Verblijf op Aarde

Willem Dominicus Horstmans

 
 
 






































































































 

 

'Een man welke door zijn gezag en administratieve kennis de belangen der gemeente het beste zal kunnen bevorderen'

De burgemeester van Hoensbroek

Willem Dominicus Horstmans is in Hoensbroek op 28 maart 1829 geboren en huwde in 1864 met Maria Elisabeth Philomena Claessens. Horstmans begon zijn ambtelijke loopbaan als ontvanger bij de gemeente Hoensbroek. Na deze functie een twaalftal jaren te hebben uitgeoefend werd deze koopman in wijnen (zo stond hij vermeld in de aanbevelingslijst) bij Koninklijk Besluit van 27 december 1882 tot burgemeester van Hoensbroek benoemd. In politiek opzicht was het een spraakmakende periode die veel van zijn energie vroeg. En dat alles heeft deze lokale bestuurder niet weerhouden zeer productief te zijn wat betreft zijn nakomelingen. Met zijn vrouw Philomena bracht hij 12 kinderen voort, vijf vrouwen en zeven mannen.

Zowat iedereen in het dorp heeft zich met zijn benoeming tot burgemeester in Hoensbroek benoemd. En in die dagen was er geen politieke partij die zijn bestaansrecht kon ontlenen aan democratisering van de samenleving. Nadat burgemeester Slanghen van Hoensbroek overleden was stroomden de verzoekschriften van functionarissen en particulieren bij het commissariaat van de koningin binnen. Op 12 oktober 1882, de sterfdag van burgemeester Slanghen, verzoekt de gemeentesecretaris aan de commissaris der koningin om als burgemeester te benoemen de heer A. Cremers, de broer van de notaris in het dorp, “hiervoor geschikt, kennis, bemind door iedereen, de beste man”.

Precies een week later, op de 19e oktober, droegen de wethouder W. Austen, de raadsleden Petri, Florakx en Mobers en de secretaris genoemde kandidaat A. Cremers nogmaals voor als zijnde “de man welke door zijn gezag en administratieve kennis de belangen der gemeente het beste zal kunnen bevorderen”. Zij zijn ervan overtuigd dat dit “de innigste en algemene wens is der ingezetenen van Hoensbroek”. In sneltreinvaart volgen de ontwikkelingen elkaar op.

24 oktober 1882.  Ene P. Peters stuurt namens een groot aantal weldenkende en christelijke inwoners, een verzoekschrift aan de commissaris der koningin, waarin hij er op aandringt de keuze niet te laten vallen op A. Cremers wegens “zijne vrijgeestige en liberale gevoelens”’. Verder schrijft hij, dat indien Zijne Excellentie genoemde heer voor zich zou doen verschijnen hij … "op het uiterlijk zal weten te beoordelen”en besluiten, dat hij áls burgemeester niet past’. Tenslotte verwijst hij hem naar een geestelijke, die hierover belangrijke inlichtingen kan verstrekken.

26 oktober. Wethouder W. Austen, doet onder intrekking van het mede door hem ondertekende voorstel van 19 oktober, met wethouder J. Lebouille, als burgemeester voordragen de heer W. Horstmans, áls zijnde de daartoe meest geschikte ingezetene’. Op dezelfde dag is een voordracht met Horstmans als kandidaat uitgegaan van wethouder Lebouille en de raadsleden Boshouwers en Mobers. Eveneens op 26 oktober schrijft de weduwe van burgemeester Slanghen een brief waarin zij de kandidatuur ondersteunt van B. Hoen, raadslid en ambtenaar van de burgerlijke stand, die in bijzondere achting stond bij haar man, ‘door zijn oprecht karakter en voorbeeldig gedrag bij alle inwoners zeer geacht'.

12 november. Adres van W. Horstmans zelf aan de commissaris der koningin, met wie hij reeds mondeling contact heeft gehad, waarbij hij zich voor de benoeming aanbeveelt.

30 november. Nieuw request aan de commissaris der koningin naar aanleiding van valse geruchten over de persoon van W. Horstmans, ondertekend door de beide wethouders, de raadsleden Mobers en Boshouwers, de gemeenteontvanger J. Kokkelkoren en de broer van de overleden burgemeester, C. Slanghen, waarin zij nogmaals onderschrijven dat de kandidaat W. Horstmans ‘niet alleen hoogachtenswaardig en fatsoenlijk is, maar ook door de weldenkende klasse boven de twee andere kandidaten geprefereerd wordt (…)’.

