bij de microfoon staan, hebben in deze ronde al vragen gesteld. Zo draaien wij echt de hele avond door, maar ik geef hun de gelegenheid om nu nog één toegespitste vraag te stellen. Het debat is nog lang niet voorbij.”
            Mevrouw Halsema: “Voorzitter, het is lastig om slechts één vraag te stellen.”
            De voorzitter: “Stelt u uw vraag en gaat u niet met mij in discussie.”
            Mevrouw Halsema: “Is de redenering van de minister dat zij tot donderdagavond niet op de hoogte was van de werkelijke achternaam van Ayaan Hirsi Ali en dat zij geen afwegingsruimte meer had toen zij daarvan op de hoogte raakte?”
            Minister Verdonk: “Het eerste gedeelte is in ieder geval juist: tot donderdagavond was ik niet op de hoogte van een andere naam. Ik wist niet dat Ayaan Hirsi Ali daarover had gelogen. Vrijdagochtend heb ik het onderzoek laten starten. Dit onderzoek moeten alle mensen ondergaan die het aangaat. Daar had ik dus niet zo veel tijd voor nodig. Haar verklaring was heel duidelijk en daarmee is het rechtsgevolg niet ingetreden; dat heb ik haar kenbaar gemaakt.”
            De voorzitter: “Het woord is aan de heer Verhagen.”
            Mevrouw Halsema: “Voorzitter, mag ik alstublieft een vervolgvraag stellen?”
            De voorzitter: “De heer Verhagen heeft het woord.”
            De heer Verhagen gaat nu eens proberen of hij de bewindsvrouwe op andere gedachten kan brengen, of dat zij tot enig relativeringsvermogen in staat is. Hij zal trachten in een tweegesprek haar te wijzen op de bijzondere omstandigheden, die zowat door alle woordvoerders meerdere malen is gebruikt als een optie tot een ander oordeel te komen. Als hij er in slaagt Verdonk tot dat inzicht te krijgen is de avond toch niet voor niets geweest.
            De heer Verhagen: “De minister doet alsof zij een willoos instrument is en niet anders kan. Dat ontken ik. Zij vergeet iedere keer een belangrijk aspect. De Hoge Raad heeft gesteld dat een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen, geen rechtsgevolgen heeft, behoudens bijzondere omstandigheden. Die bijzondere omstandigheden vergeet de minister steeds. Een bijzondere omstandigheid kan zijn dat al sinds jaren bekend is dat de vader van Ayaan Hirsi Ali eigenlijk anders heet en zij dus ook. De bijzondere omstandigheid kan er ook in bestaan dat men binnen de clan in Somalië wat vrijer is in naar wie je je noemt. Heeft de minister daarnaar gekeken? Zij doet alsof er voor haar geen enkele vrijheid is om iets anders te concluderen dan zij heeft gedaan. Dat bestrijd ik dus. Zelf twijfelt zij daar ook aan, anders had zij in haar antwoorden niet het woord ‘vooralsnog’ gebruikt.”
            Minister Verdonk: ‘Vooralsnog’ heeft slechts betrekking op het feit dat Ayaan Hirsi Ali nog de mogelijkheid heeft om te reageren. Zo werkt het, dus daarom staat er keurig ‘vooralsnog’. In Somalië worden er namenreeksen gevoerd. De namen van personen in Somalië bestaan uit drie elementen: de eigennaam, de naam van de vader en de naam van de grootvader. Dat geldt ook voor vrouwen. Er wordt dus geen achternaam gevoerd. De namenreeks zoals die in Somalië wordt gevoerd, wijkt niet af van de namenreeksen zoals die in andere landen bestaan. Dit betekent dat ‘Ayaan’ haar eigennaam is, ‘Hirsi’ de naam van haar vader en ‘Magan’ de naam van haar grootvader. Daar komt dus geen ‘Ali’ in voor. Zij staat hier bekend als Ayaan Hirsi Ali terwijl zij dus eigenlijk Ayaan Hirsi Magan heet.”
            Mevrouw Van der Laan: “De minister zegt dat er op basis van de jurisprudentie geen afwegingsruimte meer is voor haar. Is dat een wenselijke situatie? Indien het inderdaad zo is dat de minister geen vrijheid meer heeft om de verkrijging of verlening wel of niet in te trekken, moet dat naar de mening van mijn fractie veranderen. Het gaat dan uiteraard niet om deze ene persoon maar om iedereen die in een gelijksoortige situatie zit.”
            Minister Verdonk: “Er zijn andere mensen die dat ook vinden. Het zou betekenen dat wij over zouden moeten gaan tot een wetswijziging. Ik zie daartoe geen reden. Als mensen liegen over hun naam bij het verkrijgen van het Nederlanderschap, vind ik het een uitermate te verdedigen conclusie dat het rechtsgevolg niet tot stand komt en men geen Nederlander wordt.”
            De heer Bos: “Ik wil eerst even een sprookje uit de wereld helpen. De minister heeft herhaaldelijk gezegd dat met bijzondere omstandigheden in het arrest van de Hoge Raad zaken bedoeld zijn als verschrijvingen en dat daar jurisprudentie over is. Ik weet waar zij dat vandaan heeft. Het staat in het commentaar van de advocaat-generaal bij dat arrest van de Hoge Raad. Dat commentaar maakt geen onderdeel uit van het arrest, is dus geen onderdeel van de jurisprudentie en heeft derhalve op geen enkele wijze wat voor verplichtende werking dan ook voor het handelen van de minister. Het is haar eigen interpretatie. Die mag zij hebben, maar dit commentaar verplicht haar tot niets.
            Ik wil aansluiten op wat mevrouw Van der Laan net zei. Ik roep in herinnering hoe wij hier een tijd geleden een debat hebben gehad over de voetballer Kalou. Daar was ook een bestaande beleidslijn. De minister kon ervoor kiezen om bepaalde bevoegdheden te gebruiken of niet.
            Zij zei toen op een gegeven moment dat zij voor een andere beleidslijn koos omdat zij dat vond passen bij het beleid van het kabinet. Zij wilde strenger worden in die zaken. Dat kan. Dat mag een minister doen. Die ruimte had de minister dus ook nu. Zelfs als alles klopt wat zij heeft gezegd -- ik denk niet dat dit het geval is -- over bestaande jurisprudentie op basis van het arrest van de Hoge Raad, had zij kunnen zeggen: als dit is waar de bestaande beleidslijn toe leidt, kies ik ervoor om vanaf nu een andere lijn in te zetten waarbij ik gebruik maak van artikel 14 van het Rijkswet op het Nederlanderschap en zal ik ervoor zorgen dat er te allen tijde sprake kan zijn van een afweging van belangen. Waarom heeft minister geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een nieuwe lijn uit te zetten?”
            Minister Verdonk: “De heer Bos vraagt mij waarom ik in dit concrete geval geen nieuwe beleidslijn heb ingezet.”
            De heer Bos: “Het gaat niet om dit concrete geval. Het inzetten van een nieuwe beleidslijn heeft gevolgen voor een hele groep gevallen. De aanleiding ervan is echter altijd een concrete uitspraak over een individueel geval. Ik vraag de minister niet om iets te regelen voor mevrouw . Wij hebben allemaal de onredelijkheid gezien die zich manifesteerde in de consequentie van deze lijn voor iemand als Ayaan, en wat mij betreft ook voor een aantal anderen. Kan dat niet aanleiding zijn om te overwegen om met deze materie in het algemeen in vergelijkbare gevallen anders om te gaan? Die mogelijkheid had de minister en die heeft zij niet gebruikt. Ik wil weten waarom.”
            Minister Verdonk: “Ik heb te maken met de huidige wet. Als ik zou kiezen voor een nieuwe beleidsregel, zou ik over moeten gaan tot een wetswijziging. Het uitgangspunt is dat identiteitsfraude leidt tot de vaststelling dat het Nederlanderschap nooit is verkregen. Als men vindt dat wetten en regels moeten worden veranderd, wil ik daar graag met de Kamer over praten. Dit is echter de wet zoals die op dit moment is. De heer Bos kan het daar niet mee eens zijn, maar zo is het wel.”
            De heer Bos: “Ik formuleer buitengewoon zorgvuldig en uitgebreid. Ik haal het voorbeeld aan van Kalou. Er is geen wetswijziging nodig om een andere beleidslijn in te zetten. De minister heeft een zelfstandige bevoegdheid als de wet die mogelijkheid biedt. De wet biedt die mogelijkheid. Er is gekozen voor een invulling in een bepaalde richting. Die heeft onredelijke consequenties. De vraag is nu waarom de minister er niet voor kiest om binnen de mogelijkheden die de wet biedt voor een andere invulling te kiezen die deze onredelijkheid niet kent. Daar is geen wetswijziging voor nodig, net zo min als dat nodig was in het geval van Kalou of in andere zaken.”
            Minister Verdonk: “In het geval van de heer Kalou ging het over artikel 10 van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Het betrof een versnelling, het creëren van een uitzonderingspositie. Op dat terrein heeft de minister wel degelijk een discretionaire bevoegdheid. Het gaat hier om artikel 14 en de rechtspraktijk. Ik citeer uit het arrest van de Hoge Raad: Artikel 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap ziet op gevallen waarin het Nederlanderschap daadwerkelijk door het naturalisatiebesluit is verkregen en niet op gevallen waarin het naturalisatiebesluit met valse of fictieve personalia is verkregen en dus het rechtsgevolg mist. Daar zit dus geen mogelijkheid in om een discretionaire bevoegdheid te gebruiken. Ik kan slechts constateren.”
            De heer Van Beek: “Ik wil graag even terug naar de antwoorden die wij hebben gekregen op de vragen van de heer Nawijn. De minister heeft gesteld dat zij naar aanleiding van de Zembla-uitzending tot nader onderzoek heeft besloten. Dat staat in de eerste zin. De tweede zin luidt dat zij in het kader hiervan een brief heeft gestuurd. Wat is de minister nu allemaal aan het onderzoeken? Ik begrijp dat zij als onderdeel van het onderzoek een brief heeft gestuurd. Waar is zij nu nog mee bezig? Welke zaken onderzoekt de minister ten aanzien van mevrouw Ayaan Hirsi Ali, de procedures en de gewoonten in Somalië, kortom: ten aanzien van alles wat maar denkbaar is? Deze zinnen maken duidelijk dat de minister hiermee bezig is.”
            Minister Verdonk: “Zoals hier ook staat, heb ik op grond van de uitzending van Zembla tot een nader onderzoek besloten. Verder staat er dat ik in het kader daarvan betrokkene per brief heb meegedeeld dat ik dat heb onderzocht. Ik heb u net verteld wat ik heb onderzocht in verband met de namen. Ook heb ik u verteld hoe de lijn in dezen is. Ik heb Zembla gezien en daarna zijn wij verder gaan kijken. Toen zijn wij op een aantal sites en op een uitspraak in The Guardian gestuit. Die bestond al. Dat alles hebben wij neergezet. Vervolgens hebben wij aan mevrouw Hirsi Ali laten weten dat op grond van de uitzending en de gegevens die ik net noemde, vooralsnog moest worden aangenomen dat zij het Nederlanderschap niet had verkregen. Waarom? Omdat zij gewoon het recht heeft om daar binnen zes weken op te reageren.”
            De heer Van Beek: “Mag ik uit de woorden van de minister opmaken dat het onderzoek intussen is afgesloten en dat zij aan de betrokkene een brief heeft gestuurd nadat het onderzoek was afgesloten?”
           Minister Verdonk: “Ja.”

            Nadat de heer Nawijn aan de minister een paar onbenullige plagstootjes had gegeven komt de Gemeentelijk Basis Administratie (GAB) in zicht op grond waarvan bij de asielaanvraag verstrekte onjuiste gegevens kunnen worden rechtgezet. Daar moet eerst aan voldaan worden wil er over de kwestie Hirsi Ali verder gepraat worden.
             Luister, de minister zegt het zelf: “Ayaan Hirsi Ali had geen stukken, dus heeft zij zich in het GBA laten inschrijven op de manier die geëigend is voor iemand geen stukken heeft. Dat kan.
            Hoe nu verder? Laat ik daar eerst op doorgaan. Wij gaan ervan uit dat het Nederlanderschap niet is verleend. Ayaan Hirsi Ali is daarom als vreemdelinge wederom in het bezit van haar verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Het is aan Ayaan zelf om haar juiste persoonsgegevens in de gemeentelijke basisadministratie te laten opnemen. Dat moet eerst gebeuren. Daarna kan er een verblijfsdocument, op de juiste persoonsgegevens gesteld, aan haar worden verstrekt. Als dat gebeurd is, kan zij een verzoek tot naturalisatie indienen. Indien zij aan de voorwaarden daarvoor voldoet, kan haar het Nederlanderschap worden verleend. Het is natuurlijk cruciaal dat in de GBA de juiste personalia zijn opgenomen.
            Ik heb contact laten opnemen met de autoriteiten in de Verenigde Staten. Daarbij is besproken dat Ayaan Hirsi Ali een vluchtelingenpaspoort krijgt. Dat hoeft op voorhand geen problemen op te leveren voor het verkrijgen van een visum voor de Verenigde Staten. Dat wil ik hier bij voorbaat toch even gezegd hebben.”

            Dat gedoe rondom die Gemeentelijke Basis Administratie roept weer een nieuwe discussie op. Met name Femke Halsema maakt zich onderhand wel een beetje boos over het pad dat de minister voor Ayaan Hirsi Ali denkt uit te stippelen en er ontstaat dan ook een pinnig debat tussen hen twee.
            Mevrouw Halsema: “De minister moet het mij toch eens uitleggen. Als ik haar nu hoor, moet er een administratieve operatie op gang komen. Schijnbaar twijfelt zij er helemaal niet aan wie Ayaan Hirsi Ali is. De enige kwestie is, dat er wat personalia moet worden veranderd in de gemeentelijke basisadministratie. Is dat het hele punt?”
             Minister Verdonk: “Wij moeten ook niet doen alsof er niets aan de hand is. Er is een valse naam opgegeven. Er is een verblijfsvergunning verkregen onder een valse naam. Dat is verjaard, maar het moet wel worden rechtgezet in de gemeentelijke basisadministratie. Anders is er ook geen basis om het Nederlandse paspoort te verkrijgen. Dat is de procedure. Die geef ik aan. Ik geef dus aan wat de mogelijkheden zijn.”
            Mevrouw Halsema: “U zegt dus met zoveel woorden dat het niet niks is als er verkeerde gegevens in de basisadministratie terechtkomen, ondanks dat wij geen van allen twijfelen wie Ayaan Hirsi Ali is. Het gaat u dus erom dat de juiste personalia zijn vastgelegd. Dat zij op weg naar de juiste administratie wel haar Kamerlidmaatschap heeft moeten opzeggen, dat is pech.”
            Minister Verdonk: “Ik ga niet over het Kamerlidmaatschap van Ayaan Hirsi Ali. Ik ga ook niet over de beslissingen die zij neemt in haar leven. Volgens mij kan ik hierop dus niet het goede antwoord geven.”
            Mevrouw Halsema: “Hoe kunt u dit zeggen? U weet dat zij, op het moment dat het Nederlanderschap haar ontvalt, of dat wordt vastgesteld dat zij het nooit heeft gehad, geen Kamerlid meer kan zijn. Dat weet u! Op het moment dat u het onderzoek publiek maakte, op het moment dat u – heel erg snel – naar voren trad en terwijl u – want daarmee hoeft u bij mij niet aan te komen – al heel lang wist dat zij Magan heette…”
            Minister Verdonk: Voorzitter. “Hiertegen maak ik bezwaar. Als ik hier zeg tegen mevrouw Halsema dat ik het niet wist, neem ik aan dat mevrouw Halsema dat ook aanneemt.”
            Mevrouw Halsema: “In de meeste gevallen wil ik aannemen wat de minister zegt. Maar kan zij mij eens vertellen wat sinds jaren het e-mailadres van Ayaan Hirsi Ali is?”
            Minister Verdonk: “Geen idee.”
            Mevrouw Halsema: “Ik heb toestemming om het te zeggen. U kent het ook, want u mailt met haar. Magan@tweedekamer.nl. U kent het al jaren!”
            Een geïrriteerde Minister Verdonk met overslaande stem: “Voorzitter!”
            Mevrouw Halsema: “Doet u het dus niet voorkomen alsof u die naam niet kent want, eerlijk gezegd, ik geloof het niet.”
            Minister Verdonk: “Ik wil hier echt afstand van nemen. Ik heb nog nooit gemaild met Ayaan Hirsi Ali, dus ik snap niet waar deze opmerking vandaan komt. Ik ben niet op de hoogte van haar e-mailadres. Dit soort suggesties wijs ik ten zeerste van de hand. Waarom zou ik nu ineens onderzoek gaan doen als ik het al eerder wist? Dan had ik wel eerder onderzoek gedaan! Denkt u dat ik dit een fijne situatie vind? Denkt u dat ik mij hierdoor als mens niet aangesproken voel? Dat voel ik mij wel. Maar ik ben ook minister. En als ik dit soort zaken weet, moet ik maatregelen nemen.”

