



Eén van de zwembaden van Hilton Malta dat eigenlijk de architectuurprijs
verdient
van deze eeuw.

update: 20 augustus 2008 |
Vertel, hoe was de vakantie
In
overleg met mijn vaatchirurg hebben we de operatie gepland begin augustus
nadat we eerst in juli tien dagen naar Malta zouden gaan. Sinds 2004 waren
we niet meer op vakantie geweest, dus nu moest het er weer eens van komen.
Maar naarmate het vertrek vanaf Schiphol naderbij komt, worden mijn twijfels
en angsten groter. Moeten we wel zo nodig weg en hoe zit dat met onze lieve
drie katten, om het nog maar niet over mijn vliegangst te hebben. Ook de
angst voor de operatie vlak daarna speelt een rol in mijn algehele
gemoedstoestand. Ik probeer me op de vakantie te focussen en de hernieuwde
kennismaking met Malta en onze vrienden. Maar tijdens ons verblijf zijn er
tal van momenten dat ik aan de katten denk; hoe gaat het met ze, zorgen de
buren goed voor ze, wat zouden ze aan het uitspoken zijn en hebben ze geen
ruzie onderling?
Na terugkomst thuis van tien heerlijke dagen Hilton Malta waar we ons lekker
hebben laten verwennen worden we amper aangekeken. We dachten dat ze in
rijen van drie voor de deur stonden, maar de begroeting was niet erg
joviaal. Ze waren voor een groot deel ontstemd.
In augustus, een paar weken later, moet ik in het ziekenhuis opgenomen
worden voor een operatie aan mijn rechter lies- en dijbeenslagader. Zonder
bypass en dotteren in het bovenbeen zou ik niet meer pijnvrij kunnen lopen.
Ik zou zes dagen wegblijven.
Ellen verteld me, als ze op bezoek komt, dat de Siamees Gijsje mij mist. ’s
Avonds loopt hij door de woonkamer te ijsberen, op zoek naar die mooie
ligplek, die er nu niet is. Het lichaam van Ellen biedt hem toch niet dat
gerief dat hij bij mij kan aantreffen. Ik heb ook mooie grote rondingen waar
hij zo majesteitelijk en uitgestrekt op kan verblijven. Dus hij gromt wat af
elke avond. Gniffelend hoor ik het in het ziekenhuisbed aan en verlang al
een beetje naar de thuiskomst.
Als ik dan op een natte zomerdag weer in mijn
vertrouwde omgeving ben, is het alsof ik een koude douche over me heen
krijg. Suus en Teun zijn niet zo aanhankelijk dat ze mijn thuiskomst met een
enthousiaste en overdreven begroeting vergezeld laten gaan. Zij zijn wel de
eerste die ik zie en die ik even aai. Ze geloven het wel. Voor rooie Teun is
het alsof ik een beetje erg lang in bed heb gelegen en hij komt langs mijn
benen strijken, daarbij dat vertrouwde donkere geluid van hem uitstotend.
En nog maar eens, en nog een keer. Zo is hij ook wel. Maar dan moet het ook
over zijn en gaat hij verder met waar hij mee bezig was, opgerold liggen in
de rotanstoel.
Na een paar uur heb ik de e-mails allemaal gezien en is het buiten droog
geworden. De deur van het tuinhok staat open. Ik doe het raam open en roep
richting tuinhok waar volgens Ellen mijn Gijs in moet liggen, dat ik alweer
een tijdje thuis ben, dat hij langs kan komen en dat ik hem ook verwacht.
Terwijl de buren hun wenkbrauwen fronsen roep ik hem nog een keer aan met
een wat kwelerige stem, waar ikzelf nog net niet wee van wordt. Maar in de
deur van het tuinhok verschijnt er niet iets wat op een Siamees kattenlijf
lijkt. Ik kan het niet laten om na een tijdje toch maar eens richting
tuinhok te kuieren. Ik ben gewoon nieuwsgierig hoe hij er uit ziet en wil
toch wel eens zijn eerste reactie ervaren als hij me ziet na zes dagen te
zijn weg geweest.
Ik steek mijn kop om de tuindeur, zie hem op
een beddek liggen en begroet hem met:
“Ha mannetje. Hoe gaat het met je. Ik ben
er weer. Kom je even bij me of ga je met me mee naar binnen.”
Zijn oogleden gaan langzaam omhoog zodat die grote kobaltblauwe ogen hun
werk kunnen doen en hij kijkt me misprijzend aan alsof hij wil zeggen:
“Moet ik je ergens van kennen?”
Hij slaat zijn ogen weer neer en kijkt langs
me heen, alsof dat alles voor hem veel interessanter is. Natuurlijk kan dit
op een mens van vlees en bloed zijn uitwerking niet missen. Ik draai me om
en ga zonder één woord te zeggen door onze tuin ons huis binnen. Wat een
kreng. Hij kan me wat. Ellen ook met haar verhalen van die in de woonkamer
naar mij zoekende Gijs.
Ik troost me met de reacties van familie en vrienden en ben hem allang
vergeten als ik na het avondeten Philip Frederiks weer eens het journaal zie
brengen en plotseling vanuit de avondlijke duisternis iemand op mijn
rechterdijbeen zoeft. Het is Gijs. Onmiddellijk bescherm ik met mijn hand de
omgeving van mijn rechter liesstreek, want daar, waar twaalf nietjes in
geramd zijn, moet hij voorlopig niet over lopen of op gaan liggen. Ik
hoor hem al van die tevreden geluidjes maken, onderwijl zich een paar keer
rond draaiend om op mijn bovenbenen een geschikte ligging te arrangeren. En
na wat gehannes heeft de Aziaat zijn draai gevonden en ligt hij al knorrend
met zijn driehoekige kop tussen zijn poten op mijn dijbenen. Alsof ik niet
ben weg geweest. Zo was het en zo zal het altijd blijven. Wat een
arrogantie.
Jacques
Janssen
© Copyright 2008
- J.M.J.F. Janssen - Hilversum |