6 december. De commissaris der koningin draagt in een schrijven aan de minister van binnenlandse zaken, W. Horstmans voor en beveelt hem aan; de twee andere kandidaten worden door hem ongeschikt geacht wegens de gesignaleerde omstandigheden.

21 december. Het raadslid Boshouwers richt zich tot de commissaris der koningin met de mededelingen: ‘dat het met de politie erg slecht toegaat, dat er velen gansche nachten in de herbergen doorbrengen; vandaar dan ook de schandalen die zoo dikwijls in onze gemeente voorvallen zoals onlangs nog gebeurd met ’t bekladden der muren met vuiligheid en ’t inslaan der vensters van de pastorie …. Een schande voor de gansche gemeente’.

27 december. Lang nadat op 6 december Horstmans reeds was voorgedragen, ontvangt de commissaris der koningin tenslotte nog een anonieme brief, gedateerd 26 december, waarin men, de spanning blijkbaar moe en in de mening verkerend, dat de keuze bemoeilijkt wordt, als kandidaat Boshouwers voordraagt.

Op dezelfde dag volgt echter het Koninklijk Besluit, waarbij W. Horstmans wordt benoemd tot burgemeester. De brief van 21 december toont aan, dat er tweespalt was ontstaan en dat een der zich heftig uitende partijen was opgezweept tegen de toenmalige pastoor Thomassen. De hetze tegen de geestelijkheid nam geen einde. Het was een vijftal jaar na zijn benoeming tot burgemeester, toen het mikpunt van de volksanimositeit de toenmalige kapelaan Van de Vorst betrof, die jarenlang een huisvriend van de overleden burgemeester Slanghen was.

Op 28 augustus 1887 verzamelde zich voor het huis van de weduwe Slanghen een ketelmuziek makende menigte, die door middel van dit folkloristisch gebruik haar misnoegen te kennen wilde geven over het feit, dat de kapelaan genoemde weduwe brij geregeld bezocht.

De tegen het reglement van orde indruisende wanordelijkheden waren reeds meerdere malen voorgekomen maar hadden op 28 augustus blijkbaar een zo verregaand karakter, dat burgemeester Horstmans de brigade der marechaussee uit een grotere nabuurgemeente meende te moeten inschakelen om de ongeregeldheden de kop in te drukken. Toen burgemeester Horstmans enige tijd later de rekening over de logeerkosten der marechaussee, die meer dagen in café Florakx werd verzorgd, aan de gemeenteraad presenteerde, weigerde deze de rekening te betalen omdat de burgemeester deze onkosten eigenmachtig had veroorzaakt en niet tijdig met de veldwachter tegen de relletjes was opgetreden. Gevoegd bij eerdere moeilijkheden tussen raad en burgemeester, deden de gebeurtenissen van augustus de maat overlopen en werd de samenwerking van raad en burgemeester totaal onmogelijk, zodat Horstmans tenslotte ontslag moest nemen. Sindsdien waren er in de gemeenteraad van Hoensbroek twee partijen, waarbij de onderlinge tegenstellingen wel niet altijd even duidelijk blijken te ontstaan uit principiële overwegingen, maar waaraan het volk toch langzamerhand de namen gaf van ‘pastoorspartij en notarispartij’.

Het bovenstaande is gebaseerd op het authentieke verhaal van een der samenstellers van de “Geschiedenis van Hoensbroek”, de heer J.Th.H. de Win en van welke publicatie ik in 1975 gebruik heb gemaakt voor een artikel in “De Nederlandse Gemeente” in relatie met de in die dagen, soms hevig oplopende discussie over het benoemingenbeleid van burgemeesters en de invloed daarop van de gemeenteraad en de lokale bevolking.
(Naar boven)

Sinds enige tientallen jaren wordt er hevig gediscussieerd over het benoemingenbeleid van burgemeesters. Nou in de negentiende eeuw kon men er ook wat van. Mijn overgrootvader aan moeders kant kon er over meepraten, hoe de gemeenteraad van zijn invloed gebruik maakte.


 

 

 

 



Philomena Horstmans, dochter van W.J. Claessens en M.C.C. Wilms.
































Oud gemeentehuis van Hoensbroek waar de gemeenteraad, ver voordat D66 op het idee kwam een staaltje van democratische verworvenheid ten beste gaf. (Foto: PCH van Sebille)

 









 

 

 

 

 

 

© Copyright 2004 - 2013 J.M.J.F.Janssen - Hilversum