             De voorzitter: “Dit is nu uitgesproken. Het is tegen elkaar gezegd. Wij gaan door met de hoofdlijn van het antwoord van de minister.”
            Mevrouw Halsema: "Voorzitter. Had u de indruk dat dit niet over de hoofdlijnen ging?"
            De voorzitter: “Jawel, maar wij gaan terug naar de hoofdlijn.”
            De voorzitter is even in de war. Als hij met mevrouw Halsema akkoord is dat het om de hoofdlijn ging, valt er niets meer terug te gaan naar de hoofdlijn, want daar zijn ze al.
            Mevrouw Halsema: “Dit gaat om de kern. Als de minister al veel langer op de hoogte was van de werkelijke achternaam van Ayaan Hirsi Ali -zoals het gros van Nederland, zoals het gros van de VVD, zoals anderen -dan heeft zij in een eerder stadium wel degelijk bijzondere omstandigheden toegekend aan haar situatie en geen redenen gezien om een onderzoek te starten naar haar naturalisatie. De redenering van de minister drijft op het feit dat zij de ware naam van mevrouw Hirsi Ali niet zou kennen. Daarop baseert zij al haar argumenten. En ik betwijfel dat. Ja, ik betwijfel dat.”
            Minister Verdonk: Volgens mij kan ik de twijfel bij mevrouw Halsema niet wegnemen. De redenering van mevrouw Halsema begint nog steeds met het woordje ‘als’ en mijn redenering begint ermee hoe de zaak in elkaar steekt.

            Zoals het in de eerste termijn noodzakelijk bleek om bepaalde woordvoerders stevig aan de tand te voelen met betrekking tot hun twijfelachtige standpunten, zo moet dit in tweede termijn met de minister ook gebeuren. Dat is althans de opvatting van Maxime Verhagen, die het gedraai en het wegduiken van de minister aardig zat begint te worden, ook al bezigt de minister een parmantig taalgebruik. Dus het lange CDA-Kamerlid kruipt naar de interruptie-microfoon en begint een adembenemend tweegesprek.
            De heer Verhagen gaat nu eens proberen of hij de bewindsvrouwe op andere gedachten kan brengen, of dat zij tot enig relativeringsvermogen in staat is. Hij zal in een langdurig tweegesprek trachten haar te wijzen op de bijzondere omstandigheden, die zowat door alle woordvoerders meerdere malen is gebruikt als een optie tot een ander oordeel te komen. Bij de bijzondere omstandigheden denkt een groot deel van de Kamer aan dat het algemeen bekend is om wie het gaat. Als hij er in slaagt Verdonk tot dat inzicht te krijgen is de avond toch niet voor niets geweest.

             De heer Verhagen: “Ik wil even teruggaan naar het betoog van de minister. Zij stapt wel heel vlug over naar de vraag hoe nu verder, maar zij heeft absoluut niet aangegeven op welke wijze het onderzoek heeft plaatsgevonden. Ze heeft ook niet aangegeven of dat zorgvuldig heeft plaatsgevonden, en waarom de bijzondere omstandigheden waarop de Hoge Raad doelt niet gegolden hebben. Ik citeer de Hoge Raad. Het gaat dan om die bijzondere omstandigheden. De Hoge Raad zegt dat ook te denken valt aan gevallen waarin de opgegeven naam een naam is waaronder de naturalisandus ook bekend staat. Stond mevrouw Hirsi Ali in 1997 bekend als mevrouw Hirsi Ali?"
            Minister Verdonk: “Ja. Onder die naam staat zij nog steeds bekend.”
            De heer Verhagen: “In het arrest van de Hoge Raad wordt dat wel een bijzondere omstandigheid genoemd. Het gaat erom dat algemeen bekend is om wie het gaat. Die naam is van belang opdat men weet om wie het gaat. Het is ook terecht dat men wil weten wie iemand is voordat hij of zij Nederlander wordt. Als echter bekend is om wie het gaat, als de persoon in kwestie bekend is, is dat volgens de Hoge Raad een bijzondere omstandigheid waarmee rekening gehouden kan worden.
            De minister heeft dus niet aangetoond dat het onderzoek na donderdag zorgvuldig is uitgevoerd. Zij heeft evenmin aangetoond waarom zij geen gebruik heeft gemaakt van de bijzondere omstandigheden waar de Hoge Raad naar verwijst.”

             Sorry, voor mijn onderbreking, maar ik vrees dat het hier weer helemaal fout gaat. In plaats dat de minister hier ingaat op de geboden gelegenheid om zonder gezichtsverlies de zaal nog te kunnen verlaten beroept ze zich op fraude of het verstrekken van valse identiteitsgegevens, terwijl in de discussie dat station gepasseerd is. Dat schijnt ze niet te begrijpen. Het dwingt Verhagen (en anderen) tot nog scherpere formuleringen en tot het opzoeken van letterlijke teksten om daaruit te citeren.
            Minister Verdonk: “Voorzitter, we praten nog steeds over een situatie waarin sprake is van valse identiteitsgegevens. Daardoor is het rechtsgevolg, het Nederlanderschap, nooit ingetreden. Het gaat in de jurisprudentie om het verschrijven van namen, niet om een heel andere naam.”
            De heer Verhagen: “Voorzitter, ik citeer nu letterlijk: ‘Te denken valt aan gevallen waarin de opgegeven naam of andere persoonsgegevens een kennelijke verschrijving bevatten’ -dat is waar de minister op doelt- ‘of als gevolg van transcriptieproblemen zijn verbasterd, of aan gevallen waarin de opgegeven naam een naam is waaronder de naturalisandus ook bekend staat.’ Dat staat er, en dat vergeet de minister steeds.”
            Minister Verdonk: “Neen, dat vergeet ik niet. Ayaan Hirsi Ali staat bekend onder de naam Ayaan Hirsi Ali. De heer Verhagen stelt dat zij ook bekend stond onder een andere naam.”
            De heer Verhagen: “Neen, ik zeg dat ze bekend stond onder de naam Ayaan Hirsi Ali. De Hoge Raad stelt dat, als zij ook bekend staat als Ayaan Hirsi Ali, en dus niet alleen onder de naam Magan, dit een bijzondere omstandigheid is. Ik herhaal dus mijn vraag of de minister zorgvuldig onderzoek heeft verricht. Wisten de mensen daar om wie het ging toen wij het hier hadden over Ayaan Hirsi Ali?”
            Minister Verdonk: “Er is zorgvuldig onderzoek verricht, maar ik ga toch nog ook even zorgvuldig in op de vraag van de heer Verhagen. Iemand komt het land binnen, geeft een eerste naam op, maar vindt na enige tijd dat hij of zij een tweede naam moet gaan gebruiken. Moeten wij dan meedelen dat de desbetreffende persoon dan dus bekend staat onder twee namen, maar dat dit niet zoveel uitmaakt? Dat kan toch niet? Dat kan de heer Verhagen toch niet bedoelen?”

             Ik neem mijn petje af voor Verhagen, die elke keer weer opnieuw zich van adem voorziet om iemand op langdurige wijze en bovendien gratis onderricht te geven over lezing van arresten en daarin gebezigde termen. Je kunt natuurlijk voor hetzelfde geld ook voor de tegenspeler minister Verdonk datzelfde respect opbrengen, want zonder haar kan het niet zover komen. Echter bij haar gaat het om een in de ogen van de overgrote meerderheid gesignaleerde tekortkoming, wat er toe leidt dat zij de veroorzaker is van de groeiende ergernis en onbegrip en van de lengte van het debat. Het geduld is bij Verhagen nog niet op.
            De heer Verhagen: “Voorzitter, ik citeer de procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden in punt 12. Daarin wordt gesproken over die bijzondere omstandigheden. In dit punt gaat het over de situatie dat je op het moment van het naturalisatieverzoek, dus bij het vaststellen van de identiteit, weet om wie het gaat. Als dus zou worden gevraagd wie de desbetreffende persoon is, dan zou iedereen weten om wie het gaat. Die vraag is echter niet beantwoord. Dat bedoel ik met mijn vraag naar de zorgvuldigheid van het onderzoek.”
             De minister gaat zich nu op het gebruik van één woordje beroepen en denkt Verhagen daarmee vast te pinnen. Het gaat om het woordje ‘bevoegdelijk’ dat door Verhagen in zijn citaat is weggelaten. Nou kan het gebruik van één woordje erg belangrijk zijn. Het kan verschil maken tussen leven en dood. Maar hier en in dit verband is het schieten op gebakken lucht, want dit woordje heeft hier geen betekenis, omdat de situatie waar het op slaat niet van toepassing was. Maar Verdonk gaat verder.
            Minister Verdonk: “Ik heb de uitspraak inmiddels ook bij de hand. Daar staat volgens mij een heel belangrijk woordje in dat de heer Verhagen niet voorlas. Ik citeer: ‘Te denken valt aan gevallen waarin de opgegeven naam of andere persoonsgegevens een kennelijke verschrijving bevatten of als gevolg van transcriptieproblemen zijn verbasterd, of aan gevallen waarin de opgegeven naam een naam is waaronder de naturalisandus ook bekend staat en die door hem bevoegdelijk is gevoerd.’ Dat is in dit geval niet zo.”
            De heer Verhagen: “Was mevrouw Hirsi Ali in 1997 bekend als mevrouw Hirsi Ali?”
            Minister Verdonk: “Het gaat om twee namen die allebei bevoegdelijk zijn gevoerd. Dat is in dit geval niet zo.”
            De heer Verhagen: “Mijn vraag is of mevrouw Hirsi Ali daar bekend was onder die andere naam.”
            Minister Verdonk: “Ayaan Hirsi Ali had dan -dat staat hier- ook bekend moeten staan onder haar andere naam en zij had beide namen bevoegdelijk moeten kunnen voeren. Er staat namelijk: ‘..... waarin de opgegeven naam een naam is waaronder de naturalisandus ook bekend staat en die door hem volgens het toepasselijke recht bevoegdelijk is gevoerd’".

            Je moet van goeden huize komen om niet je televisiescherm in gruzelementen te gooien en jezelf wat aan te doen. Je moet jezelf in dergelijke situaties, waarin men je tot het uiterste tergt, ook al omdat je als kijker geen weerwoord kunt geven, goed in de hand hebben, om erger te voorkomen. Het kan toch niet waar zijn dat iemand, ook al is het een minister, zo veel tijd en ruimte krijgt om als een mantra te herhalen wat ze eerder reeds uitvoerig heeft meegedeeld. De voorzitter zou dit toch wat beter dienen te bewaken, ook al is de minister een partijgenoot van hem. Of heeft dat er niets mee te maken? OK, dan zou hij minimaal de schijn dienen te vermijden dat ze in een bevoorrechte positie verkeert, door haar er op te wijzen dat ze gestelde vragen dient te beantwoorden. Je zou haast denken dat de één een taal spreekt die de ander niet begrijpt.

            Ze erkent niet dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid waarop zij zich zou kunnen beroepen om tot een ander oordeel over de rechtsgevolgen van de aanvraag voor het Nederlanderschap te komen dan nu het geval is. Een en ander maal wijzen Verhagen en andere woordvoerders op de uitleg die aan het arrest van de Hoge Raad dient te worden gegeven en waarin die bijzondere omstandigheid een plaats krijgt. Mevrouw Verdonk, af een toe een woordspelinkje of kwinkslag gebruikend beroept zich telkens weer op wat anders.

 

            De heer Van As, kon zo zijn weggelopen bij een amateur toneelvereniging omdat hij nooit goed de klemtoon wist te leggen, kenmerkt zich in zijn bijdrage niet als iemand met veel dossierkennis en historisch gevoel en voor wie dit gekissebis eigenlijk maar een verloren avond is. Vanaf 1996 tot aan het moment dat hij op de lijst van Pim Fortuyn het parlement binnenstapte was hij in Alphen aan de Rijn actief in het vastgoed als bemiddelaar en adviseur. Ofschoon hij in zijn woonplaats het ooit tot wethouder heeft geschopt en in Rotterdam beleidsadviseur schijnt te zijn geweest, was hij nimmer van spraakmakende betekenis. Ook nu blinkt hij niet uit in het geven van een zinvolle bijdrage als hij met zijn zwarte haren onder een glimmende laag haarcrème de weg naar het spreekgestoelte heeft gevonden.

              De heer Van As: “De minister is nog steeds met haar beantwoording bezig. Zij heeft heel duidelijk aangegeven wat de rechtsmogelijkheden van mevrouw Hirsi Ali zijn. Zij kan reageren naar aanleiding van de brief die de minister heeft doen uitgaan, enzovoort. Dat wordt dus een normale procedure. Wij respecteren dat in hoge mate, want wij moeten dat hier vanavond in dit Sanhedrin niet gaan overdoen.
            De minister heeft ook duidelijk gezegd dat de zaak op een fatsoenlijke manier kan worden afgedaan, als mevrouw Hirsi Ali met de juiste gegevens komt, zoals een geboorteakte. Wellicht kan ook worden volstaan met een echtscheidingsakte. Als Zembla haar ex-man in Canada kan opsporen, moet dat via de Nederlandse ambassade ook kunnen en moet er ook een echtscheidingsakte zijn. Daarom verzoek ik de minister om te proberen, de juiste informatie boven tafel te halen zodat de zaak ten aanzien van Ayaan op een fatsoenlijke wijze kan worden afgedaan. De minister heeft ook gezegd dat, als Ayaan met de juiste gegevens komt -ik sluit niet uit dat die te achterhalen zijn- zij nog een andere procedure in gang kan zetten. Dat heb ik althans uit haar woorden begrepen. Volgens mij is dit veel belangrijker dan al het gekissebis van vanavond.”
            Minister Verdonk: “Het klopt dat mevrouw Hirsi Ali zelf eerst naar de GBA moet gaan. Het kan zijn dat zij daar een geboorteakte of andere stukken, zoals aan echtscheidingsakte, kan achterhalen. Als zij haar geboortejaar of haar identiteit kan laten zien, kan zij een nieuwe inschrijving krijgen in de GBA. Vervolgens zal zij een nieuw verblijfsdocument krijgen met haar eigenlijke naam. Daarna kan zij, als zij dat wil, een nieuw naturalisatieverzoek indienen.”

            Opgelost toch? Waar maken die 149 zich nog druk om? Waarom begrijpt die Tweede Kamer niet dat het zo simpel is en dit allemaal niet nodig is?
            Mevrouw Van der Laan: “Ik wil nog even de discussie over de uitspraak van de procureur-generaal afronden. Wij hadden het net over paragraaf 12. Daarin staat: te denken valt aan gevallen waarin de opgegeven naam ..... Dat is een voorbeeld. Er staat niet dat dit uitsluitend of alleen in dat geval zo is. De minister zegt steeds dat zij niet anders kon, maar het is gewoon een voorbeeld.
            Dan kom ik nog even op de laatste zin. Deze is nog niet voorgelezen, maar daar staat: ‘In deze gevallen betreffen de vermelde gegevens de naturalisandus en kunnen hem ook identificeren.’ En daar gaat het om. Zij was heel duidelijk te identificeren; wij wisten om wie het ging.”

            Mevrouw Van der Laan gaat er van uit dat minister Verdonk alsnog omgaat na haar laatste toevoeging, ook al begrijpt nu onderhand iedereen in het land dat betrokkene slechts als Ayaan Hirsi Ali kon worden geïdentificeerd. Maar Rita Verdonk weet daar wel antwoord op.
            Minister Verdonk: “Als wij ons niet willen houden aan de voorbeelden of de conclusie van de procureur-generaal, laten wij dan gewoon teruggaan naar het arrest van de Hoge Raad. In dat arrest staat: "Het middel dat ten betoge strekt dat een naturalisatiebesluit waarin onjuiste persoonsgegevens zijn opgenomen wél rechtsgevolg heeft, mits duidelijk is -zoals in het onderhavige geval- op welke personen het besluit het oog heeft gehad, gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. De rest van dit arrest heb ik al een aantal keren voorgelezen."
            Mevrouw Van der Laan (D66): Die discussie gaan wij dan ook niet overdoen. Ik zie echter dat de minister de procureur-generaal alleen maar in de strijd werpt zolang het werkt, maar dat het arrest niet aangehaald mag worden als het als tegenargument wordt gebruikt. Dit staat er evenwel ook in.”
            Mevrouw Van der Laan: “Die discussie gaan wij dan ook niet overdoen. Ik zie echter dat de minister de procureur-generaal alleen maar in de strijd werpt zolang het werkt, maar dat het arrest niet aangehaald mag worden als het als tegenargument wordt gebruikt. Dit staat er evenwel ook in.”
            Minister Verdonk: “Ik ben niet degene die dit naar voren heeft gebracht. Ik heb net duidelijk gemaakt wat hier staat. Mevrouw Van der Laan zegt dat dit slechts een voorbeeld is. Daarom zeg ik: laten wij teruggaan naar het arrest van de Hoge Raad. Volgens mij is dat heel duidelijk.”

