Verblijf op Aarde


C O L U M N

T E R U G

Vorige columns






 

 

 



De koorknapen in actie onlangs op Koninginnedag in Naarden



Eigenlijk zijn het woestelingen, vooral als
ze een neut op hebben



Dirigent Jim Berben weet de knapen
goed wakker te houden









T E R U G
update: 6 mei 2009

Lid van de koorknapen

Als je op dit kopje mag afgaan denk je toch minstens dat ik lid ben geworden van het Rooms Katholieke jongenskoor van de Sint Bavokerk in Haarlem. Maar het eerste fotootje hiernaast helpt je direct uit de droom. Er zijn mensen die mij nog wel eens in zo'n gestreept boevenpak zouden willen zien, maar dit gezelschap met die horizontale lijnen bestaat uit nette heren van uiteenlopende pluimage, die zich hebben gevonden om regelmatig de tonen en de Oud-Nederlandse tekst behorende bij de melancholieke Zuiderzeeballade of het woeste Bloody Mary naar buiten te brengen.

We zagen ze ergens eind maart optreden. Mijn vrouw en ik waren op de opening van een tentoonstelling van een beeldend kunstenares en zagen plotseling een stel potige kerels het domein van de kunstenares bevolken. En het werden er meer en ze hadden allemaal hetzelfde aan. En toen ik een accordeon ontwaarde wist ik dat we hier met een koor te doen hadden dat wat vrolijke noten onder een kunstzinnig publiek zou brengen. Mijn vrouw duwde me meerdere keren aan tijdens hun optreden en voegde daar veelbetekenend aan toe: "Dat is wat voor jou." En nou zit ik dan bij het Shantykoor (hou je vast) Het Ruime Sop uit Bussum. Maar dat ging niet zonder slag of stoot. Ik dacht nog dat ze erg blij waren met mijn komst. Menigeen had in de tuin van de kunstenares aan dat donkerbruine geluid van mij gehoord dat ik een aangename versterking zou zijn. Ik moest aanstaande dinsdagavond maar eens naar hun repetitie in het Bussumse Elkertheater komen. Maar als je dan het eerste gratis kopje koffie gedronken hebt, ben je nog geen lid. Je moet eerst je stem laten galmen. Ga maar in dat koor staan. Ik zocht een plekje tussen de bassen en werd door iedereen hartelijk welkom geheten en op mijn gemak gesteld, want ik moest me er snel thuis voelen.
Ik had een pak met partituren en liedteksten in mijn handen gedrukt gekregen met de toevoeging dat ik wat huiswerk meekreeg. Maar liefst 48 (schrijven: acht-en-veertig) liedteksten kon ik thuis in een klapper doen. 'Ferme jongens, stoere knapen' en 'Als de klok van Arnemuiden', kende ik nog van vroeger maar meer moest je me ook niet vragen. Natuurlijk, de melodie ken ik van veel meer liedjes. Bij 'Ketelbinkie' hoor je wel degelijk gemurmel uit mijn mond komen, maar het bekt niet lekker. We stonden allemaal gereed om te beginnen. De dirigent was er ook klaar voor en toen ik als trouwe volgeling dacht nu de eerste tonen uit mijn mond te laten komen, zei hij dat we de schoudergewrichten moesten los maken. Schouders moeten naar voren rollen en daarna naar achteren zo deed hij ons voor. Vervolgens werd de nek los gemaakt en moesten we ademhalingsoefeningen gaan doen. Maar ik wist toch zeker dat dit een zangkoor was. Ik had zojuist nog een stapel liedteksten gekregen.
"En nu wil ik dat jullie geen papier meer in de hand nemen. We gaan niet van papier af zingen. Is zoiets als een politicus die in de Tweede Kamer zijn bijdrage voorleest. Dat doen wij hier dus niet. Weg met dat papier." De dirigent klonk erg streng en ik moet zeggen dat ik van zijn interventie zeer onder de indruk was. Hoe moet dat nou, terwijl ik nu pas kom aanschuiven en niets gerepeteerd heb. Flankerende bassen zien mijn verwarring en laten blijken dat dat natuurlijk niet voor nieuwelingen geldt. Ik krijg een jaar de tijd om alle teksten uit mijn hoofd te leren en ik neem me voor daar ook nadrukkelijk naar te streven. Dan zie ik dat sommigen een heel klein spiekbriefje hebben waar ze stiekem vanaf kijken en dat voor het publiek aardig verborgen wordt gehouden. Ik fleur alweer wat op met dit soort mogelijkheden. De derde repetitieavond wordt mij door de dirigent en een lid van de muziekcommissie een zangtest afgenomen. Drie dagen en nachten wordt deze gebeurtenis thuis als een loden deken ervaren. Het zal toch niet waar zijn dat ik negenenzestig jaar ben geworden en dan wordt afgewezen om aan een Shantykoor mijn muzikale bijdragen te leveren. Aan de andere kant kan ik mij voorstellen dat men een beetje wil weten welk vlees men in de kuip heeft: je zal maar mijn jongste zwager uit mijn schoonfamilie aannemen. Die jaagt met zijn muzikaliteit en absolute gehoor in no time iedereen het Elkertheater uit.
Ik mag blijven, maar niet bij de bassen. Ik ben een bariton, en nou vind ik dat de mooiste stem.

Jacques Janssen
                 © Copyright 2009 - J.M.J.F. Janssen - Hilversum