            SP-er de heer De Wit komt de zaak nog eens even ‘verbreden’. Want het moet Verdonk toch duidelijk gemaakt worden dat alles wat zij met betrekking tot Ayaan Hirsi Ali naar voren brengt, natuurlijk ook voor al die andere asielzoekers geldt.
           De heer De Wit: “De minister zegt dat het eigenlijk heel simpel is voor mevrouw Hirsi Ali: zij kan naar de Gemeentelijke Bevolkingsadministratie gaan en daar de juiste gegevens overleggen. Vervolgens vindt daar een wijziging plaats waarna zij een nieuw verzoek om naturalisatie kan indienen. Zo begrijp ik de minister. Geldt deze procedure alleen voor mevrouw Hirsi Ali of geldt die voor iedereen? Ik vraag dit omdat er de afgelopen dagen talloze advocaten zijn geweest die ons berichten dat asielzoekers die genaturaliseerd zijn en fouten hebben gemaakt, bijvoorbeeld, zoals in dit geval, het opgeven van een verkeerde naam, linea recta het land worden uitgezet nadat de fraude is gebleken. Is de procedure die de minister nu schetst alleen voor mevrouw Hirsi Ali bestemd of geldt die voor iedereen? Dit zou een buitengewoon belangrijk punt zijn voor de mensen wier Nederlandse nationaliteit opeens niet blijkt te hebben bestaan en die in feite in dezelfde situatie verkeren als mevrouw Hirsi Ali.”
            Minister Verdonk: “Ook deze mensen kunnen naar de GBA gaan en daar heel duidelijk maken wat hun naam is. Zij moeten dat onderbouwen met documenten of met de verklaring van drie of vier getuigen. Dit geldt voor iedereen, niet alleen voor Ayaan Hirsi Ali.”            “Is twee niet genoeg”, zou ik hier interrumperen. 
            De heer De Wit: “Weet u ook zeker dat de IND dit weet en dat die niet overgaat tot uitzetting of wat voor maatregelen dan ook, maar mensen in de gelegenheid stelt om dit in orde te maken en een nieuw verzoek in te dienen?”
            Minister Verdonk: “Wij hebben het over twee zaken, namelijk over de Rijkswet op het Nederlanderschap en over de Vreemdelingenwet. Als je niet voldoet aan de vereisten van de Vreemdelingenwet, kun je het land uitgestuurd worden indien je geen status hebt of je status wordt ingetrokken. Bij de Rijkswet op het Nederlanderschap gaat het alleen om de Nederlandse nationaliteit. Op grond van het intrekken van de Nederlandse nationaliteit word je het land niet uitgezet.”

            Ook de heer De heer De Wit kan van zijn vasthoudendheid blijk geven: “Tenzij iemand een vergunning voor bepaalde tijd had. Mevrouw Hirsi Ali heeft een vergunning voor onbepaalde tijd. Die herleeft kennelijk. Dat kan je niet zeggen van een vergunning die verlopen is.”
            Minister Verdonk: “Mevrouw Hirsi Ali had ook een A-status, een vluchtelingenstatus; dit is inderdaad een vergunning voor onbepaalde tijd. Bij een vergunning voor bepaalde tijd zal een betrokkene dezelfde handelingen moeten verrichten en duidelijk moeten maken wie hij is. Ik zeg nogmaals dat ik het opgeven van valse personalia, op welk moment dan ook in de procedure, ten stelligste afwijs; dat kan de heer De Wit zich voorstellen.
            Er is gevraagd of mevrouw Hirsi Ali nu stateloos is. Betrokkene heeft een asielstatus en heeft dus gewoon een recht tot verblijf in Nederland. Het is verder primair aan de overheid van het land van herkomst om iets te zeggen over de Somalische nationaliteit. Ik neem aan dat mevrouw Hirsi Ali nog steeds over de Somalische nationaliteit beschikt. Zij heeft in ieder geval een status in Nederland en zij krijgt ook een vluchtelingenpaspoort.”

            Hier krijgt de heer Wilders en anderen eindelijk antwoord over het verwijt dat ze campagne aan het voeren is, in plaats van zorgvuldigheid in haar besluitvorming te betrachten.
            Minister Verdonk: “Hetgeen de heer Wilders heeft gezegd over een verband dat er zou bestaan tussen deze kwestie en mijn kandidaatstelling voor het lijsttrekkerschap is pertinent onjuist. Ik ben minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Ik neem die functie zeer serieus. Ik benadruk dan ook dat deze kwestie helemaal niets te maken heeft met mijn kandidaatstelling. Het past ook helemaal niet in dit soort situaties. Ik heb mij de laatste dagen alleen maar vanuit mijn functie als minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie met deze zaak beziggehouden. Dat betekent dat ik daarover ook geen contacten heb onderhouden met bijvoorbeeld mijn campagnecommissie, zoals zo-even werd gesuggereerd.
             De heer Van der Vlies heeft nog een vraag gesteld over het tijdsverloop. Een niet rechtsgeldig Koninklijk Besluit tot naturalisatie kan niet door het verlopen van de tijd rechtsgeldig worden, aangezien het nooit is verleend op die naam. Ongeacht de vraag hoe lang het geleden is, op het moment van constatering geldt deze regel en dus ook de uitspraak van de Hoge Raad.”

De minister neemt in de volgende discussie met de heren Van der Vlies en De Wit nu méér tijd om uiteen te zetten waarom ze die tijd niet nodig had voor haar oordeelsvorming over Ayaans naturalisatiegeschiedenis.
            De heer Van der Vlies: “Ik denk dat de minister mij verkeerd heeft begrepen, maar misschien heb ik mij onzorgvuldig uitgedrukt. Waar het mij om ging, en enkele collega's ook, heb ik begrepen, is dat een paar keer binnen 24 uur een volstrekte evolutie is ontstaan in het beeld. Het noodzakelijke karakter daarvan is mij tot nu toe ontgaan. De minister stelt een nader onderzoek in. De bevindingen daarvan kunnen haar heel snel hebben bereikt, maar zij kunnen ook een tijd onderweg zijn. Als je zorgvuldigheid als vereiste stelt, kun je daar een poosje over doen. Maar nee, even later was daar die brief. Dat was de timing zoals ik bedoelde.”
            Minister Verdonk: “Er is vrijdag een onderzoek gestart. Er is in het weekend meerdere malen contact geweest. Ik heb ook meerdere malen contact gehad met de IND. Er is het weekend doorgewerkt. Gistermorgen om tien uur had ik een afspraak met een aantal juristen en een aantal mensen van de IND. Toen waren de eerste gevolgtrekkingen bekend. Toen heb ik gezegd: ik wil dat er nog nader onderzoek wordt gedaan. Daar is gisteren aan besteed. Om vijf uur zijn wij weer bij elkaar geweest en toen lag de zaak zoals hij nu ook ligt. Mij restte slechts om de constatering te maken zoals ik net heb geschetst.”
            De heer Van der Vlies: “Ik kan mij voorstellen dat die besluitvorming er gekomen zou zijn, maar ik kan mij ook voorstellen dat zij wat langer onderweg zou zijn. Daar kun je ook heel strategische, op de persoon gerichte overwegingen bij hebben, want het is wel pijn en consternatie. Dan moet je er in een bepaalde afweging de ander ook wel eens even tijd voor geven.”

            De minister komt in haar antwoord aan Van der Vlies nog eens terug op de door haar betrachtte snelheid en wijst er op dat de Tweede Kamer altijd belang hecht aan snelheid en termijnen. Daarom dus!
            Minister Verdonk: “Ik ben het helemaal eens met de heer Van der Vlies. Dat is de reden dat het gisteren toch nog eens doorgekeken is. De reden waarom ik heel snel naar de Kamer heb gereageerd, is dat ik vond dat dit mijn taak was. Wij praten over een parlementslid. Ik denk dat de Kamer dan ook recht heeft om het zo snel mogelijk te weten nadat de uitslag van het onderzoek bekend is. Vandaar dat ik de Kamer daarover snel heb ingelicht.”
            De heer De Wit: “De vraag aan de minister blijft natuurlijk toch: waarom nu? Waarom moet dat met zo'n vliegende vaart gebeuren? De minister heeft zojuist op vragen van mijn kant zelf aangegeven dat er mogelijkheden bestaan om op een geruisloze manier een en ander te veranderen, dat ze maar naar de GBA hoeft te gaan, dat ze een nieuw verzoek kan indienen, enzovoorts. Waarom laat zij dat niet gebeuren? Waarom neemt zij meteen deze beslissing of schrijft zij meteen deze brief? Waarom op dit moment? Wat zit daar achter?
            Minister Verdonk: “Daar zit niets achter dan een televisie-uitzending. Ik heb het citaat al een aantal keren voorgelezen, waarin Ayaan Hirsi Ali heel duidelijk uitdroeg dat zij niet de waarheid had verteld en twee namen aangaf. Ik ben dat heel snel gaan onderzoeken, omdat het een parlementslid betreft. Ik kwam er in het weekend achter dat het ook betekent dat de verkrijging van het Nederlanderschap geen rechtsgevolgen heeft gehad, dus nooit tot stand is gekomen, dus dat zij de Nederlandse nationaliteit niet heeft. Vooralsnog is de conclusie dat zij deze niet heeft. Ik vond het mijn plicht om de Kamer daar zo snel mogelijk van in kennis te stellen. Dat is de reden geweest.”

            Terug naar de bijzondere omstandigheden, want daar is De Wit nog niet mee klaar.
            De heer De Wit: “De minister heeft in dit debat duidelijk gemaakt dat zij eigenlijk niet heeft gekeken naar de bijzondere omstandigheden. In de Kamer zijn allerlei voorbeelden genoemd op grond waarvan wij kunnen vaststellen dat de minister niet heeft onderzocht of er bijzondere omstandigheden waren. Waarom heeft zij dat niet onderzocht? Waarom heeft zij daar de tijd niet voor genomen? Waarom heeft zij mevrouw Ayaan Hirsi Ali niet gewezen op de mogelijkheid die kennelijk voor iedereen bestaat, om de zaak te herstellen? Dan was die hele heisa gewoon niet nodig geweest.
             De minister heeft in dit debat duidelijk gemaakt dat zij eigenlijk niet heeft gekeken naar de bijzondere omstandigheden. In de Kamer zijn allerlei voorbeelden genoemd op grond waarvan wij kunnen vaststellen dat de minister niet heeft onderzocht of er bijzondere omstandigheden waren. Waarom heeft zij dat niet onderzocht? Waarom heeft zij daar de tijd niet voor genomen? Waarom heeft zij mevrouw Ayaan Hirsi Ali niet gewezen op de mogelijkheid die kennelijk voor iedereen bestaat, om de zaak te herstellen? Dan was die hele heisa gewoon niet nodig geweest.”
            Minister Verdonk: “Nogmaals, ik heb geen besluit genomen. Ayaan Hirsi Ali heeft zelf gemeld dat zij een verzonnen verhaal heeft verteld en dat haar eigenlijke naam anders is dan de naam Ayaan Hirsi Ali. Het enige wat er dan gebeurt, is dat er geen rechtsgevolg is ingetreden, dus dat het Nederlanderschap niet is verleend. Stel dat ik dit niet aan de Kamer had laten weten, terwijl de Kamer snel informatie wil, waar ik altijd aan tegemoet probeer te komen. Als ik weet dat er een parlementslid is dat vooralsnog niet de Nederlandse nationaliteit bezit, behoort de Kamer dat toch direct te weten?”

             De heer De Wit, die het als oud-advocaat voor een groot publiek aardig toegankelijk kan maken: “Wat is hier aan de orde? Mevrouw Ayaan Hirsi Ali heeft haar Nederlanderschap nooit gekregen. Zij is parlementslid af en nu zegt u: oké, dan heb ik nog een doekje voor het bloeden; vraag je Nederlanderschap maar opnieuw aan. U hebt op deze manier nogal wat aangericht. Waar is de zorgvuldigheid gebleven? Had dit niet beter in de tijd uitgesmeerd kunnen worden, zodat u kon zoeken naar mogelijkheden om desnoods gebruik te maken van bijzondere omstandigheden, mevrouw Ayaan Hirsi Ali desnoods een aantal suggesties te doen enzovoort? Nee, u hebt het nu naar buiten gebracht, met desastreuze gevolgen.”
            Minister Verdonk: “Nogmaals, voor de duidelijkheid: het gaat helemaal niet om een doekje voor het bloeden. Ik geef alleen aan wat een vervolgtraject zou kunnen zijn als mevrouw Ayaan Hirsi Ali dat zelf wil. Wat "bijzondere omstandigheden" betreft: ik heb geen afweging gemaakt en ik heb geen besluit genomen; ik heb alleen maar de constatering gedaan. Alles wat de heer De Wit hier probeert te zeggen, ligt dus helemaal niet in mijn macht. Ik heb alleen de constatering gedaan dat de verlening van het Nederlanderschap in rechte gewoon niet tot stand is gekomen.”

            Hoe lang hou ik dit nog vol? Ik weet van eerdere metingen van de Dienst Kijk- en Luisterdichtheid dat naarmate een dergelijke debatavond vordert, het aanvankelijke aantal kijkers flink gedecimeerd wordt. Ik bevind me in een in rap tempo kleiner wordende groep en ga mezelf belangrijk vinden. Ik heb de behoefte mij ook te laten horen ofschoon mijn lichaam inmiddels de horizontale stand heeft aangenomen en over de bankleuning heen blijf ik oogcontact met s’lands vergaderzaal houden. Halsema snijdt nog eens de opmerkelijke snelheid van handelen aan. Het spel gaat weer verder.
            Mevrouw Halsema: “Toch blijft het verbazingwekkend dat u plotseling binnen twee dagen de resultaten heeft gepresenteerd, terwijl u als geen ander weet dat de wettelijke termijn om de Kamer te beantwoorden, drie weken is en verlengd kan worden tot zes weken. Meestal gebruikt u die termijn immers ten volle. Mijn vraag is evenwel een andere. Ik heb dat punt in eerste termijn naar voren gebracht, maar u hebt daar nog niets over gezegd. Bij mijn weten geldt de termijn van zes weken voor bezwaar ook voor geheimhouding. De vraag is dus waarom u dit bekend heeft gemaakt. Dat heeft mogelijk ook gevolgen voor de ruimte die Ayaan Hirsi Ali heeft om gebruik te maken van het argument van de bijzondere omstandigheden. Die ruimte raakt daardoor beklemd.”

            Maar Verdonk gaat volstrekt voorbij aan die belangrijke vraag van Halsema over de geschonden geheimhouding. Zij negeert het bewust.
            Minister Verdonk: “Ik heb de Kamer heel duidelijk meegedeeld dat ik vooralsnog uitga van de zaak zoals die nu ligt -- ik heb dat al een aantal keren toegelicht -- en dat het nu aan mevrouw Hirsi Ali is om te reageren. Dat kan zij morgen doen en daar kan zij ook nog een tijdje mee wachten. Dat is aan haar.”

             Zoals later zal blijken heeft het College Bescherming Persoonsgegevens in de zaak Taïda Pasic geoordeeld dat minister Verdonk onrechtmatig heeft gehandeld door in die concrete zaak vertrouwelijke gegevens naar buiten te brengen. Hier betreft het zelfs een parlementslid en mag er nog zwaarder aan dit feit gehecht worden. Jammer dat niemand dit aspect van het schenden van de vertrouwelijkheid meer oppakt.
            Mevrouw Halsema: “De vraag is waarom u dit bekend heeft gemaakt terwijl pas over zes weken meer duidelijkheid ontstaat. Is het niet veel gebruikelijker -- behoord het zelfs niet zo te zijn -- dat het in die periode van zes weken niet bekend wordt gemaakt? Nu u het wel bekend hebt gemaakt, dreigt er een patstelling die vandaag overigens al verschrikkelijke gevolgen heeft gehad.”
            Minister Verdonk: “Ik heb op grond van twaalf vragen van de heer Nawijn de Kamer alleen heel kort bekendgemaakt hoe de procedure is. Meer heb ik niet bekendgemaakt.”
            Mevrouw Halsema: “Dat is toch geen antwoord op de vraag? De vraag is heel eenvoudig: waarom hebt u het bekendgemaakt? Bij een uitstel tot zes weken houdt u zich zelfs aan de Kamerregels. Volgens mij had u dan procedureel veel juister gehandeld dan nu, nu u Ayaan Hirsi Ali gisteravond en vandaag gewoon voor de leeuwen hebt geworpen.
            Minister Verdonk: “Ik begrijp dit niet van mevrouw Halsema. Zij zegt: ook al weet de minister na een onderzoek dat een Kamerlid niet de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, dan wil de Kamer dat niet weten. Ik kan mij dat niet voorstellen. Ik vond het, juist omdat het een parlementslid was, mijn plicht om de Kamer daarvan meteen in kennis te stellen.”

             Mevrouw Van der Laan mengt zich wederom in het debat en vormt samen met Halsema een duo dat met niet aflatende ijver Verdonk uitdaagt te bekennen dat ze volgens een Kamermeerderheid fout zit en het hoofd moet buigen. Van der Laan begint over een ‘flitssnel’ onderzoek en brengt de vermeende statenloosheid van Ayaan Hirsi Ali ter sprake.
            Mevrouw Van der Laan: “Er is een flitssnel onderzoek geweest. Ik vind het belangrijk dat de Kamer kan bepalen of dat een zorgvuldig onderzoek is geweest. Daarom heb ik daar twee vragen over. Ten eerste: heeft de minister contact opgenomen met de Somalische autoriteiten om vast te stellen of Ayaan door deze constatering eventueel stateloos zou kunnen worden? Dat lijkt mij een belangrijk onderdeel van het onderzoek. Ten tweede: heeft de minister contact opgenomen met de voorzitter van de Tweede Kamer om te achterhalen wat de staatsrechtelijke implicaties zijn van het wegvallen van dit Kamerlid, nee sterker nog, van het feit dat wij al die tijd kennelijk met een soort illegaal Kamerlid hebben gezeten en dat wij dus met 149 Kamerleden aan de slag zijn geweest, wat ongrondwettelijk is?”
            Minister Verdonk: “Ik heb geen contact gehad met de Somalische autoriteiten. Zojuist heb ik opgemerkt dat de Somalische autoriteiten zelf bepalen of Ayaan Hirsi Ali de Somalische nationaliteit nog heeft. Zij beschikt in ieder geval over een vluchtelingenpaspoort.
            Gisteren heb ik de Kamervoorzitter uitgenodigd en hem op de hoogte gesteld van de gang van zaken. Hij heeft mij tijdens dat gesprek gevraagd om de Kamer snel te informeren. Dat heb ik gedaan en het is nu aan de Kamer om beslissingen te nemen over de zaken waarover mevrouw Van der Laan spreekt. Ik kan slechts zeggen dat het Nederlanderschap niet geacht is te zijn verleend.”
            Mevrouw Van der Laan: “Mag ik uit de woorden van de minister concluderen dat in het onderzoek niet de vraag is betrokken of Ayaan Hirsi Ali nu staatloos is? De minister heeft immers geen contact gehad met de Somalische autoriteiten.”

            In deze fase van het debat wordt het nog gekker als blijkt dat iemand met de Somalische nationaliteit tot gisteren lid van ons parlement is geweest. Luister naar de minister.
            Minister Verdonk: “Ik neem aan dat Ayaan Hirsi Ali de Somalische nationaliteit heeft. Iemand doet afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit als hij de Nederlandse nationaliteit krijgt. In dit geval is het Nederlanderschap nooit verkregen, dus ik ga uit van de status quo waarvan indertijd sprake was. Daarnaast beschikt Ayaan over een vluchtelingenpaspoort, dus zij kan gewoon reizen en naar de VS gaan. Ayaan Hirsi Ali is dus niet staatloos.”
           Mevrouw Van der Laan: “Ik wijs de minister op het VN-verdrag tegen de staatloosheid. Van de minister heb ik begrepen dat het aan de Somalische overheid is om te bepalen of Ayaan Hirsi Ali de Somalische nationaliteit nog heeft. Misschien hebben de Somalische autoriteiten gedacht dat Ayaan de Nederlandse nationaliteit heeft. In dat geval hebben zij de Somalische nationaliteit wellicht ingetrokken. Zij kan dus staatloos zijn. Dat heeft de minister echter niet betrokken bij haar onderzoek.”
            Minister Verdonk: “Ik wijs erop dat Ayaan voorlopig nog steeds de Nederlandse nationaliteit heeft. Zij is toch gewoon Nederlandse? Ayaan Hirsi Ali heeft zes weken de tijd om te reageren.”

            Wat is dat nou? Nog geen minuut geleden was Ayaan Hirsi Ali nog Somalische, en nu …. oh, ik zie mevrouw Van der Laan de microfoon in haar hand nemen.
            Mevrouw Van der Laan: “Wij hebben zojuist meer dan een uur gesproken over het feit dat Ayaan Hirsi Ali de Nederlandse nationaliteit nooit heeft verkregen! Hoe kan de minister nu zeggen dat zij de Nederlandse nationaliteit nog bezit?”
           Sorry Lousewies, ze is Somalische. Dat zei Verdonk toch zelf net?
            Minister Verdonk: “Nu gaat het weer over het woordje ‘vooralsnog’. Ik heb gezegd dat dit mijn constatering is. Zij krijgt nu zes weken de tijd om te reageren. Het is voor haar zelfs mogelijk om een civiele procedure bij de rechter te starten. Pas dan wordt het vastgesteld.”
            Mevrouw Van der Laan: “Dit staat volledig haaks op het betoog van de minister waarin zij heeft gezegd dat Ayaan Hirsi Ali de Nederlandse nationaliteit nooit heeft verkregen. Het is nog sterker: zij heeft gezegd dat er geen enkele ruimte was. Als er opeens ruimte is om in beroep te gaan, kan zij toch niet zomaar constateren dat er geen enkele ruimte was?”

             Het wordt allemaal erg ingewikkeld omdat nou ook parlementariërs niet bij de les blijven. De minister zei zo-even dat Ayaan Hirsi Ali de Somalische nationaliteit had. Daarnaast kan ze binnen zes weken reageren op de voorlopige constatering van de minister. Van een besluit daarop kan ze bij de burgerrechter in beroep komen. Ik snap het wel: de minister moet om. Grijp dan daarvoor naar het middel dat dat effect beoogd of zeg het vertrouwen in de minister op. Dat is bij mij en de resterende tienduizenden kijkers de meest voor de hand liggende optie na dit allemaal aangehoord te hebben. Echter de Kamer gaat verder.
            Minister Verdonk: “Voor Ayaan Hirsi Ali is er nu ruimte voor verhaal. Dat is de gebruikelijke procedure.”
            De heer Verhagen: “Ik luister met stijgende verbazing naar de woorden van de minister. Zij stelt dat het niet mogelijk is om iets anders te concluderen. Het is echter de vraag of dat vaststaat, want Ayaan Hirsi Ali kan nog zes weken reageren. De minister heeft in eerste instantie gezegd dat alles vaststaat. Zij heeft gezegd dat zij dit moet doen en dat zij tot deze conclusie moest komen.”
            Verhagen staat nog steeds bij de microfoon en is schijnbaar nog niet klaar met haar. Hij is duidelijk verbaasd en geïrriteerd maar gedraagt zich hoffelijk. Hij kan zich goed inhouden, maar komt nu ook al niet meer tot de kern van de zaak. Hij grijpt terug naar wat Zalm vanmiddag op die persconferentie gezegd heeft over Verdonks snelheid van handelen en heeft het nog eens over welk nieuws in de Zembla documentaire aan de orde is geweest. Alsof dat Verdonk tot inkeer kan doen brengen. Naarmate het debat vordert is te zien dat parlementariërs zich door Verdonk op zeer bekwame wijze het bos laten insturen. Maar Verhagen laat zich niet ontmoedigen. Wat is het trouwens een tijdlang stil bij de VVD. Dit doet pijn doen. Ze zouden liever niet hebben dat het werd uitgezonden allemaal. Kranten moesten morgen verboden worden te verschijnen. Dit is toch onverdraagzaam.
            De heer Verhagen: “Graag verneem ik van minister Verdonk wat haar mening is over de opmerkingen die minister Zalm vanmiddag heeft gemaakt. Hij heeft twee duidelijke punten naar voren gebracht. Op de eerste plaats heeft hij gezegd dat hij twijfels heeft over de snelheid waarmee minister Verdonk een conclusie heeft getrokken. Zijn vraagtekens plaats ik bij die van mijzelf ten aanzien van de zorgvuldigheid.
            Op de tweede plaats was hij verbaasd over het feit dat minister Verdonk blijkbaar op grond van de uitzending van Zembla tot de conclusie is gekomen dat Ayaan Hirsi Ali een andere naam heeft gebruikt. Dat stond immers ook in haar boek. Minister Verdonk heeft die woorden zojuist letterlijk geciteerd.”
            Minister Verdonk: “Ik heb de Kamer geantwoord dat ik in dat kader betrokkene per brief heb medegedeeld dat op grond van deze uitzending en de nu bekende gegevens vooralsnog moet worden aangenomen dat zij geacht wordt het Nederlanderschap niet te hebben verkregen, dit in lijn met jurisprudentie van de Hoge Raad. Betrokkene heeft de mogelijkheid hier na verzending van deze brief binnen zes weken op te reageren. Dat is naar de Kamer gegaan. Dat is de procedure.”
            De heer Verhagen: “De vraag is wat de zin daarvan is voor Hirsi Ali. Waarom zou zij dat doen als de conclusie van de minister onomstotelijk is? De minister zegt immers niets anders te kunnen doen.”
            Minister Verdonk: “Zij moet altijd de mogelijkheid hebben om haar verweer te geven. Dat is onderdeel van de procedure.”
            De heer Verhagen: “Het gaat mij niet om de procedures. Die hebben een bepaald doel. Die zijn in het leven geroepen vanwege de mogelijkheid dat de minister het wel eens fout kan hebben. De minister doet echter alsof zij het niet fout kan hebben door te stellen niets anders te kunnen doen dan zij heeft gedaan. Dat waag ik te betwijfelen.”
            Minister Verdonk: “Nee. Ik heb gedaan wat ik kon om alle informatie te achterhalen. Die heb ik ook in de brief aan Ayaan Hirsi Ali kenbaar gemaakt. In die brief heb ik geschreven wat ik ook aan de Kamer heb gezegd. Vooralsnog moet hiermee rekening gehouden worden. Dat is altijd onderdeel van de procedure. Ik neem aan dat de heer Verhagen hecht aan een zorgvuldige procedure en dat betrokkene binnen zes weken kan reageren.”
            De heer Verhagen: “Die reactie van haar binnen zes weken zou dan tot een andere conclusie kunnen leiden dan die van de minister?”
            Minister Verdonk: “Zij heeft in Zembla iets gezegd. Als zij alsnog bewijst dat wat zij in Zembla heeft gezegd, namelijk dat zij een valse naam heeft gebruikt, toch niet zo is, zal ik daar consequenties aan verbinden. Daar gaat het om.”

             Ik realiseer mij op dat moment niet de draagwijdte van wat de minister hier zegt. Later in dit proces blijkt het van eminent belang. Maar ook geen parlementariër heeft in de gaten dat hier door Verdonk een tweede leugen verlangd wordt om de eerste leugen ongedaan te maken. Dan is er eigenlijk niets aan de hand. De minister is zelfs bereid daaraan consequenties te verbinden. Maar helaas, niemand doorziet de truc. Het debat gaat door.
            De heer Verhagen : “Ik kom op dit punt niet veel verder. Laten wij doorgaan naar het volgende punt, de reactie op minister Zalm.”
            De voorzitter: “Er is nog een tweede termijn.”
            Minister Verdonk: “Ik heb collega Zalm zeer hoog. Hij heeft vanmiddag een aantal zaken gezegd. Daarover verschillen wij wat van mening. Ik heb wel degelijk een heel zorgvuldige procedure toegepast. Ik vond dat ik het snel moest doen omdat ik de Kamer wilde inlichten.”

             Nou mijnheer Verhagen, wilde u dat nou horen? Dat ik kon u voorspellen dat dit het antwoord zou worden. En nou zie ik tot mijn verbazing en lichte opwinding dat de heer Van Beek zich wat zuinigjes naar de interruptiemicrofoon beweegt. Hij heeft zich kennelijk opgeladen, want wat volgt is een minutieus debat dat over millimeters gaat. Maar toch...
            De heer Van Beek: “Deelt de minister de conclusie van de VVD-fractie dat mevrouw Hirsi Ali in de komende zes weken beschikt over de Nederlandse nationaliteit en dat zij, als zij dat had gewild, in die weken lid had kunnen blijven van de Kamer?”
            Minister Verdonk: “Wij gaan uit van de constatering die ik heb gedaan, namelijk dat er geen Nederlanderschap is verleend. Die constatering ligt er. Ayaan Hirsi Ali kan daarop binnen zes weken reageren. Dan zal ik mijn uiteindelijke conclusie bekendmaken.”
            De heer Van Beek: “Dat is niet mijn vraag. Waarvan is in de komende zes weken sprake? De minister heeft een constatering uitgesproken met de mogelijkheid om binnen zes weken tegenargumenten te geven. Dat weegt zo zwaar dat de minister zelfs in staat kan zijn om tot een andere beslissing te komen, namelijk als die argumenten van doorslaggevende betekenis zijn. De vraag is, mede naar aanleiding van wat de minister eerder heeft gezegd, wat de positie is van Ayaan Hirsi Ali in de komende zes weken.”
            Minister Verdonk: “Zolang zij geen verweer heeft gevoerd, gaan wij ervan uit dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft. Als door haar verweer duidelijk wordt dat zij een valse naam heeft opgegeven, is het Nederlanderschap niet verleend.”

            Een ander moment waarop minister Verdonk laat blijken dat er niets aan de hand is en dat de bal bij Ayaan Hirsi Ali ligt. Zij heeft het lot in eigen hand. Het kan volgens haar linksom of rechtsom. Ayaans verweer kan die duidelijkheid geven. Wederom geen Kamerlid die het in de gaten heeft en dit oppakt. Ook Van Beek niet die de minister behoorlijk trotseerde daar haar te kapittelen en te zeggen dat hij geen antwoord op zijn vraag kreeg. Hij gaat onverstoorbaar verder, want hij moet het lijstje van zijn fractie natuurlijk wel afwerken.
            De heer Van Beek: “De VVD-fractie had graag gezien dat Ayaan Hirsi Ali de komende zes weken had gewerkt als Kamerlid. Het was haar eigen afweging om anders te beslissen. Had zij de komende zes weken gewoon als Kamerlid mogen functioneren?”
            Minister Verdonk: “Daar gaat ik niet over, maar de Kamer zelf. Ik kan alleen maar zeggen wat ik heb geconstateerd!”
            De heer Van Beek: “Dat is vreemd! Een van de formele vereisten voor het lidmaatschap van deze Kamer is het Nederlanderschap. Ik probeer er achter te komen hoe het nu precies zit in deze interim-periode. Als de minister zegt dat Ayaan Hirsi Ali nog de Nederlandse nationaliteit heeft, dan voldoet zij dus nog aan dat formele vereiste van de Kieswet. Maar, als u zegt dat zij de Nederlandse nationaliteit niet meer heeft, dan treedt daar verandering in op. Ik begrijp niet waarom u mijn stelling niet bevestigt of ontkent, maar ik zou wel graag willen weten waarom!”
            Minister Verdonk: “Ik heb de Kamer heel duidelijk meegedeeld dat vooralsnog moet worden aangenomen dat zij geacht wordt het Nederlanderschap niet te hebben verkregen. Vooralsnog. Het wachten is op haar lezing en als die er is, kunnen wij de uiteindelijke conclusie trekken. De Kamer gaat over het lidmaatschap van de Kamer en niet ik!”
            De heer Van Beek: “Mag ik het nog een keer proberen!”
            Zo is die Van Beek wel. De heer Van Beek gaat verder: “Die formulering ken ik, maar wanneer gaat het besluit in? Gaat dat in nu u het kenbaar hebt gemaakt of op het moment waarop de beroepsperiode, die zes weken, voorbij is? Wat is het moment waarop uw constatering rechtskracht krijgt?”
            Minister Verdonk: “De constatering heb ik haar nu kenbaar gemaakt en ik heb haar in de brief ook gezegd dat zij zes weken de tijd heeft om te reageren. Daarna komt mijn uiteindelijke constatering, want het is geen besluit, ik kan niets intrekken, het is een constatering!”
            De heer Van Beek: “Is mevrouw Hirsi Ali op dit moment Nederlandse?”
            Minister Verdonk: “Ja!”
            De heer Van der Vlies: “Dan is dus uw brief aan mevrouw Hirsi Ali, waarin u uw constatering doet, niet anders te beschouwen dan een aankondiging van het feit dat als zij niet met weerlegging komt van de gegevens waarop die constatering stoelt, over zes weken haar paspoort wordt ontnomen?”

           Nee Van der Vlies, ze zou volgens minister Verdonk een kwartier geleden de Somalische nationaliteit hebben. Ze heeft dat nog uitgelegd. De kans is groot dat ze op Van der Vlies bevestigend zal antwoorden.
            Minister Verdonk: “Ja!”
            De heer Van der Vlies: “Dat is de casus?”
            Minister Verdonk: “Ja!”

             Daar heb je het!. Op Verdonks rechtlijnigheid kun je dus ook niet vertrouwen. Niks geen ik doe wat ik zeg. Ik mis nu Wilders en Nawijn die als enigen de harde lijn van Verdonk voorstaan en geen gedoogbeleid willen, ook niet ten aanzien van Ayaan Hirsi Ali, en ook al is dat een Kamerlid. Maar de heren zijn even plassen of de draagwijdte ontgaat ook hen.

             De heer Rouwvoet betrapt de minister er op dat ze het de ene keer heeft over een constatering en de andere keer over een besluit. Hij wil hierover volstrekte helderheid hebben. Uiteindelijk krijgt hij die waarbij de minister op haar uitgangsstelling terugvalt en het muggenziften, met alle waardering voor Rouwvoet en anderen, weer van voor af aan kan beginnen.

             De heer Rouvoet: “De begrippen lopen mij nog te veel door elkaar. Er wordt gesproken over een besluit, maar u zegt elke keer dat het een constatering is. Tegen een constatering kun je echter geen bezwaar maken. De vraag voor mij blijft dan wel wat er de komende zes weken kan of moet gebeuren om u tot het inzicht te brengen dat u een verkeerde constatering hebt gedaan. U had twee dagen nodig om de conclusie te trekken dat u nul komma niks ruimte had dan voor de constatering dat er geen sprake is van verlening van het Nederlanderschap. Uit uw verhaal begrijp ik dat die ruimte er de komende zes weken wellicht kan zijn om tot een andere conclusie te komen, een andere constatering, want er kunnen door betrokkene kennelijk nieuwe feiten worden ingebracht die u tot een andere constatering zouden kunnen brengen. Vindt u het zelf dan handig en zorgvuldig om tot die snelle conclusie te komen als u zegt dat u in theorie over zes weken wellicht een andere constatering zou kunnen doen?”
            Minister Verdonk: “Ja, dat vind ik nog steeds heel zorgvuldig. Ik heb dat onderzoek gedaan en ben tot de constatering gekomen. Ik heb die kenbaar gemaakt aan betrokkene en die heeft volgens de formele procedure zes weken de tijd om daarop te reageren. Volgens mij ben ik steeds heel zorgvuldig geweest, ook naar de Kamer toe, want het gaat om een lid van het parlement. Dat is de reden dat ik tegen de Kamer heb gezegd dat dit vooralsnog mijn constatering is.”
            De heer Rouvoet: “Dan kom ik bij de laatste stap. In het licht van het verhaal van de minister en overweging 12 in de conclusie van de procureur-generaal is er in mijn ogen maar één argument dat de minister tot de conclusie kan brengen dat zij de verkeerde constatering heeft gedaan in haar brief van gisteren…”

 

            Plotseling raak ik … wakker. Ik hoor het vertrouwde geluid uit de vergaderzaal. Ik herinner me nog mijnheer Rouwvoet die met Verdonk bezig was. Ik ben vast heel even weg geweest, want ik zie Rouwvoet daar nog staan bij die katheder. Hij voert het woord. Ik zal maar gauw aansluiten voordat ik wat kwijt ben.

             “… De minister heeft juridisch helder neergezet hoe het zit met de valse gegevens. Zij concludeerde dat mevrouw Hirsi Ali in 1997 niet alleen bekend moest staan onder die naam maar dat zij ook bevoegd moest zijn om die te dragen. Dat was het cumulatieve vereiste van de procureur-generaal. Het staat buiten twijfel dat zij onder die naam bekend was. Het enige wat de minister de komende zes weken nog tot de conclusie kan brengen dat zij een verkeerde constatering heeft gedaan, is dus dat aannemelijk wordt gemaakt dat mevrouw Hirsi Ali bevoegd was om die naam te dragen. Anders is het einde oefening; dat is de boodschap van de minister.”
           Minister Verdonk: “Het Somalisch namenrecht is heel duidelijk: haar naam zou ‘Ayaan Hirsi Magan’ moeten zijn. Zij heeft zich ingeschreven onder de naam ‘Ayaan Hirsi Ali’. Ik wil duidelijkheid over wat nu haar echte naam is; dat is waar het om gaat.”
            Hebben ze het daar nog over.
            Mevrouw Van der Laan: “Ik vroeg de minister net of zij in haar onderzoek ook heeft gekeken naar de staatsrechtelijke implicaties: een Kamerlid blijkt geen Nederlandse te zijn geweest. Zij heeft de Kamervoorzitter na afloop van het onderzoek geïnformeerd, maar dat gesprek was volgens haar geen onderdeel van het onderzoek. Dat verbaast mij. Als iemand nooit Nederlandse is geweest, had zij nooit Kamerlid kunnen zijn. In dat geval hebben wij hier al die tijd, drieëneenhalf jaar, ongrondwettelijk met 149 in plaats van 150 Kamerleden gewerkt. Waarom heeft de minister de implicaties daarvan niet in haar onderzoek betrokken? Wellicht heeft zij dat wel gedaan, maar dan hoor ik dat graag.”

            Minister Verdonk: “Nogmaals, ik constateer slechts dat het Nederlanderschap niet is verleend. Ik ga niet over welke conclusies de Kamer of de Kamervoorzitter daaruit trekt.”

 

            De heer Rouwvoet komt echt met wat nieuws en dat maakt het weer wat levendig omdat het niet drie, vier keer en ook nog een paar keer door de minister is herkauwd. Hij heeft nog één belangrijke slotvraag en dat betreft het feit of minister Verdonk een collega minister of de minister-president deelgenoot heeft gemaakt van haar besluitvorming alvorens mevrouw Ayaan Hirsi Ali die brief te sturen. Het is ook voor Wouter Bos aanleiding op een gegeven moment zich in het debat te moeien en daarbij de staatloosheid van Ayaan Hirsi Ali aan de orde te stellen, omdat hierover nog steeds geen duidelijkheid zou bestaan.
            De heer Rouvoet: “De minister heeft nog één expliciete vraag van mij niet beantwoord. Ik heb haar rechtstreeks gevraagd of zij met andere bewindslieden en in het bijzonder met de minister-president over deze zaak heeft gesproken. Ik vroeg haar of zij toen haar constatering er was met name de minister-president, omdat het hier gaat om een lid van de volksvertegenwoordiging en dus de medewetgever, en ook andere leden van het kabinet heeft gesproken over deze constatering en de manier waarop deze naar buiten zou worden gebracht.”
            Minister Verdonk: “Ik heb de minister-president gesproken en ik heb hem ingelicht over waar ik mee bezig was, direct en via de ambtelijke lijn.”
            De heer Rouvoet: “Mag ik daaruit de conclusie trekken dat er overeenstemming was over de procedure? Ik vraag dat omdat twee ministers naar buiten hebben gebracht dat zij verbaasd zijn over de snelheid waarmee de constatering is gedaan en de procedure is gevolgd, onder wie de minister-president als ik dat goed heb begrepen uit de media. Als de minister-president zelf zegt dat hij zich verbaast over de snelheid waarin het proces is verlopen, roept dat bij mij de vraag of dit zorgvuldig binnen het kabinet en in het bijzonder met de minister-president is besproken. Dat lijkt mij namelijk zeer aangewezen omdat het om een zwaarwegende en ingrijpende kwestie in ons staatbestel gaat.”
            Minister Verdonk: “Ik heb op een aantal momenten contact gehad met de minister-president en dit is met hem besproken. Ook ambtelijk is deze zaak met hem besproken en is men geïnformeerd.”
            De heer Rouvoet: “En hij steunde deze lijn?”
            Minister Verdonk: “Ik heb hem geïnformeerd.”
            De heer Rouvoet: “Kunt u de vraag of hij deze lijn steunde niet met ja of nee beantwoorden?”
            Minister Verdonk: “Ik heb hem duidelijk gemaakt voor welke lijn ik heb gekozen en ik heb hem daarover geïnformeerd.”
            De heer Bos: “Hebt u hem geïnformeerd voordat of nadat u de brief aan mevrouw Hirsi Ali had geschreven?
            Minister Verdonk: “Ik heb hem eerst geïnformeerd voor ik de brief heb geschreven. Ik heb hem eerst overdag geïnformeerd en daarna heb ik op zijn voicemail ingesproken wat ik had gedaan. Ondertussen is er ook ambtelijk contact geweest.”
            Ik wil dit helemaal niet weten. Mogen we misschien weer naar de hoofdlijn van het debat mijnheer de voorzitter?
            De heer Bos: “Heeft hij op geen enkele wijze inhoudelijk bezwaar gemaakt tegen de afweging die u had gemaakt met betrekking tot de inhoud van de brief en de timing ervan?”
            Minister Verdonk: “Hij zette een vraagteken bij de snelheid, bleek mij achteraf. Dat was niet gebleken op ambtelijk niveau. Wij hadden afgesproken dat er ambtelijk contact zou zijn als wij elkaar niet konden bereiken. Dat ambtelijke contact heeft plaatsgevonden. Er is goed overleg geweest.”

             Wouter Bos wil het over de nationaliteit van Ayaan Hirsi Ali hebben en over het ontbreken van kennis bij Verdonk over de personalia, terwijl heel Nederland, inclusief de VVD-top, wist hoe de vork in de steel zat.
           De heer Bos: “Ik heb nog één vraag ter verduidelijking. Begreep ik nu goed uit de discussie tussen de minister en mevrouw Van der Laan over het risico van statenloosheid van Ayaan Hirsi Ali dat het uitgangspunt van de minister is dat dit in essentie een afweging is die door de Somalische overheid moet worden gemaakt en dat zij heeft gedaan wat binnen haar verantwoordelijkheid ligt?”
            Minister Verdonk: “Ja. Zij heeft natuurlijk nog de Nederlandse nationaliteit. Er is geen duidelijke Somalische overheid. Met betrekking tot vluchtelingen is er eigenlijk geen contact met de autoriteiten van het land van herkomst. Daarom heeft zij ook die vluchtelingenstatus.”
            De heer Bos: “Is het de minister bekend dat het staand beleid bij de Somalische overheid is dat een Somalische burger de Somalische nationaliteit verliest op het moment dat hij de nationaliteit van een ander land verkrijgt?”
            Minister Verdonk: “Ja, dat is precies waar het om gaat. Zij wordt geacht het Nederlanderschap nooit te hebben verkregen. De stelling is dan dat de Somalische nationaliteit nog steeds bestaat.”

             Ik heb geturfd. Bij het begin van het debat had Ayaan Hirsi Ali niet meer de Nederlandse nationaliteit. Die was door de verkeerde personalia niet ingetreden. Daarna heeft Ayaan Hirsi Ali volgens Verdonk de Somalische nationaliteit gehad. Ongeveer een kwartier geleden werd dit ontkend en was Ayaan Hirsi Ali staatloos, hoewel Verdonk dat niet zo benoemde. Na doorvragen van Kamerleden veranderde dat in Nederlandschap, voorlopig althans. En nu stelt ze dat Ayaan Hirsi Ali toch de Somalische nationaliteit moet hebben. Recht door zee dus met deze minister. Wouter Bos laat vervolgens zien dat haar verhaal geen steek houdt, ook al omdat Verdonk geen enkel contact heeft gehad met de Somalische autoriteiten over deze zaak.
           De heer Bos: “Die Somaliërs volgen natuurlijk ook helemaal hoe het in Nederland gaat. Het lijkt mij iets waarschijnlijker dat de Somalische overheid in 1997 heeft kunnen constateren dat Ayaan Hirsi Ali feitelijk, zoals iedereen, inclusief zij zelf, begreep, over de Nederlandse nationaliteit beschikte. Het is ook zeer waarschijnlijk dat op dat moment of snel daarna de Somalische nationaliteit is ingetrokken. Als dat het geval is -dat zou kunnen blijken de komende weken- is dat voor de minister een relevante overweging om wellicht niet de beslissing te effectueren die zij nu voor over zes weken heeft aangekondigd?”
            Minister Verdonk: “Ik wacht voorlopig de reactie van mevrouw Hirsi Ali af en daarna zal ik de uiteindelijke constatering maken.”
            De heer De Wit: “Voorzitter. Zoals eerder gesteld, heeft de heer Zalm vandaag twee dingen gezegd, ten eerste over de snelheid en ten tweede dat hij al heel lang wist, namelijk sinds het moment dat mevrouw Hirsi Ali op de lijst werd geplaatst, wat nu nog eens naar buiten is gekomen. Dat was allemaal al bekend. Hoe kan het dat minister Zalm, de vertegenwoordiger in dit kabinet en, zo begrijp ik, de leider van de zelfde partij als die waarvan de minister lid is, het wel weet en de minister niet? Hoe kan het dat zij het niet weet, terwijl het binnen de VVD-fractie algemeen bekend was, zo begrijp ik van de heer Zalm en andere VVD-prominenten die vandaag aan het woord zijn geweest?”
            Minister Verdonk: “Die woorden zijn voor rekening van de heer Zalm. Ik kan nogmaals zeggen dat ik het niet wist.”
            Voor wiens rekening zouden die anders zijn mevrouw Verdonk?
            Onze notoire vastgoedhandelaar Van As mengt zich ook nog eens in het debat: “Over het volgende bestaat volgens mij een groot misverstand. De Kamer heeft net vragen gesteld over de Somalische nationaliteit. Mijn voorlopige conclusie is dat mevrouw Ayaan Hirsi Ali, geboren in 1967, niet bestaat. Op de officiële naam die zij bij haar geboorte heeft gekregen, Hirsi Magan, geboren in 1969, zou zij dus in wezen nog rechten kunnen claimen. Is dat juist, ja of nee? Wij praten over de gefingeerde naam van een persoon die nooit in Somalië heeft gewoond. Die nationaliteit kan dus nooit zijn afgenomen.”
            Minister Verdonk, enigszins beduusd over wat er nu, uit de uit de peilingen tot nul gereduceerde LPF-fractie, naar voren komt houdt dit echter voor een plausibele redenering. “Ik ga dit na en kom er in de tweede termijn op terug.”

             Het is dan over tienen als de Kamervoorzitter een schorsing aankondigt tot kwart voor elf. Dat lijkt me te overbruggen. Tegen kwart voor elf zit ik weer voor het scherm waar ik naar een stille camera-instelling kijk. Vervolgens komt er na enige minuten een tekst in beeld dat de schorsing is verlengd tot half twaalf. Ja, ik ben nou al zo lang blijven zitten, ik wil nou wel weten hoe dit afloopt. Je kunt je toch niet al die tijd als volwassenen laten ringeloren om vervolgens te doen alsof er niets aan de hand is. Ik wil het einde meemaken. Maar ik maak het mee dat er nog een keer wordt verlengd. Het zijn de eerste uurtjes van woensdag de 17e mei als de Kamervoorzitter de tweede termijn aankondigt en de kijkers verontschuldigd voor de door enkele fracties aangevraagde verlengingen.

            De tweede termijn wordt geopend door Femke Halsema die ook de aanzet gaf voor de eerste termijn. In belangrijke mate brengt zij naar voren wat de Tweede Kamer in overgrote meerderheid beroert. Zij zet nog éénmaal glashelder uiteen waar het bij Verdonk aan schort en wat nu van haar kant zonder zijsprongetjes verwacht wordt. In de schorsing heeft er allerlei overleg plaatsgevonden. Handig dat er een Ferry Mingelen is die je daar van op de hoogte brengt, zodat de schok niet al te groot is. Halsema is in ieder geval uit dat overleg gebleken dat de VVD-fractie een motie zal indienen die door haar fractie en andere fracties gesteund zal worden. Mijn lichaamshouding is nu niet meer horizontaal, maar ik zit recht op het puntje van mijn stoel. Kom maar, jongens. Ik ben er weer klaar voor.

            Mevrouw Halsema: “…De minister heeft betoogd dat zij tot donderdagavond eigenlijk een onbeschreven blad was en dat zij als een van de weinigen in het land niet op de hoogte was van de werkelijke naam, Magan, en de werkelijke geboortedatum van Ayaan Hirsi Ali. De minister lijkt hierbij steeds de indruk te wekken dat het gaat om de minister als persoon en haar persoonlijke kennis over de naam Magan en de geboortedatum. Het gaat mij echter om de minister als instituut, en de kennis bij haar medewerkers op het ministerie en bij haarzelf. Eerlijk gezegd, kan ik mij nog steeds niet voorstellen dat die kennis niet aanwezig was.
            Ik heb in eerste termijn gesproken over mails. Wellicht is het goed om daarover op te merken dat het mij ook wat dat betreft gaat om correspondentie tussen de minister en Ayaan Hirsi Ali. De minister heeft zelf vermeld dat er memo's zijn geweest en dat er eerder onderzoek is gedaan door de IND naar de omstandigheden van mevrouw Hirsi Ali. Ik verzoek de minister die memo's openbaar te maken, want ik ben benieuwd of daarin gegevens staan over haar naam en geboortedatum. Als dat het geval is, hadden die bekend moeten zijn bij de minister.
            Mijn fractie vraagt zich af of de minister en haar medewerkers de naam en de geboortedatum van Ayaan Hirsi Ali al niet in een veel eerder stadium hadden kunnen weten en daar dus naar hadden kunnen handelen. Als dat zo is, ontvalt daarmee de rechtmatigheid aan de snelle reactie dit weekend. Wij zijn ook ontevreden over de onzorgvuldigheid waarmee vanaf donderdag is gehandeld. Ik wijs voorts op de onzorgvuldigheid bij het initiëren van het onderzoek: eerst niet, daarna wel. Ik wijs verder op de communicatie met betrokkene, met Ayaan Hirsi Ali en de onduidelijkheid die daarmee voor haar ontstond: op vrijdag had ze niets te vrezen, maar op zaterdag werd toch een onderzoek aangekondigd. Ik noem ook de plotselinge snelheid van het onderzoek en de openbaarmaking van de beslissing. Het lijkt erop, zowel wat betreft de snelheid van het onderzoek als wat betreft de beslissing om het besluit openbaar te maken, dat de minister heeft geredeneerd dat het belang van de Kamer boven het individuele belang van betrokkene ging. Dat verbaast mij, want het gaat hier om de zorgvuldige behandeling van de belangen van een individueel Kamerlid dat al jaren in ons midden verkeert. Bovendien heeft de minister een volstrekt verkeerde keuze gemaakt, want uit het debat blijkt dat de Kamer helemaal niet op de hoogte wilde worden gesteld van de voorlopige beslissing, de vooralsnog-beslissing. Het ging de Kamer om het definitieve oordeel. Dat mag toch wel uit het debat worden gedestilleerd.
            Door voortijdig bekend te maken dat er vooralsnog geen sprake is van Nederlanderschap, heeft Ayaan Hirsi Ali een onomkeerbare, maar onvermijdelijke stap genomen en is de Kamer in wezen buiten spel gezet. Er is dus een verkeerde beslissing genomen.
            De minister stelt dat haar brief aan de Kamer onvermijdelijk was. Wij blijven dat bestrijden. Wij zijn niet overtuigd van de juistheid en de onvermijdelijkheid van de route die zij heeft gekozen. De mogelijkheid van artikel 14 en de verwijzing in het arrest naar de bijzondere omstandigheden die kunnen leiden tot een afwijkende beslissing, blijven bestaan. Dan blijft over dat de beslissing van de minister van een onredelijke hardheid is of, om met Ayaan Hirsi Ali te spreken, een disproportionele sanctie is op het niet verstrekken van de juiste gegevens over de namen.
            Mijn fractie vindt dan ook dat het leed hersteld dient te worden. De beslissing dient heroverwogen te worden in het licht van alle bijzondere omstandigheden waarin mevrouw Hirsi Ali verkeert. Vanzelfsprekend was het mijn bedoeling om hierover een motie in te dienen, maar ik laat het initiatief liever aan de VVD-fractie, de fractie waaruit Ayaan Hirsi Ali afkomstig is. Bovendien heeft de VVD-fractie een motie gemaakt met ongeveer dezelfde strekking als de motie die ik zelf in gedachten had. Ik ondersteun die motie dan ook van harte.
            Streng vreemdelingen- en naturalisatiebeleid bestaat bij de gratie van het vermogen tot empathie en het kennen en behouden van de menselijke maat. Dit is het ultieme voorbeeld van een situatie waarin dat zoek lijkt te zijn geraakt. Regels zijn regels, dat wordt steeds herhaald, ook als die regels alle rechtvaardigheid ontberen. Regels dienen echter de mensen; mensen moeten niet de regels dienen. De minister kan het nu zelf merken dat haar eigen beleid en haar formele eendimensionale opstelling als een boemerang terugkeren. Het wordt de hoogste tijd voor bezinning op deze zaak en de hardheid. De minister zou, wat mij betreft, moeten heroverwegen. Ik doe nogmaals een appèl op haar. Voor het geval zij niet is overtuigd van mijn inhoudelijke motieven, geef ik tot slot een politieke reden. Ik heb vandaag nog geen minister, geen collega zijn volledige steun horen uitspreken voor de beslissing die minister Verdonk heeft genomen. Ik kan dan ook alleen maar constateren dat de minister een groot politiek probleem heeft.” 

            Op voortreffelijke wijze heeft Halsema Verdonk geïsoleerd van de rest van de ministers, maar, en dat is nog veel belangrijker, vooruitlopend op het indienen van de motie spreekt ze de verwachting uit dat de VVD en haar minister in de toekomst eenzelfde coulantie bij asielaanvragers zullen betrachten als vandaag bij deze ene zaak gebleken is. Van Beek kan mij niet gauw genoeg naar het sprekersgestoelte komen. Hij lijkt veel langzamer te lopen.
            De heer Van Beek: “…In het debat is het vooral gegaan om de vraag naar de juridische interpretatie van aan de ene kant de wet en aan de andere kant eerdere uitspraken van de Hoge Raad. De minister vond daarin geen extra ruimte. De diverse fracties hebben in het debat wel gezocht naar mogelijkheden om een plaats te geven aan deze specifieke situatie. Op zichzelf bestaat er geen politiek verschil van mening, maar een juridisch verschil van mening over de vraag of er nog ruimte is of niet. Ik hoop echt dat de zes weken die nu beschikbaar zijn, op het ministerie benut kunnen worden om dit mee te nemen uit het debat en om dit nog eens met deze hele denktank te bezien."
            Van Beek doet een ultieme poging om Verdonk weer in beweging te krijgen. Ik kan me niet voorstellen dat een werknemer bij een bedrijf of grote organisatie die het zo verknald heeft, als waarvan hier volgens 149 mensen en enige tienduizenden kijkers sprake is, op zoveel mededogen kan rekenen als Verdonk gegeven wordt. Natuurlijk, Van Beek moet het een beetje verpakken omdat het zijn eigen minister is. Maar het stellen van grenzen lijkt niet iets waarvan Van Beek ooit gehoord heeft. Voor een bescheiden backbencher, waarvan niemand voor het aftreden van Jozias van Aartsen gehoord heeft, is dit natuurlijk wel een hele krachtproef.
            De heer Van Beek: “De minister heeft gezegd dat het onderzoek is afgerond. Ik heb begrepen hoe zij dit bedoelt, maar ik heb in mijn eigen aantekeningen "maar toch?" staan. Ik vraag de minister de komende zes weken alle informatie die zij kan krijgen en kan vinden, of die mede naar aanleiding van opmerkingen die hier gemaakt zijn wellicht toch nog opgevraagd moet worden, te gebruiken om de eindafweging te maken. Laat zij, met andere woorden, ook zelf blijven doorzoeken.
            De procedure die wij vanavond besproken hebben, geeft ruimte om binnen zes weken, als Ayaan Hirsi Ali haar overwegingen gegeven heeft, opnieuw tot een afweging te komen; wordt het standpunt gehandhaafd of zijn er dan nieuwe feiten, omstandigheden of interpretaties? Ik nodig de bewindslieden uit om gebruik te maken van deze mogelijkheid. Als na afloop blijkt dat het allemaal niet anders kan en als de huidige lijn uiteindelijk overeind blijft, dan is er de wens om te komen tot een nieuw naturalisatieverzoek en de spoedige behandeling daarvan, opdat opnieuw tot besluitvorming kan worden overgegaan. Die wens leeft bij mij en ik heb gevoeld dat die wens ook vrij breed leeft in de Kamer.
            Dan kruipt die Van As weer uit zijn dug-out: “Mag ik uit de woorden van de heer Van Beek afleiden dat hij zaken als de extra souplesse, ruimte en dergelijke die hij nu aan de minister vraagt, op grond van het gelijkheidsbeginsel ook van toepassing wil laten verklaren op ieder ander die vanwege het geven van onjuiste informatie het land moet verlaten? Je kan er mijns inziens namelijk niet omheen dat op basis van genoemd gelijkheidsbeginsel de hekken dan open komen te staan voor heel veel andere gevallen. Ik ben erg benieuwd hoe de minister daarop reageert.”
            De heer Van Beek: “Ik heb vandaag heel nadrukkelijk gezegd dat ik geen aparte procedure voor Ayaan wil en dat hierbij het principe geldt van gelijke monniken, gelijke kappen. Ik vraag alleen hoe de bijzondere omstandigheden waarvan sprake is, een plaats hebben gekregen in dit proces. Anders gezegd: kan het of kan het niet? Op basis van welke procedure kan het? Kan het op basis van artikel 14 of op basis van overweging 3.3 van de Hoge Raad? Ik zoek naar oplossingen en ik vraag de minister om mee te zoeken in de komende weken, daar waar een definitieve eindbeslissing noodzakelijk is."
            De heer Van As: “Als u dat zo vraagt aan de minister, betekent het dus dat dit op basis van het gelijkheidsbeginsel ook in alle andere gevallen van toepassing moet worden verklaard.”
            De heer Van Beek: “Ja, natuurlijk. Ik vraag niets speciaals.” 

            Maar dat is natuurlijk helemaal niet waar Van As, Nawijn en Wilders om verlegen zitten. Die kant moet het niet opgaan volgens hen. Maar ze kunnen niet voorkomen dat er een motie wordt ingediend waar de namen van Van Beek (VVD), Verhagen (CDA), Van der Laan (D66), Bos (PvdA) en Halsema (GroenLinks) onder staan 

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat thans een onderzoek loopt naar de achtergronden van mevrouw Hirsi Ali met betrekking tot het vraagstuk rond de verkrijging van haar Nederlandse nationaliteit;

voorts overwegende dat vooruitlopend op de resultaten van het onderzoek de minster van V&I al de conclusie heeft getrokken dat vooralsnog moet worden aangenomen dat zij geacht wordt het Nederlanderschap niet te hebben verkregen, dit in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad;

wijst de minister op de ruimte voor een afwijkend rechtsgevolg in geval van een bijzondere omstandigheden, welke de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.3 van bedoelde beschikking uitdrukkelijk beschrijft;

wijst de minister tevens op de ruimte die artikel 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap biedt, waarbij de minister een afweging moet maken tussen betrokken belangen en omstandigheden;

verzoekt de regering, te komen tot een heroverweging van het vooralsnog ingenomen standpunt;

verzoekt de regering voorts, bij die heroverweging alle bijzondere omstandigheden te betrekken rond de achtergrond van mevrouw Hirsi Ali en de in de overwegingen bedoelde ruimte die de jurisprudentie en de wet bieden ook nadrukkelijk te gebruiken;

verzoekt de regering ten slotte, in geval deze heroverweging niet tot een andere conclusie kan leiden dan dat de Nederlandse nationaliteit nooit door mevrouw Hirsi Ali is verworven, met de grootste spoed een naturalisatieverzoek te behandelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

            Nou, de motie ligt op tafel. De kogel is door de kerk. Het werd ook tijd.
            Wat in de overwegingen van de motie opvalt is dat de indieners ervan van mening zijn dat thans nog een onderzoek naar de achtergronden van Ayaan Hirsi Ali loopt. Volgens mij loopt er helemaal geen onderzoek meer. Een en andermaal heeft de minister gezegd dat Ayaan Hirsi Ali nu aan zet is. Zij heeft zes weken de tijd om op de brief van de minister te reageren. In de motie wijze de indieners de minister op de ruimte voor een afwijkend rechtsgevolg bij een bijzondere omstandigheid. Daarnaast wijze zij de minister op nog extra ruimte die de Rijkswet op het Nederlanderschap biedt om tot een andere afweging te komen.
            Vervolgens valt in de motie op dat de indieners zich in het eerste gedeelte zich tot de minister wenden en dat men voor wat men gedaan wil hebben, men zich tot de regering wend. Dat is niet erg gebruikelijk. Kennelijk hebben de indieners hiermee op het oog dat deze minister in het vervolg van dit dossier de regering erbij betrekt. Een pijnlijk moment voor een minister om zo onder curatele te komen. Maar misschien hebben de indieners dat helemaal niet zo bedoeld, maar het staat er wel.
            Kortom de regering moet een tot nieuw standpunt komen, moet daarbij alle bijzondere omstandigheden betrekken die op mevrouw Ayaan Hirsi Ali van toepassing kunnen zijn en als dat alles niet leidt tot een andere mening dan moet met de grootste spoed een naturalisatieverzoek in behandeling worden genomen.
            Uitkomst van deze motie kan dus geen andere zijn dan dat mevrouw Ayaan Hirsi Ali de Nederlandse nationaliteit zal behouden, c.q. alsnog zal verkrijgen. Is dat laatste het geval dan merk ik op dat mevrouw Ayaan Hirsi Ali inderdaad al die jaren ten onrechte lid van het parlement is geweest en de VVD mag zich dat wel aantrekken. Uiteindelijk is het de politieke partij die kandidatenlijsten indient en niet iemand die op die lijst geraakt.
            Dat is vooralsnog wat ik over de motie kwijt wil. De heer Rouwvoet dient zich aan als volgende spreker. Hij heeft de motie niet mede ondertekend en zal wellicht aan de indieners ervan iets te vragen hebben, zodat hij zich wellicht bij de stemming straks achter de indieners kan scharen.

            De heer Rouvoet: “Voorzitter. Ik wil graag helderheid krijgen over wat in deze motie van de minister wordt gevraagd, ook al omdat de heer Van Beek in de toelichting voor de motie een paar keer formuleringen gebruikte zoals nieuwe besluitvorming en een definitieve beslissing. Het betoog van de minister in de hele eerste termijn was erop gebaseerd dat er geen ruimte is voor een afweging of voor het wegen van belangen en omstandigheden en dat zij ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad en de wetgeving slechts de nietigheid heeft te constateren. De heer Van Beek vraagt om een heroverweging. Vraagt hij nu van de minister om datgene te doen waarvan zij de hele termijn heeft gezegd dat zij dat niet kan en mag doen volgens de wet en de jurisprudentie? Of vraagt hij van de minister, want dat zat ook een beetje in zijn toelichting, dat zij de reactie van mevrouw Hirsi Ali de komende zes weken afwacht en dan zal bezien of dat leidt tot een nieuwe constatering? De motie geeft daar geen duidelijkheid over, omdat daarin wordt gevraagd om een heroverweging en dat ziet op een besluit waarvan de minister nu juist zegt dat zij daar geen ruimte voor heeft.” 

            Nou breekt er een gedeelte van het debat aan dat slechts gevolgd kan worden door mensen die nog helder en wakker zijn en met sterke bakken koffie zich het eindspel niet willen laten ontnemen. Nog even op de tanden bijten, want de heer Rouwvoet haalt het fileermes erbij.

             De heer Rouvoet: “Voorzitter. Ik wil graag helderheid krijgen over wat in deze motie van de minister wordt gevraagd, ook al omdat de heer Van Beek in de toelichting voor de motie een paar keer formuleringen gebruikte zoals nieuwe besluitvorming en een definitieve beslissing. Het betoog van de minister in de hele eerste termijn was erop gebaseerd dat er geen ruimte is voor een afweging of voor het wegen van belangen en omstandigheden en dat zij ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad en de wetgeving slechts de nietigheid heeft te constateren. De heer Van Beek vraagt om een heroverweging. Vraagt hij nu van de minister om datgene te doen waarvan zij de hele termijn heeft gezegd dat zij dat niet kan en mag doen volgens de wet en de jurisprudentie? Of vraagt hij van de minister, want dat zat ook een beetje in zijn toelichting, dat zij de reactie van mevrouw Hirsi Ali de komende zes weken afwacht en dan zal bezien of dat leidt tot een nieuwe constatering? De motie geeft daar geen duidelijkheid over, omdat daarin wordt gevraagd om een heroverweging en dat ziet op een besluit waarvan de minister nu juist zegt dat zij daar geen ruimte voor heeft.”
           De heer Van Beek: “Het goede van deze procedure is dat hij in ieder geval ziet op een definitieve constatering, maar er is nog een moment van heroverweging.”
            Wat is dat nou voor onzin mijnheer Van Beek: een procedure die op een definitieve constatering ziet en om dat ook nog met ‘goed’ te kwalificeren. ‘Maar er is nog een moment van heroverweging’, zo voegt hij er verduidelijkend aan toe. Als je vanuit je hart spreekt of wanneer je een debat vanuit je hoofd doet, komen dit soort teksten niet in de Handelingen terecht. Maar als je het van het papier moet hebben, dan weten de griffiers ook niet wat Van Beek hier bedoelt.
            De heer Van Beek gaat verder: “Ik heb gezegd dat het goed zou zijn om tot een volledige, definitieve afweging te komen, na alle signalen die uit de Kamer zijn gekomen, alle twijfel die er is, alle juridische discussies die wij met elkaar hebben gehad. Er is ook de mogelijkheid van informatie die van buiten komt, plus de informatie die eventueel door mevrouw Ayaan wordt aangereikt. Deze procesgang voorziet daarin.”
            Rouwvoet laat via de VVD-fractieleider de minister weten dat zij alleen staat en in ieder geval ook niet de steun van de VVD geniet over haar opvattingen dat ze niets te heroverwegen had maar slechts kon constateren. Rouwvoet legt haarscherp het verschil bloot. Dat brengt Van Beek weer in een moeilijke positie, die zich daarop gedwongen voelt iets terug te krabbelen. Met horten en stoten en een boel gezucht.
            De heer Rouvoet: “Ik stel deze vragen, omdat ik gelet op de brede ondertekening wil overwegen of mijn fractie deze motie uiteindelijk kan steunen. Ik heb bewust niet meeondertekend, omdat ik deze vragen over de betekenis van de motie wilde kunnen stellen. U gebruikt bewust opnieuw het woord ‘heroverweging’. Dat impliceert dat u het fundamenteel oneens bent met de minister dat er geen ruimte is voor welke weging dan ook. Dat was het hele betoog van de minister: ik heb niets te overwegen, ik heb slechts te constateren. U en de andere ondertekenaars zijn, anders dan de minister, van mening dat er ruimte is voor overweging en dat de minister dat alsnog moet doen.”
            De heer Van Beek: “Ja. De minister heeft overigens iets meer ruimte gegeven dan u nu suggereert. Zij heeft zelf gezegd dat er voor haar ook een moment is om een heroverweging te doen als er belangrijke informatie door mevrouw Hirsi Ali wordt aangereikt. Ik doe nog een beroep op haar naar aanleiding van de juridische discussie. Ik heb dit ook in de fractie gezien. Wij hebben allemaal ontzettend getwijfeld of er echt geen andere mogelijkheden zijn op basis van de uitspraken van de Hoge Raad en van artikel 14. De minister heeft daarover een heel heldere opvatting gegeven, maar zij heeft nog zes weken de tijd om, rekening houdend met datgene wat in de Kamer is gezegd, daar nog eens heel goed op te studeren. Ik gebruikte het woord "denk tank", en toen begon iedereen te lachten, maar ik bedoelde dat heel serieus.”
            De heer Rouvoet: “De minister heeft gezegd dat zij een constatering heeft gedaan en dat de procedure is dat de bal nu bij de betrokkene ligt. Zij heeft zes weken om te reageren en dan zal de definitieve constatering moeten volgen, om die formulering aan te houden. Vraagt u de minister om die zes weken onafhankelijk van de reactie van mevrouw Hirsi Ali te benutten om zelfstandig tot heroverweging te komen? Of vraagt u om te wachten op die reactie en dan een definitieve beslissing te nemen? Dan vraagt u niet veel meer dan wat de minister heeft gezegd. Het is voor mij wel van belang om dat te weten.”

             Nu wil Van Beek toch dat ook de minister binnen de zeswekentermijn in beweging komt. Hij zegt het wat plechtig en theatraal, maar het komt wel op hetzelfde neer.
           De heer Van Beek: “Ik vraag de minister om aan het eind van het proces uiteindelijk te doen wat de wet voorschrijft, namelijk een definitieve constatering doen en alle argumenten nog eens in heroverweging nemen. Ik vraag ook heel nadrukkelijk om niet alleen zes weken te wachten op informatie van mevrouw Hirsi Ali, maar daar ook zelf alles aan toe te voegen wat van invloed kan zijn op definitieve besluitvorming. Ik heb gezegd: zorg dat er opnieuw wordt gestudeerd en dat alle informatie naar aanleiding van de vragen die in de Kamer zijn gesteld, er is, opdat er een definitief besluit kan worden genomen.”
             Dan komt het onvermijdelijke: deze motie keurt het beleid van de minister af. Dat is de uitleg die de SP-er de heer De Wit er aan geeft. Hij laat daarover weinig plezier blijken, en doet dat juist met de nodige terughoudendheid om het prille brede front dat deze motie steunt niet te splijten. Wat een gedoe allemaal om die minister, die in de afgelopen jaren de ene blunder na de andere begaat en het hele land van haar uitgebreide gestuntel in deze zaak laat meegenieten, op die pluche te laten zitten. Want het wordt mij onderhand wel duidelijk dat met veel zorg geprobeerd wordt de minister een bepaalde kant op te sturen zonder uit te spreken dat ze weg moet. Want dat is de consequentie van een motie van afkeuring. Maar in feite is de voorliggende motie een van afkeuring.
            De heer De Wit: “Ik heb ook nog een algemene vraag over de motie: moet ik die motie, zoals u haar hebt geformuleerd, in feite zien als een afkeuring van de handelwijze van de minister in deze zaak tot nu toe?”
            De heer Van Beek: “Ik was nou juist zo gelukkig dat het debat zich echt richtte op de inhoud. Als ik iets had willen afkeuren, had dat heel nadrukkelijk in een van de alinea's moeten staan. Dat staat er niet. Ik zoek oplossingen. Ik ben heel nadrukkelijk bezig geweest met het zoeken van wegen om binnen de ingezette procedure of, als dat niet meer kan, met een nieuwe procedure tot oplossingen te komen. Dat moet volgens mij uit mijn hele betoog duidelijk geworden zijn.”

             De man blijft onnatuurlijk hoffelijk. Ook een eigenschap waaraan ik me zo langzamerhand begin te ergeren. Wat moet er niet als minister door je heen gaan als je zo’n backbencher van je eigen partij zo door het stof ziet gaan om jou in bescherming te nemen.
            De heer De Wit: “Het gaat mij er niet om dat u dat exact geformuleerd zou moeten hebben. Ik vroeg u of het niet zo is dat u door deze motie, waarin u de minister eigenlijk vraagt om alles over te doen -het verzoek komt immers neer op een nog beter onderzoek- haar handelwijze tot nu toe in deze zaak feitelijk afkeurt.”
            De heer Van Beek, nog altijd niet het jasje uitgetrokken: “Nee, dat is niet zo. Dat is althans niet de intentie van de indiener.”

             Maar De Wit heeft wel gelijk, ook al is dat erg pijnlijk voor Van Beek. Had hij maar niet in de politiek moeten gaan. Ook in de tweede termijn blijft het CDA zijn twijfels overeind houden over het antwoord van de minister. Verhagen mist bij de minister de onderbouwing voor haar opvatting dat ze zorgvuldig heeft gehandeld. Dat zuigende, dat in zijn beschouwing doorklinkt, kan alleen van iemand afkomstig zijn, die geïrriteerd is en schoon genoeg heeft van dit tafereel, waarbij de minister 149 volwassen mensen als gijzelaars van de spel-en-woorddemocratie in haar greep houdt.
           De heer Verhagen: “Voorzitter. (..) Luisterend naar de minister, moet ik het immers doen met haar stelling dat zij zorgvuldig gehandeld heeft. De onderbouwing van die stelling ontbreekt, althans in haar betoog. Zorgvuldigheid is van belang, mede gelet op de snelheid waarmee het onderzoek tot nu toe heeft plaatsgevonden. Vrijdag was er nog niets aan de hand, terwijl de minister maandag aangaf niets anders te kunnen doen dan te constateren dat het Nederlanderschap nooit verleend is. Zorgvuldigheid is van belang, mede gelet op de ruimte in de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake de bijzondere omstandigheden. Wij vinden dat die ruimte er wel is.
            Zorgvuldigheid is ook van belang, mede gelet op de keuze van de minister om een brief aan de Kamer te sturen waarmee zij de indruk heeft gewekt dat de zaak al beslist was. Zojuist heeft de minister in het debat opgemerkt dat Ayaan Hirsi Ali nog steeds Nederlandse is. Dat is in ieder geval de komende zes weken, waarin zij bezwaar kan maken, het geval. De vraag is dus waarom de minister reeds maandag jongstleden publiek heeft gemaakt dat de Nederlandse nationaliteit nooit aan Ayaan Hirsi Ali is verleend. Ook op dat punt was het betoog van de minister naar ons oordeel niet overtuigend.
            Mijn fractie wil evenals mevrouw Halsema inzage in de memo's van de IND van 2002 om te kunnen beoordelen of de minister op dat moment op de hoogte had kunnen zijn. Het is immers van belang om te weten op grond van welke feiten de IND destijds heeft geconstateerd dat er geen aanleiding was om verdere stappen te zetten. Als die feiten niet zijn veranderd, plaatst dat deze zaak in een heel ander daglicht. Dat is ook het geval als de minister eerder dan donderdag jongstleden van die feiten op de hoogte was.
            Wij twijfelen eraan of de minister ruimte had om op grond van bijzondere omstandigheden een eigen afweging te maken. Gelet op de vereiste zorgvuldigheid menen wij dat het vooralsnog ingenomen standpunt moet worden herzien. De minister kon ons op dit punt niet overtuigen en daarom hebben wij de motie van de heer Van Beek mede ondertekend.”

             D66-fractieleidster mevrouw Van de Laan komt vervolgens met een eigeninterpretatie van de door har ondertekende motie en geeft in haar tweede termijn een eindoordeel over deze minister.
           Mevrouw Van der Laan: “Voorzitter. De minister heeft in eerste termijn geprobeerd om de Kamer ervan te overtuigen dat er inzake het Nederlanderschap van Ayaan Hirsi Ali sprake is van nietigheid en dat er voor haar geen afwegingsruimte is om tot een ander oordeel te komen. De D66-fractie deelt die opvattingen van de minister vooralsnog niet. Bovendien heeft zij blijk gegeven van een onzorgvuldige aanpak. Tijdens het debat bleek dat Ayaan de Nederlandse nationaliteit wellicht wel heeft. Indien dat juist is, was het voor haar niet nodig geweest om het Kamerlidmaatschap op te zeggen. Met de beantwoording van de vragen van de heer Nawijn kan in ieder geval de indruk worden gewekt dat het tegenovergestelde het geval is.
            De minister heeft onderzoek laten doen naar aanleiding van de uitzending van Zembla. In het debat kwam vast te staan dat zij niet heeft onderzocht of Ayaan Hirsi Ali als gevolg van het verlies van het Nederlanderschap staatloos is geworden. Evenmin heeft zij onderzocht wat de staatsrechtelijke implicaties kunnen zijn van het verlies van het Nederlanderschap voor een lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
            Ook kwam vast te staan dat de minister in dit uitzonderlijke geval heeft nagelaten om overleg te voeren met de ministerraad. Zij heeft de minister-president uitsluitend over haar handelwijze geïnformeerd.
            De minister kon mijn fractie er niet van overtuigen dat zij in dergelijke gevallen geen afwegingsvrijheid heeft. De D66-fractie is op grond van de nu bekende feiten van mening dat zij die afwegingsvrijheid wel degelijk heeft, of dat zij die dient te krijgen. Vanzelfsprekend geldt dat niet alleen in het geval van Ayaan, maar in alle vergelijkbare gevallen. Wij zijn van mening dat bij elk verlies van Nederlanderschap afdoende rechtsbescherming noodzakelijk is en dat de minister altijd een expliciete afweging moet kunnen maken.”

             Je zult dit alles als minister urenlang in een ononderbroken stroom van kritiek en verwijten te horen krijgen. De vraagt rijst dan, heeft deze vrouw geen enkel zelfrespect? Wat is haar drijfveer om nog langer te blijven zitten? Ik zeg het hier hardop, zonder enige gêne: dit werkt volgens haar positief in haar beeldvorming bij haar strijd om het lijsttrekkerschap.
           Mevrouw van der Laan: “De heer Van Beek heeft zojuist een motie ingediend die wij mede hebben ondertekend. Onze interpretatie van die motie is drieledig. Wij gaan ervan uit dat van nietigheid zonder afwegingsvrijheid geen sprake is in het geval van Ayaan Hirsi Ali. Onze interpretatie is tevens dat het in alle gelijksoortige gevallen niet anders is. Wij roepen de minister op om binnen de kortst mogelijke termijn zeker te stellen dat Ayaan Hirsi Ali Nederlander is. Wil de minister bevestigen dat onze interpretatie van de motie ook de hare is?”
            De heer Wilders: “Voorzitter. (…) De antwoorden van minister Verdonk kwamen ook op mij in hoge mate verwarrend over en niet altijd even overtuigend. Zij was soms chaotisch, verstrikt rakend in haar eigen onbegrip. De minister schrijft aan mevrouw Hirsi Ali dat zij geacht wordt nooit het Nederlanderschap te hebben ontvangen. Wij hebben die brief ook mogen ontvangen. Na ongeveer zes uur debat blijkt de minister van mening, ook tot verbazing van de heer Van Beek, dat mevrouw Hirsi Ali de Nederlandse nationaliteit nog op zijn minst voor zes weken heeft. Als dat zo is, had dat gewoon keurig in de brief moeten staan of aan het begin van het debat moeten worden vermeld.
            (…) Er is een motie ingediend door collega Van Beek die door veel collega's mede is ondertekend. Ik weet nog niet wat ik daarmee moet doen. Als het gaat om de vraag naar meer zorgvuldigheid in de besluitvorming komt de motie mij gezien mijn betoog sympathiek voor. Het is niet zorgvuldig gegaan. Het moet zorgvuldiger. Als dat de bedoeling is van de motie, dan heeft die mijn steun. Ik wil echter niet dat in het algemeen de regels te ver worden opgerekt. Ik wil ook niet dat het goede doel van de zorgvuldigheid uiteindelijk leidt tot de conclusie dat er in het algemeen voor iedereen een bonus komt bij het geven van verkeerde informatie. Ik verkeer dus in een dilemma bij de motie. Ik wacht het antwoord van het kabinet af alvorens mijn stemgedrag over te bepalen.
            Ik zeg de heer Verhagen na dat het enige goede nieuws vandaag van de heer Donner komt. Ik had niet verwacht dat ooit nog eens te zeggen! De beveiliging van mevrouw Hirsi Ali blijft ongewijzigd. Dat is ontzettend belangrijk. Ik dank hem daarvoor oprecht.”

             Het kan haast niet anders, nu de ondertekenaars Halsema, Van Beek en Van der Laan hun opvattingen uitgebreid nog eens hebben uiteen gezet, dat PvdA-woordvoerder Wouter Bos een indringende politieke analyse ons niet zal onthouden. Hij heeft er alle reden toe en spaarde ook niet de rol van de minister-president die verzuimd heeft leiding te geven aan zijn kabinet op een dergelijk moeilijk moment.
           De heer Bos: “Mijnheer de voorzitter. Een eerste conclusie moet zijn dat het beeld dat oprijst na dit deel van het debat verdacht veel lijkt op een puinhoop, een puinhoop in het kabinet, een puinhoop als je kijkt naar de manier waarop de brief van de minister aan Ayaan Hirsi Ali tot stand is gekomen."
             Bos doelde op de stille aanwezigheid van justitieminister Donner, die in zijn beantwoording op een aantal vragen over de beveiliging van mevrouw Ayaan Hirsi Ali, opmerkte dat hij via de media vernam dat collega Verdonk aan Ayaan Hirsi Ali deze brief had geschreven.
            Bos vervolgd: ”Wij hebben net gehoord dat de minister die nota bene verantwoordelijk is voor het waarborgen van de beveiliging van de persoon waarom het hier gaat uit de media moest vernemen dat dit besluit werd genomen. Wij hebben gehoord dat de minister-president ervan wist dat deze brief in de maak was, geen onraad rook, geen alarmbel heeft horen luiden, geen regie heeft gevoerd en kennelijk geen notie had van wat dit zou kunnen betekenen voor de internationale reputatie van Nederland, maar wel achteraf de opmerking maakte dat hij een beetje verrast was dat de brief nu al naar buiten kwam. Ten slotte hebben wij vanmiddag gezien hoe de minister van Financiën vaderlijk naast Ayaan Hirsi Ali gaat staan, zogenaamd niet als minister, maar dat hij wel als minister en als leider van het VVD-smaldeel in dit kabinet geen poot heeft uitgestoken om de er de afgelopen dagen voor te zorgen dat deze zaak zorgvuldiger werd afgerond dan zij uiteindelijk is afgerond. De puinhoop rondom de concrete besluitvorming hier en de rol die de minister daarin gespeeld heeft, is ook duidelijk. Een aantal collega's heeft daar al opmerkingen over gemaakt. De vraag rondom het wel of niet zorgvuldig afwegen van de consequenties van dit besluit, of dat wel of niet zou betekenen dat Ayaan Hirsi Ali op enig moment staatloos zou kunnen zijn en de precieze kennisname van de positie van de Somalische overheid daarbij. Mevrouw Van der Laan heeft daar uitgebreid op gewezen. Of de versie die de minister hier vanavond gaf van het gesprek dat zij met Ayaan Hirsi Ali heeft gevoerd naar aanleiding van de discussie over Taïda Pacic en het feit dat vanavond al op de televisie door Leon de Winter, een getuige bij dat telefoongesprek, verteld is dat de versie die Ayaan daarover de afgelopen dagen in de kranten heeft gegeven de juiste is en de versie die de minister daar vanavond van gaf een onjuiste zou zijn. Ten slotte de vraag waarom nu dit onderzoek en deze brief en waarom niet al eerder op genoemde momenten. Het zijn allemaal vragen die zijn blijven hangen, ook na dit deel van het debat, vragen die het beeld van de puinhoop en de onzorgvuldigheid bevestigen.
           Dan de echte grote en kardinale vraag voor ons, namelijk of het anders had gekund, of het zo had gemoeten, of er een alternatief was. Gedurende het hele debat leken er toch steeds ten minste drie mogelijkheden te zijn om het inderdaad anders te doen. Er leek en er lijkt wat ons betreft in ieder geval probeerbare ruimte te zitten in het arrest van de Hoge Raad daar waar het gaat om de term "bijzondere omstandigheden". De heer Verhagen heeft daarop gewezen. Er leek en lijkt, net zoals dat in andere gevallen aan de orde is geweest, de mogelijkheid te zijn geweest voor de minister om zelfstandig een andere, een nieuwe lijn uit te zetten dan de lijn die tot nu toe is gevolgd, inclusief het uitlokken van jurisprudentie daarover. En er lijkt nog steeds op zijn minst twijfel mogelijk over de vraag of, ondanks het feit dat er sprake was van vervalste gegevens, het niettemin toch niet volstrekt duidelijk was wat de identiteit van de betrokkene was bij dit naturalisatiebesluit en er in die zin gewoon sprake was van een besluit met rechtsgevolgen. Alles wat de minister daarover gezegd heeft, dat zij niet anders kon en er geen alternatieven waren, heeft bij ons niet al die twijfels weggenomen.”

             Bos spreekt vervolgens de minister aan op haar professionaliteit en op haar gevoel voor (menselijke) verhoudingen, waarvan geacht mag worden dat ze daarover beschikt. Met dat gevoel had ze naderend onheil kunnen voorkomen. Van vrouwen wordt terecht gezegd dat ze qua intuïtie op mannen voor liggen. Bij Verdonk heb ik daarvan niets gemerkt.
            De heer Bos: “Wat misschien minstens zo pregnant is, is dat wij in het hele debat vanavond bij de minister op geen enkel moment hebben gemerkt dat zij zich zelf ooit heeft afgevraagd of dit wel wenselijk was of dat zij in een positie was dat zij er misschien iets aan kon doen om ervoor te zorgen dat het niet zo af zou lopen, maar op een andere manier. Misschien is het belangrijkste nog wel -ik denk dat de heer Verhagen daar ook op doelde- dat als je weet dat dit soort vragen leven, dat dit mogelijkerwijs dit soort consequenties zou kunnen hebben, dat dit soort alternatieven in het debat aan de orde komen en er zo ongelooflijk veel vragen een rol bij spelen (…), om daar met iedereen die daar mogelijk wat zinnigs over te zeggen heeft uitputtend over te overleggen binnen de termijn van twee dagen die de minister daar uiteindelijk voor nam. Dat is uiteindelijk misschien wel de grootste onzorgvuldigheid geweest."
           De heer Bos heeft de motie ondertekend om de door hem bij de minister geconstateerde onzorgvuldigheid tot uitdrukking te brengen. Daarmee keur je het beleid toch niet goed!? Dat doe je toch niet met een motie, beleid goedkeuren. Precies!
           De heer Bos: “Om het oordeel over die onzorgvuldigheid tot uitdrukking te brengen, heeft ook mijn fractie de motie van collega Van Beek ondertekend. Daarin brengt een grote Kamermeerderheid haar mening tot uitdrukking dat de minister niet alle mogelijkheden heeft gebruikt die voor haar open stonden en dat nu een heroverweging nodig is. De overwegingen die collega Van Beek in de motie noemt, met name het benutten van de bijzondere omstandigheden als een relevant criterium en het gebruik van artikel 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap, geven de route aan die bij dit soort gevallen zou moeten worden bewandeld. Dit moet zorgvuldig plaatsvinden en altijd zijn gebaseerd -mevrouw Van der Laan zei dit ook al- op een afweging van belangen die redelijk en billijk is. Er mogen geen beleidsautomatismen ontstaan die tot absurde uitkomsten leiden. Het gaat om het inschakelen van verstand en wijsheid met het oog op de menselijke maat; precies waar wij in onze eerste termijn om vroegen.
            Ik ben blij dat de heer Van Beek als indiener van de motie heeft bevestigd dat deze route ook voor anderen open moet staan. Dit laat uiteraard in het midden voor hoeveel mensen het op zal gaan; het gaat om het principe. Vanavond is het heel erg een red-Ayaandebat geworden. Mijn fractie deed en doet daar uit volle overtuiging aan mee, maar uiteindelijk moet het een red-het-vreemdelingenrechtdebat worden. Ook daarnaar zullen wij blijven streven. Het mededogen met Ayaan is vanavond terecht overweldigend, maar laten wij niet uit het oog verliezen dat in de wrede praktijk van het vreemdelingenbeleid dagelijks mensen worden geconfronteerd met beslissingen waarbij het gevoel voor verhoudingen en de menselijke maat helemaal zoek is geraakt. Het gaat daarbij om mensen die geen Kamerlid zijn, die wij niet kennen, die niet in staat zijn om zich zo formidabel te verdedigen als Ayaan vandaag heeft gedaan, die veel minder bekende Nederlanders kennen die bereid zijn om bij Nova aan tafel te gaan zitten om hun zaak te verdedigen. Onze verantwoordelijkheid betreft ook hen. Tegen al mijn collega's hier zeg ik: hopelijk zult u allemaal iets van uw betrokkenheid van vandaag de komende tijd voor hen bewaren.”

            Het is een speech die tot stilte noopt en indruk maakt.

            Daarna kwam parlementariër Van der Vlies die ook reageert op het feit dat minister Donner verklaart dat hij via de media kennis nam dat zijn collega Verdonk de onderwerpelijke brief aan Ayaan Hirsi Ali had gestuurd.
            De heer Van der Vlies: “(…) De stelling die de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie betrok, was de volgende: ik kon naar aanleiding van de mededelingen van mevrouw Hirsi Ali in de tv-uitzending niet tot een andere conclusie komen dan dat nimmer een naturalisatiebesluit totstandkwam dat rechtskracht heeft. Bij interruptie stelde ik vast dat betrokkene zes weken de tijd heeft om de informatie te weerleggen waarop deze conclusie van de minister steunt. In het geval dat dit niet toereikend gebeurt, wordt haar Nederlandse paspoort ingenomen en zal zij een vluchtelingenpaspoort krijgen. Deze door de minister bevestigde conclusie staat haaks op het beeld dat tot vanavond heeft overheerst.
            De minister moet hebben ingeschat hoe veel emotie en commotie haar brief aan mevrouw Hirsi Ali zou veroorzaken, zowel binnen ons land als daarbuiten. Een en ander leidt de SGP-fractie tot de conclusie dat de besluitvorming na vorige week donderdag kennelijk overhaast totstandkwam en in de openbaarheid kwam. Het is toch sprekend dat enkele bewindslieden -- de heer Donner deed dat zojuist nog -- hebben aangegeven een en ander uit de media te hebben vernomen. Ik dacht dat er in de ministerraad wel over mindere kwesties werd vergaderd en gecommuniceerd dan over het wegvallen van het vele jaren veronderstelde Nederlanderschap van een Kamerlid.”

             Om een dergelijk conflict in de toekomst te voorkomen diende de heer Van der Vlies een motie in met de strekking meer rechtszekerheid te bieden in een geval er bij onjuist verstrekte persoonsgegevens een onwerkbare situatie intreedt met het ontbreken van rechtsgevolgen. Het is nu eenmaal ondenkbaar dat in een debat met elf woordvoerders, die van de kleinere partijen niet het recht zouden hebben om volledig van een tweede termijn gebruik te maken, hoewel die in dit geval door de voorzitter voor iedereen is ingekort tot drie minuten. En als Rouwvoet zich aandient voor een volle tweede termijn hoef je daar geen spijt van te hebben.
           De heer Rouvoet: “Voorzitter. Namens de fractie van de ChristenUnie heb ik in eerste termijn een aantal indringende vragen gesteld aan de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie over de gang van zaken, de zorgvuldigheid van de procedure en het voor ons principiële punt in hoeverre ruimte bestond voor een eigen afweging door de minister.
            De minister was in ieder geval op één punt glashelder. Letterlijk zei zij dat de wet en de jurisprudentie van de Hoge Raad geen enkele ruimte lieten en laten om tot een andere conclusie te komen. Er was sprake van nietigheid. Met het citaat van de Hoge Raad als bewijs, luidt haar conclusie dat de naturalisatie dan geen rechtsgevolgen kan hebben.
            In dit verband hebben wij lang met elkaar gesproken over de conclusie van de procureur-generaal en over de betekenis van de formulering in een van zijn conclusies dat sprake is van ‘nietigheid, tenzij’. Het ‘tenzij’ heeft betrekking op de vraag of er toch geen ruimte zou kunnen zijn voor een eigen afweging van de minister om tot een andere conclusie te komen. Ik meen dat wij redelijk hebben afgebakend in hoeverre deze ruimte bestaat. Wij hebben vastgesteld dat door de Hoge Raad en de procureur-generaal expliciet een mogelijkheid is opgehouden in het geval van bijzondere omstandigheden. Deze doen zich voor wanneer de opgegeven naam een naam betreft, waaronder de betrokkene ook bekend staat en wanneer deze bevoegdelijk is gevoerd. Het was en is de vraag of Ayaan Hirsi Magan in 1997 bekend stond als Ayaan Hirsi Ali. Het antwoord op deze vraag luidt ‘ja’. De volgende vraag luidt, of zij bevoegd was tot het voeren van deze naam. De minister zegt daarop ‘neen’. Zij stelt dat Ayaan Hirsi Ali naar Somalisch familierecht niet bevoegd was tot het voeren van de naam van haar overovergrootvader.
            Ik heb eigenlijk geen argumenten om dit standpunt van de minister te betwisten, of het zou moeten zijn dat je je de vraag kunt stellen of het feit dat de naam op de A-status stond vermeld, haar niet in zekere zin bevoegd maakte tot het voeren van deze naam in Nederland. Ik kan dat niet helemaal overzien. Hoe dan ook vindt mijn fractie het bestuurlijk niet zodanig evident hoe het antwoord op deze vraag moet luiden, dat je er per kerende post een uitspraak over zou kunnen doen. Dan neem je de tijd om het zorgvuldig te onderzoeken. Ook anderen hebben daarop gewezen.
            De discussie die wij vandaag hebben gevoerd over de interpretatie van de conclusies van de procureur-generaal, onderstreept onze verbazing over de overhaaste beslissing. Wij hebben begrepen dat wij deze verbazing delen met minister Zalm en de minister-president. Dat zegt veel over de zorgvuldigheid.”

            Zo langzamerhand moet ik er aan wennen, dat bestuurlijk onzorgvuldig handelen in de plaats is gekomen van afkeuring. Het begrip afkeuring werkt bij veel parlementariërs als een lap op een rode stier. Vandaar dat een groot deel van de Kamer het nu heeft over bestuurlijk onzorgvuldig handelen.
            De heer Rouwvoet: “De fractie van de ChristenUnie kan de gang van zaken met geen mogelijkheid bestuurlijk zorgvuldig noemen, te meer nu wij begrijpen dat dit zacht gezegd niet echt een kabinetsbreed gedragen proces is geweest. Als het zo simpel is dat er geen enkele ruimte was voor iets anders dan de constatering dat er nooit sprake van Nederlanderschap is geweest, wat is dan de betekenis van die zes weken? Hoe kun je bezwaar maken als er geen besluit is genomen? Welke andere reactie is denkbaar dan die om de kwestie voor kennis aan te nemen? De minister zegt namelijk dat wet en Hoge Raad haar geen enkele ruimte laten om tot een andere conclusie te komen."
            Als je nooit Nederlander bent geweest kun dat je tijdens de bezwaarperiode van zes weken niet tijdelijk Nederlander zijn, in afwachting van de beslissing van de minister. Dat is precies wat Rouwvoet constateert bij de minister.   
            De heer Rouwvoet: “De minister kiest de nietigheid als verdedigingslinie. Om die reden ziet zij geen ruimte voor welke afweging dan ook. Er is never nooit sprake geweest van Nederlanderschap voor Hirsi Ali. In dat licht kon ook mijn fractie de stelling van de minister later in het debat dat Hirsi Ali de komende zes weken gewoon Nederlander is niet plaatsen. Een besluit kan voorlopig zijn en kan na zes weken definitief worden, of in bezwaar worden gewijzigd. Een nooit verleend Nederlanderschap kan niet alsnog geacht worden te zijn verleend voor de komende zes weken. Als de minister zegt dat het anders is, en dat stelde ze in de tweede helft van het debat, is er geen sprake geweest van nietigheid, maar van vernietigbaarheid en dus van een afwegingsruimte van de minister zelf. Dat nu heeft de minister in alle toonaarden ontkend.
            Ik kom tot de conclusie van mijn fractie. De minister is niet overtuigend geweest in haar stellingname dat zij geen enkele ruimte had voor een eigen afweging. Juist daarom wegen voor mijn fractie de snelheid en de onzorgvuldigheid waarmee is gehandeld buitengewoon zwaar. Het argument dat het om een parlementariër ging en dat snelheid dus gewenst was, overtuigt ons in ieder geval van geen kant. Zorgvuldigheid is gewenst. Dat geldt in alle gevallen, maar zeker als het gaat om een stellingname met zulke ook staatsrechtelijk ingrijpende gevolgen. Overigens geldt altijd dat zorgvuldigheid voorop moet staan. Aan die zorgvuldigheid heeft het hier ontbroken. Het had anders gemoeten. Ik onderstreep met een aantal andere woordvoerders dat dit iets anders is dan een pleidooi voor het maken van een uitzondering. Dit had anders, zorgvuldiger gemoeten.
            Dat brengt mij bij de motie van de heer Van Beek en een aantal andere woordvoerders. In de motie wordt de minister om een heroverweging gevraagd, ook los van de reactie van mevrouw Hirsi Ali, terwijl het betoog van de minister juist is gebaseerd op het uitgangspunt dat zij nooit enige ruimte voor welke overweging dan ook heeft gehad. Dat roept de vraag op of de minister de motie in deze zin zal kunnen en willen uitvoeren, zoals mevrouw Van der Laan expliciet heeft gevraagd, of dat daarmee de geloofwaardigheid van de minister wat betreft haar gehele eerste termijn so wie so in het geding komt. Ik heb de indieners daarover een aantal vragen gesteld. Het antwoord van de minister horen wij dadelijk.
            Alles afwegend, zal de fractie van de ChristenUnie de motie steunen, om langs die weg te bereiken dat de vereiste zorgvuldigheid alsnog wordt betracht. Het is aan de minister en alleen aan haar of zij politiek kan leven met een zeer breed gesteunde motie die in essentie uitspreekt dat zij niet zorgvuldig heeft gehandeld en ten onrechte heeft aangenomen dat zij geen andere keuze had dan te besluiten wat zij heeft besloten.”

            De heer De Wit: “Voorzitter. Ik begin namens mijn fractie met een reactie op de motie van de VVD. Wij stellen vast dat die motie is gericht op het creëren van een oplossing voor de situatie van Hirsi Ali. Wij steunen de motie, omdat wij deze oplossing in dit geval redelijk vinden. Tegelijkertijd vinden wij dat de motie verder gaat. In feite beoogt die een breekijzer te zijn om te komen tot een humaan beleid voor allen die zich in een soortgelijke situatie bevinden als Hirsi Ali, en tevens een humaan beleid voor iedereen in Nederland die te maken krijgt of te maken heeft met ons vreemdelingenrecht.
            Wat is de situatie op dit moment? De minister geeft blijk van dadendrang. Voor mijn fractie is het nog steeds de vraag waarom de minister zo heeft gehandeld als ze heeft gedaan. Mijn fractie kan het niet anders zien dan dat dit te maken heeft met de verkiezingsstrijd waarin de minister is verwikkeld.
            Zij is verblind door haar eigen retoriek: ik doe wat ik zeg, ik zeg wat ik doe, ik heb een rechte rug, ik ben recht door zee en regels zijn regels. Hiermee verliest de minister het zicht op de historische werkelijkheid van Ayaan Hirsi Ali die in een moeilijke situatie verkeert door de continue bedreiging, het feit dat zij heeft moeten onderduiken, en het feit dat zij binnenkort haar huis uit moet.
            Ik wijd nog een paar woorden aan de positie van de VVD. Mijn fractie stelt vast dat er ontzetting heerst binnen de VVD. Ook is er sprake van verbijstering over de manier waarop Ayaan Hirsi Ali, een gewaardeerd Kamerlid van de VVD, is bejegend door een bewindspersoon van de VVD. Daarom is het voor mijn fractie van belang om te weten wat nu de positie van de minister is. De SP-fractie heeft al meermalen laten blijken, geen vertrouwen te hebben in het beleid van deze minister. De VVD-fractie heeft een motie ingediend die op dit moment breed ondersteund wordt, ook door mijn fractie. Daarin wordt echter wel tot drie keer toe gevraagd om heroverweging van datgene wat de minister tot nu toe heeft gedaan ten aanzien van Ayaan Hirsi Ali. Mijn fractie ziet deze motie dan ook feitelijk als een afkeuring van de handelwijze van de minister tot op dit moment in deze zaak.”

            Ook de Socialistische Partij dus. 
            Mijnheer De Wit: “Er is echter meer. Met uitzondering van de heer Nawijn heeft geen enkele woordvoerder niet gezegd, geen kritiek te hebben. Alle fracties, met uitzondering van de Groep Nawijn, hebben gevraagd naar de zorgvuldigheid en twijfels geuit. Kortom, mijn fractie stelt vast dat in deze Kamer breed afkeuring bestaat van datgene wat tot nu toe is gebeurd. Dit brengt mij tot de volgende conclusie. Er is sprake van een bijzondere politieke situatie. Er zijn twijfels over de zorgvuldigheid van de minister en er is een gebrek aan overtuiging dat de minister de juiste beslissing heeft genomen. In die situatie zou de minister de eer aan zichzelf moeten houden.”

(Naar boven)

© Copyright 2006  - J.M.J.F.Janssen - Hilversum